Non-fictie

BOEKEN NR. 5, MEI 2020

Herman Pleij: Oefeningen in genot. Liefde en lust in de late Middeleeuwen

door Christophe Van Eecke

De welbespraakte orgie: Herman Pleij leest de Rederijkers
 
Het nieuwste boek van Herman Pleij komt precies op tijd: terwijl we langs alle kanten worden belaagd door een nieuwe preutsheid, puriteinse aanvallen op de geschilderde en geschreven canon, en censuurdictaten in de naam van de vrijheid doet hij een boekje open over de seksuele vrijheid die men in de literatuur en cultuur van de late Middeleeuwen kan ontdekken. Zijn boek is een onderzoek naar de dynamiek van een opmerkelijke seksuele vrijmoedigheid (zeg maar: losbandigheid) die rond 1500 opgang maakte in de stedelijke cultuur van de Lage Landen, en met name in de kringen rond de rederijkers. Deze wordt ons voorgehouden als een soort ‘verre spiegel’ in de hoop om door het begrijpen van het verleden ook enig inzicht te verwerven in de culturele dynamiek van het heden. Een bijzonder goede vondst van Pleij is dat hij daarbij het beladen begrip ‘seksuele revolutie’ vermijdt en veeleer spreekt van een ‘seksuele vrijwording’ – een terminologie die gretige navolging verdient omdat ze niet alleen neutraler is in de bewoording, maar tegelijk ook minder agressief (revolutie suggereert altijd geweld en plotse omwenteling), waardoor ze benadrukt dat hier een optimistisch perspectief op een toename aan levensvreugde werd geopend.
 
Een onderbuikse wereld ontsluiten
Het boek is opgebouwd als een wijds panorama. Doorheen thematische hoofdstukken plooit Pleij laag na laag open hoe de seksuele vrijwording gestalte kreeg, waartegen zij reageerde, welke motieven en tropen zij hanteerde, en uiteindelijk ook hoe zij door een herstelbeweging in de kiem werd gesmoord. Pleij staaft zijn verhaal met een rijkgeschakeerd menu aan teksten. Verwijzingen naar de Roman de la Rose, een massief laatmiddeleeuws allegorisch erotisch dichtwerk dat voor lange tijd de toon zette voor de nieuwe liederlijkheid, lopen als een rode draad doorheen zijn betoog dat verder uit zo diverse bronnen plukt als gedichten en toneelstukken van rederijkers (zijn voornaamste aanknopingspunt), maar ook preken en biechtboeken, theologische traktaten, zotte refreinen, volksliedjes, spotprognosticaties, en wat dies meer zij (opmerkelijke afwezigen in het verhaal zijn Rabelais en diens voornaamste theoretische lezer, Bakhtin). De hele laatmiddeleeuwse en vroegmoderne literaire productie passeert de revue, van volks tot elitair, om in een subtiel weefwerk de evolutie(s) en tegenbeweging(en) te schetsen.
 
Bij dit brede panorama laat Pleij niet na erop te wijzen dat de bronnen hun beperkingen hebben en ons niet altijd een accurate toegang bieden tot hoe het er in het echte leven aan toe ging. De extreme gestrengheid van kerkelijke en wereldse strafbepalingen omtrent en veroordelingen van afwijkend seksueel gedrag was vaker een afschrikmiddel dan de weerspiegeling van een sociale realiteit (er gaapte, zoals Pleij het formuleert, ‘een aanzienlijke kloof tussen voorschrift en praktijk, beduidend groter dan nu’), net zoals de gestileerde en met double entendres overladen teksten van de rederijkers geen documentair verslag bieden van alledaagse seksuele geplogenheden. Al deze bronnen bieden wel indirecte toegang tot de beleefde werkelijkheid omdat het feit dat men blijkbaar een nood voelde om over deze onderwerpen te schrijven iets zegt over wat er leefde, net zoals de veelvuldige veroordeling van bepaalde seksuele praktijken (zoals homoseksualiteit, prostitutie of abortus) erop wijst dat dergelijke zaken in de werkelijkheid vaak en openlijk genoeg plaatsvonden om morele onrust te zaaien onder de autoriteiten.
 
