Vertaald proza

BOEKEN NR. 5, MEI 2020

Catherine Poulain: De fruitplukkers

door Katja Feremans

De Franse Catherine Poulain (1960) trok van jongs af aan de wijde wereld in. Amper twintig was ze toen ze appelen ging plukken in Canada. Later ging ze aan de slag in een visconservenfabriek in IJsland en op scheepswerven in de VS. Ze tapte in een bar in Hongkong en werkte tien jaar lang op een vissersboot in Alaska, een ervaring die aan de basis ligt van haar debuutroman Open zee. Ze zet daarin het harde leven neer van een vrouw die zich staande moet zien te houden in de mannenwereld van de visserij. In haar tweede autobiografische roman, De fruitplukkers, zoomt ze in op de seizoenarbeid in de landbouw in de Provence, een eveneens door mannen gedomineerd milieu.
 
Het verhaal speelt zich af in een bergstreek waar haveloze en om werk verlegen lui naartoe trekken om lindebloesems, olijven, kersen of abrikozen te plukken en ingezet te worden op lavendelvelden en wijngaarden. Een enkele seizoenarbeider woont in een huis, de meesten moeten het stellen met een containerwoning, een schuur, een (boom)hut of een aftands camperbusje. In het dorp dat centraal staat in de roman, zijn er twee cafés waar ze welkom zijn. Bar du Commerce wordt bestierd door de rondborstige, onbewogen Yolande, café En Haut door een magere, overwerkte vrouw met een aanstellerige dochter van een jaar of acht.
 
Na de werkuren drinken de arbeiders zich daar lazarus, maar voor dag en dauw staan ze steevast paraat om een plekje te bemachtigen op een veewagen of een pick-up, waarmee landeigenaars hen naar de velden brengen. Twee vrouwen die ook voor dit harde bestaan hebben gekozen zijn de van afkomst Duitse Rosalinde en Mounia, een Franse met Algerijnse roots.
 
Rosalinde is halfweg de dertig en valt op door haar heldere ogen en haar haren als een helm van vuur. Aangetrokken door de belofte van vrijheid, draait ze al jaren mee in dit wereldje. Rust vindt ze echter nauwelijks. Vooral de op haar geilende mannen jagen haar op. Nu eens wil ze zo ver mogelijk van ze weg, dan weer weet ze met haar eigen begeerte geen blijf, ‘dat verdomde, geniepige, leugenachtige verlangen, dat zich altijd opdringt, je overweldigt, een slang die je verlamt tot aan zijn onvermijdelijke val’.
 
Van de meeste mannen wordt slechts hun hitsigheid belicht. Ze worden getypeerd als ‘de Parijzenaar’, ‘de Zigeuner’, ‘Loden Ogen’. Enkelen worden wel bij naam genoemd, maar ook hun achtergrond blijft summier en eendimensionaal, zo bijvoorbeeld die van de Portugese would-bedichter en anarchist Acacio, met wie Rosalinde geregeld optrekt én voortdurend botst. Zijn landgenoot Cesario, eerder een stille getuige van alles wat er zich afspeelt, kan het dan weer goed vinden met de zesentwintigjarige Mounia, die gaandeweg de hoofdvertelster wordt van de roman.
 
Rosalinde is en blijft evenwel het meest intense personage. Een van haar treffendste observaties slaat op het dedain van de lokale dorpsgemeenschap voor het bonte allegaartje van seizoenarbeiders, die om economische of existentiële redenen een hardvochtig nomadenbestaan leiden: ‘Eigenlijk hebben de mensen van hier gelijk, wij zijn echt mismaakte vruchten, alleen maar geschikt als afval. En dat komt ze goed uit ook, dat sommigen geschift zijn. Abrikozen voor de pulp zijn net zo goed nodig, de fabrieken voor het vruchtvlees van afgekeurd fruit moeten toch ook draaien’.
 
De uitwerking van de karakters is niet het sterkste punt van De fruitplukkers. De roman ontleent vooral diepte en reliëf aan de in beeld gebrachte werksfeer op en rond de landerijen en aan de rauwe taferelen in de dorpscafés, de enige plekken van vertier voor de zich uitslovende diehards die worden verteerd door een verlangen om te vergeten enerzijds en voluit te leven anderzijds. Dit gekwelde bestaan, dat de schrijfster sporadisch aanzet met een poëtische toets, doet de mannen en vrouwen in kwestie stuk voor stuk vervallen in wanhoop, excessen en (zelf)vernietiging, een cocktail die uitmondt in een ontstellende ontknoping.
 
Catherine Poulain: De fruitplukkers, Cossee, Amsterdam, 2020, 235 p. ISBN 9789059368989. Vertaling van Le coeur blanc door Prescilla van Zoest. Distributie Pelckmans Uitgevers

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri