Met Kelderrat maakt Tine Hertmans, al langer bekend
als auteur van enkele opmerkelijke dichtbundels (o.a. Tuin van Eden (Demer
2020), Aan de waterlijn (Inkt 2022) en diverse kinderboeken, haar debuut
als romancier. Het gaat blijkens een aantekening op het eerste blad om
‘waargebeurde feiten’ en blijkens de titelbladzijde om een ‘roman’. Beide
gegevens roepen als vanzelf het aloude spanningsveld op tussen fictie en realiteit,
‘Dichtung und Wahrheit’, fantasie en werkelijkheid. In ieder geval gaat het om
een beperkt aantal personages en een auctoriële ik-verteller (Andrea, roepnaam
Anneke) die functioneren in een verhaal waarvan de emotionele en psychologische
densiteit erg geladen is. Het tot roman verwerkte centrale gegeven is dat van langdurig
intrafamiliaal seksueel misbruik, met allerlei lichamelijke en psychische verwondingen
tot gevolg voor het slachtoffer.
De op elkaar volgende depressies, doktersvisites, therapieën,
onderzoeken, nachtmerries en de vernederende of intimiderende reacties van enkele
familieleden (de ouders, grootouders en zus van Andrea op kop), haar lijdensweg
om professioneel voet aan de grond te krijgen, de onverminderde steun van
echtgenoot Dries en dokter Hans, enzovoort vormen de op elkaar variërende
motieven van het boek. Het minder geslaagde narratieve effect is dat bepaalde
gebeurtenissen soms nodeloos opgerekt of herhaald worden, maar het bedoelde retorische
effect is dat de ernst van de complexe, meervoudige aandoening waaraan de jonge
en latere volwassen Andrea lijdt, sterk uit de verf komt. De kwelling die
Andrea op een haar na onderuit haalt, groeit gaandeweg uit tot een spiegelmetafoor.
Niet toevallig bedient Andrea zich van een dergelijk beeld om, naar het einde van
de roman toe, een/de vreselijke waarheid onder ogen te zien: ‘Het was tegelijk
pijnlijk en om te gieren, ik had al die tijd het gezicht van opa in de spiegel
gezien, niet het mijne’.
Het heeft weinig zin om het hele verhaal en de
omstandigheden waarin het misbruik tot stand komt, hier gedetailleerd uit de
doeken te doen – daarvoor is lezing van het boek ten zeerste geboden. Maar het
heeft wél zin om te wijzen op het onderliggende hoofdthema dat door middel van
dit beklijvende verhaal wordt blootgelegd. De vele, soms parallel aandoende
scènes waarin het seksuele geweld en de ontkenning of verdringing ervan worden
onthuld, zouden de lezer ertoe kunnen verleiden dat geweld als de thematische
kern van de roman te beschouwen. Maar dat is mijns inziens niet – of toch niet
helemaal – het geval. Via het verhaal, dat doorleefd en authentiek overkomt – vécu,
zou men zeggen in het Frans –, wordt vooral een medisch, sociaal, klerikaal én
juridisch (patriarchaal) systeem gegispt waarvan de emotionele gevolgen voor
het individuele (vrouwelijke) slachtoffer even genadeloos als verschroeiend
zijn. Over die moedeloos makende genadeloosheid, die het slachtoffer niet in
bescherming en zeker niet serieus neemt, maar bewust criminaliseert en
demoraliseert, gaat deze roman.
Hoewel het boek in hoofdzaak een chronologisch relaas
offreert, sluiten het denkbeeldige ‘nu’ van de aanvangshoofdstukken en het ‘nu’
van de uitvoerige epiloog op elkaar aan. Tussen beide polen ontvouwt zich een
lappendeken aan ontluisterende gebeurtenissen en vermoedens die helemaal op het
einde van de roman worden bewaarheid. Die met elkaar vervlochten feiten en
beschouwingen vormen een rondtollende lus die door de retrospectieve verteller
geleidelijk aan wordt dichtgetrokken.
In de eerder aangehaalde
aantekening staat nog te lezen dat ‘alle namen gefingeerd [zijn]’ en ‘iedere
herkenning bijgevolg incidenteel [is]’. Een vertrouwde aansporing tot
voorzichtigheid die moet voorkomen dat de lezer fictionele en historische
personages met elkaar zou verwarren. Maar wie het autobiografische karakter van
deze ik-roman, die toch in eerste instantie leest als een doorwrocht document
humain, verbindt met de familienaam van de auteur, komt willens nillens
voor vragen te staan. De meest prangende en meest onbeantwoordbare vraag lijkt
me of het kunstzinnige opa-personage (met een opspelend oorlogsverleden) van déze
roman op dezelfde figuur is geïnspireerd als de (schilderkunstige) opa wiens oorlogsdagboek
een belangrijke bron was voor Stefan Hertmans’ alom bejubelende, in vele talen
vertaalde roman Oorlog en terpentijn?
Los van die vraag en van de
bedenking dat Kelderrat zich in stilistisch opzicht soms overgeeft aan
een zekere omhaal van woorden, valt niet te ontkennen dat de hier aangesneden thematiek
op zijn minst urgent is en tegelijk van alle tijden. Jammer genoeg sluit de
roman aan bij de huidige tijdgeest én de langgerekte noodkreet om erkenning en
gerechtigheid vanwege alle slachtoffers. Maar in literair opzicht sluit hij tevens
aan bij een reeks romans waarin seksueel geweld in familiale en/of religieuze kring
wordt verbeeld én aangeklaagd. Ik denk daarbij eerst en vooral aan Karel Glastra
van Loons taboedoorbrekende, in vierendertig talen vertaalde roman De
passievrucht (1999) en Jeroen Brouwers’ ontstellende roman Het hout
(2014). Maar ook aan de subtiele, intussen knap verfilmde novelle Small
Things Like These (2021; film 2024) van Claire Keegan en, vanzelfsprekend,
aan Sebastian Barry’s beklemmende, knap gecomponeerde roman Old God’s Time
(2023). Alleen al het feit dat Kelderrat onder meer die boeken in
herinnering brengt, maakt deze moedige, indringende roman meer dan het lezen
waard.
Tine
Hertmans: Kelderrat, Het Punt, Dendermonde 2024, 345 p. ISBN 9789460797804
deze pagina printen of opslaan