In Singer
Laren loopt tot 11 januari 2026 een tentoonstelling over een hoogtepunt van het
Nederlandse modernisme in Europese samenhang. Het getoonde werk ontstond
opmerkelijk genoeg een jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, is
meestal van groot formaat, kleurrijk en vol dynamiek. 1913 blijkt een
wonderjaar waarin de kunstwereld lijkt te dansen op een vulkaan die op
uitbarsten staat. De oorlog maakte abrupt een einde aan de internationale
uitwisseling en wederzijdse beïnvloeding van de Europese avant-garde, waarin
stromingen als het expressionisme, kubisme, futurisme en de beginnende
abstracte kunst over elkaar heen buitelden.
Het rijk geïllustreerde boek bij
de tentoonstelling belicht in een eerste deel uitgebreid de context van ‘een wervelend
jaar voor de Nederlandse schilderkunst’. Conservator Roby Boes maakt een
tijdreis langs de belangrijkste tentoonstellingen en avant-gardekunst in
Nederland, te midden van Europese ontwikkelingen. Franse kubisten, Italiaanse
futuristen en Duitse expressionisten werden geëxposeerd bij verschillende
kunstenaarsverenigingen en kunsthandels. Omgekeerd namen Nederlandse
kunstenaars – niet alleen de in Parijs woonachtige zoals Kees van Dongen, Piet
Mondriaan en Lodewijk Schelfhout, maar ook modernisten als Jan Sluijters, Leo
Gestel, Erich Wichman en Jacoba van Heemskerck – deel aan tentoonstellingen in
het buitenland.
Tegen de achtergrond van nieuwe technische ontwikkelingen en
wetenschappelijke uitvindingen groeide ook bij kunstenaars de drang verder te
gaan dan de weergave van de zichtbare werkelijkheid. Kleur en vorm kregen als
picturale middelen een nooit geziene zelfstandigheid. Het werk en de
geschriften van Wassily Kandinsky, van wie in 1912 een rondreizende
overzichtsexpositie te zien was, bleken van grote invloed naast tentoonstellingen
en manifesten van de kubisten en de futuristen in 1911 respectievelijk 1912.
Boes besteedt veel aandacht aan de netwerken, contacten en reacties van
kunstenaars en critici en aan de rol van kunstkringen en initiatieven als ‘De
Onafhankelijken’, de eerste jury-vrije kunstenaarsvereniging in Nederland.
Het gedegen
essay wordt geïllustreerd met voorbeelden van de internationale kunst uit die
tijd en met citaten uit de soms afwijzende, soms weifelende receptie in de
pers. Waar de tentoonstelling de klemtoon legt op Nederlandse kunstenaars en
vrij weinig buitenlandse schilderijen toont, vind je in het boek ook werk van
namen als Kandinsky – het prachtige ‘Bild mit weisser Form’ en het half
lyrisch-abstracte, half figuratieve ‘Improvisation No. 30 (Cannons’) –, František Kupka,
Luigi Russolo, Gino Severini en Pablo Picasso. Interessant zijn de
zwart-witfoto’s van zaalgezichten en intussen spoorloos geraakt werk, onder
andere (verrassend) vrijwel abstract werk van de dichter-zanger Koos Speenhoff.
De eigenlijke catalogus belicht per
kunstenaar de tentoongestelde werken: invloeden van en verwantschappen met de
grote avant-gardestromingen, waarbij heel genuanceerd te werk wordt gegaan. Zo
wijst de tekst over Jan Sluijters’ duizelingwekkende ‘Interieur’ op twee
zelfstandig verwerkte invloeden: ‘De invloed van het kubisme manifesteert zich
in het gebruik van wisselende perspectieven, terwijl de beweeglijke voorgrond
de dynamiek van het futurisme weerspiegelt.’ Uiteraard zijn niet alle werken
van eerste rang, maar zowel bij bekende als de minder bekende namen vallen
ontdekkingen te doen: het prachtige coloriet van Jan Sluijters’ ‘Kubistisch
halfnaakt’, de dynamiek van Leo Gestels ‘Bloemstilleven’ vol beweging, een
abstract-futuristische compositie die mogelijk aan Jules Schmalzigaug kan
worden toegeschreven, Lodewijk Schelfhouts monumentale ‘De boom, La Provence’, in
diens eigen woorden ‘een geestelijke vertaling van den indruk der natuur op ons
karakter’.
Krachtig
is ook het werk van Jacoba van Heemskerck met haar mystiek aandoende
‘Compositie nr. 6’. Verbluffend het sterk abstraherende ‘Klein landschap’ van
Erich Wichman. Een hoogst originele avant-gardist wiens werk zelfs op de
Nieuwe Wilden lijkt vooruit te lopen is Adriaan Korteweg met zijn
verontrustende ‘Doolhof’. Sommige abstraherende werken hebben zo felle kleuren
(Djurre Pieter Duursma) dat ze zichzelf lijken te overschreeuwen of neigen met hun
biomorfe vormen erg naar het decoratieve (een gedeelte van Jan van Deenes reeks
‘Peinture’ en Jacob Bendiens ‘Composities’).
Bij de werken van buitenlandse kunstenaars is er het feestelijke ‘L’Equipe
de Cardiff’ van Robert Delaunay, door Apollinaire bestempeld als ‘orfisme’, een
overgangsvorm tussen kubisme en abstracte kunst. Even kleurrijk August
Mackes ‘Reiter und Spaziergänger in der Allee’, een beweeglijke abstrahering. Mooi
en rustgevend zijn het gestileerde schilderij ‘Le grand buste rouge’ van Amedeo
Modigliani en een expressionistisch vrouwenportret door Alexej von Jawlensky.
1913. De
grote kunstexplosie biedt een indrukwekkend beeld van de vernieuwingskracht
en durf die de Nederlandse en internationale avant-gardekunst hebben
tentoongespreid.
Jan Rudolph de Lorm e.a.: 1913. De grote
kunstexplosie, Waanders, Zwolle, 2025, 128 p. : ill. ISBN 9789462626492
deze pagina printen of opslaan