Bart Stouten is de jongste jaren
productiever dan ooit. Dat heeft ongetwijfeld te maken met vrijgekomen tijd
maar ook met de aandrang om getuigenis af te leggen in deze hachelijke tijden.
Daarbij heeft de dichter zich toegelegd op langere, verhalende gedichten waarin
epische fragmenten en lyrische evocatie elkaar voortdurend afwisselen. Het is
een vorm die het mogelijk maakt om episodes te vertellen maar tegelijk ook stil
te staan bij bepaalde observaties of mijmeringen. Bovenal is het een hybride
vorm waarin Stouten zijn sterkste troeven als auteur kan uitspelen. Ook
thematisch biedt deze combinatie onmiskenbaar voordelen. Stouten presenteert in
zijn werk graag scènes uit zijn persoonlijke leven en zijn jeugd, maar evengoed
wil hij deelnemen aan courante debatten en zijn stem laten horen bij prangende
kwesties.
Stoutens
jongste bundel is daarvan een mooi voorbeeld. De doden niet meer tellen is een felle aanklacht tegen de oorlog.
Die blijft echter niet beperkt tot de huidige situatie, want Stouten verbindt
allerlei historische, mythologische en Bijbelse verhalen met elkaar. Helden en
slachtoffers worden daarbij gelijk behandeld en over elkaar geschoven als
transparante plaatjes. Op die manier ‘monteert’ de dichter zijn eigen,
archetypische oorlog, die kan beginnen met een persoonlijk of emotioneel
conflict maar ook kan uitgroeien tot een mondiale vernietiging. De vele
verspringingen in tijd en ruimte zijn erop gericht om dat universele patroon
van onverantwoord geweld zo intens mogelijk aan de kaak te stellen. De mythe
van heroïek staat daarbij de aandacht voor de onmenselijkheid in de weg, iets
wat Stouten overtuigend laat zien door ook verhalen van gewone slachtoffers met
die van mythische helden te verweven.
Toch is de boodschap van deze
bundel allerminst clichématig. Stouten verwerkt immers ook zijn persoonlijke
herinneringen aan vroegere verblijven in Oost-Europa in zijn gedicht, waardoor
de romantiek en het heimwee naar de gastvrijheid en de culturele verrijking van
toen als een contrast met de huidige wanhoop gaan fungeren. Vriendschappen en
liefde vormen een tegengewicht voor het al te dreigende pessimisme, en
misschien zijn ze zelfs de kiemen van een nieuwe wereld en wereldorde. Toch
overheerst vooral het contrast tussen verleden en heden in deze bundel, met een
dichter die steeds meer beseft dat veel van wat hij koestert (aan herinneringen
en mensen maar ook aan kunst, muziek en cultuur) onherroepelijk voorbij is. In
die zin is de vorm van deze bundel ook wel goed gekozen. Stouten schrijft als
het ware tussen wakker-zijn en slapen in, waardoor zijn verhaal iets heeft van
een droom vol associaties en gedachtesprongen. Daarbovenop speelt hij met het
motief van het ‘schaapjes tellen’ dat
hier lugubere contouren aanneemt: de slachtoffers worden geteld tot hun aantal
de mathematische proporties overstijgt. Het zijn stilistische ingrepen die het
vakmanschap van de dichter laten zien. Dat geldt ook voor de structuur: de
bundel begint met een aantal hecht gestructureerde vijfregelige strofen, maar
gaandeweg worden die overspoeld met informatie en wordt de vaste vorm
noodgedwongen losgelaten voor een stroom aan associaties. Het is een manier om
de ontregeling tastbaar te maken. De
doden niet meer tellen is wellicht niet Stoutens sterkste bundel – daarvoor
bevat hij te veel zwakke of minder noodzakelijke fragmenten – maar het blijft
in alle opzichten een waardevolle en hoogst zinvolle leeservaring.
Bart Stouten: De
doden niet meer tellen, P, Leuven 2025, 53 p. ISBN 9789464757767
deze pagina printen of opslaan