Paul Demets heeft de jongste jaren
als dichter alleszins de wind in de zeilen. Hij publiceert aan een bijzonder
hoog tempo dichtbundels (ondertussen bij twee uitgevers), die zowel bij lezers
als bij critici op een ruime belangstelling kunnen rekenen. De recente bekroningen
met de Grote Poëzieprijs en de Paul Snoekprijs zijn daarvan sprekende getuigen.
Al die bundels
zijn in feite gelijkaardig opgebouwd, waardoor ze herkenbaar zijn maar na
verloop van tijd ook een sjabloonachtige indruk beginnen te maken. Die
coherente aanpak heeft te maken met Demets visie op poëzie. Afzonderlijke
gedichten zijn steeds met grote zorg geschreven, doorgaans met een vast aantal
regels en strofen die het vers structureren, maar uiteindelijk domineert de
samenhang van reeksen en de bundel als een thematisch geheel. Die haast
klassieke schriftuur staat in contrast met de thematische onrust. Op dat vlak
schrijft Demets erg gelaagde bundels. Aan de ene kant put hij uit zijn eigen
leven en zijn ervaringen, maar die persoonlijke gegevens worden gecounterd door
ze te verbinden met algemenere maatschappelijke problemen: op dat vlak richt de
dichter zich steevast tegen uitsluiting en kiest hij voor de natuur in plaats
van een niets ontziende technologie en economie.
Het meest kenmerkend is echter
de manier waarop Demets zijn bundels nadrukkelijk dialogisch opvat. Hij
schrijft expliciet in aansluiting bij het werk en de opvattingen van andere
kunstenaars. Daarbij kan het gaan om een eerdere auteur als Gezelle (in het
bekroonde De schaamsoort), maar doorgaans zoekt de dichter zijn inspiratie bij
schilders als Spilliaert, Raveel of De Keyser. Die dialoog verruimt zijn eigen
uitgangspunten.
Voor zijn jongste bundel, Moederkoren,
gaat Demets te rade bij kineaste Chantal Akerman. Met haar cultfilms heeft de
dichter meerdere affiniteiten. Zo is er de fascinatie voor de grote stad, een
smeltkroes van nationaliteiten en gebruiken. Het is niet alleen het decor voor
een terugblik in het verleden (met enkele mooie liefdesgedichten) maar ook een
metafoor voor wat Demets zelf voor ogen staat. Het belangrijkst zijn evenwel de
magistrale vrouwenfiguren in het werk van Akerman. Haar vrouwelijke blik legt
leemtes en misbruiken bloot en vraagt aandacht voor wat vaak veronachtzaamd
wordt. Dat matriarchale principe vormt de leidraad in de dichtbundel, die
focust op de moeder, de partner en de dochter. De opeenvolgende generaties
laten de grote verschuivingen zien in de maatschappij en in de
man-vrouwrelaties. De jeugdherinneringen portretteren een zelfbewuste moeder
die zich echter gebonden voelt door de regels en de ongeschreven wetten over
vrouw-zijn.
De
meeste gedichten hebben het echter over de problematische situatie. Mannen
zowel als vrouwen hebben het gevoel vast te zitten en elkaar tegelijk in de weg
te lopen. Ze zijn lotgenoten in hetzelfde vervreemdende bestaan. De bundel
wemelt van de verwijzingen naar de onmogelijkheid om te bewegen, om los te
komen, om vrij te zijn. Dat leidt tot een intense frustratie, maar tegelijk is
er het besef dat die onlosmakelijke band misschien wel de essentie van ons zijn
uitmaakt. Verbinding en gebondenheid zijn keerzijden van dezelfde existentiële
ervaring. Vooral in de slotreeksen van de bundel leidt dit tot een harde maar
noodzakelijke zelfanalyse van het ik, op zich maar vooral in relatie tot de
diverse vrouwenfiguren die hem definiëren. De bundel vormt daardoor een boeiend
en intens geheel, maar toch kan hij niet tippen aan Demets’ allerbeste werk.
Daarvoor zijn de gedichten wat ongelijkmatig en is de spankracht in de bundel
minder groot.
Paul Demets: Moederkoren, Poëziecentrum, Gent 2025, 86 p. ISBN 9789056553623
deze pagina printen of opslaan