Bijzonder belangrijk voor Pleijs betoog is het feit dat de meeste teksten (gedichten, liederen, toneelstukken) werden opgevoerd door een voordrager, door een gezelschap, door een voordrager in dialoog met het publiek, door dansende feestvierders, of op nog andere manieren (zoals tijdens vastenavondvieringen of optochten). Hierdoor ontstonden talloze mogelijkheden om de teksten vorm te geven, aan te passen, en met de linguïstische dubbelzinnigheden te spelen, waarbij voor het goed fatsoen altijd de ‘vluchtweg’ overbleef van de geveinsde naïviteit die de seksuele ondertoon als onbedoeld van de hand kon wijzen. Niet elke pijl die in de roos wordt geschoten, hoeft dan bij elke voordracht een penis te zijn. Dit performance-karakter van de teksten is relevant omdat het een inzicht biedt in de manier waarop deze nieuwe vleselijke retoriek door een breed en rijkgeschakeerd publiek kon worden geconsumeerd: van elitaire feestdis tot straattheater nam de brede maatschappij deel aan, of nam op zijn minst (al dan niet verstoord) notitie van, de nieuwerwets los wordende banden.
 
Daarnaast zijn er ook gewoon verrassende inkijkjes in het seksuele leven van onze vroegmoderne voorouders. We vernemen allerhande boeiende feiten over productie, handel in en gebruik van dildo’s, de toenmalige stand der medische wetenschappen (vaak verrassend haaks op wat de kerk verkondigde), de openlijke organisatie van de prostitutie, en de talloze instructieboekjes voor lustverhoging, over het gebruik van voorbehoedsmiddelen of over manieren om een abortus te bekomen. Doorheen al deze dwaaltochten door de schaamstreek van het laatmiddeleeuwse valt keer op keer op dat de menselijke natuur in wezen niet zo heel veel is veranderd en dat voor veel mensen toen als nu gold: leven en laten leven. Heel vaak trok men zich gewoon niets aan van wat de morele autoriteiten inzake de bedstee ordonneerden. Zoals een anonieme lezer in de marge van een alarmtraktaat over het losbandige zondigen tegen de zeven hoofdzonden noteert: ‘Wat sal u dat?’ – oftewel: ‘Waar moeit gij u mee?’
 
Seks als belegering
Pleij maakt overtuigend duidelijk dat er in de behandelde periode inderdaad een ‘seksuele vrijwording’ plaatsgreep die op haar beurt een reactie opriep bij de (vooral) kerkelijke autoriteiten die hun moreel gezag aangetast wisten door de nieuwe lossere zeden. Precies hoe los die zeden werden, zien we onder meer in de verrassende literaire creaties binnen rederijkerskringen. De stilistische en semantische uitbundigheid waarmee in die teksten in al dan niet allegorisch bedekte termen over het onderbuikse werd geschreven geeft aan dat deze auteurs werden gedreven door ‘de zucht om het onzegbare onder (nieuwe) woorden te brengen’. Daarbij werden morsige seksuele praktijken niet zelden op boeren en zotten geprojecteerd. Op die manier ontstond enerzijds een omgekeerd leefmodel (de fatsoenlijke burger dient zich zo niet te gedragen) terwijl anderzijds toch uitgebreid verslag kon worden gedaan van al die onfatsoenlijkheid, waardoor dergelijke teksten een zeker educatief karakter kregen voor de seksueel nieuwsgierige dame en heer. Hierin volgt Pleijs betoog de lijn van eerder onderzoek naar de vroegmoderne cultuur zoals we dat onder meer kennen uit de boeken van Paul Vandenbroeck, maar ook uit Pleijs eigen vroegere studies, zoals Het Gilde van de Blauwe Schuit (1979), Dromen van Cocagne (1997), en zijn biografie van Anna Bijns, een dame die ook hier regelmatig aan bod komt.
 
Een opvallende tendens die Pleij naar voren haalt, is dat vanaf de vijftiende eeuw, en met name in het werk van de rederijkers, elke behoefte om de aandacht op het onderbuikse toe te dekken met zinspelingen of rationalisaties wegviel. Seksuele vunzigheid komt schaamteloos op het voorplan in een stroom van liederen (en andere teksten) die zonder enige ‘zedelijke bedenking of moraal’ het seksueel verkeer onverbloemd benoemen: ‘niks huwelijk, niks matigheid, alleen door het uitschakelen van elke controle en behoedzaamheid is het hoogste genot te bereiken’. Een belangrijk motief in deze context is de gedachte, eeuwenoud en ook vandaag nog springlevend, dat echt seksueel genot een element van geweld omvat. De man moet de vrouw veroveren, en nadat de dame in kwestie afdoende heur eer heeft verdedigd door enige tijd de boot af te houden, laat zij zich uiteindelijk toch in bezit nemen, wat haar zelf ook het meeste genot schenkt als de copulatie de vorm van een verkrachting aanneemt.
 
Pleij legt hier een interessante spanning bloot. Enerzijds krijgen vrouwen binnen deze teksten vaak een heel actieve rol, al was het maar omdat ze door hun verleidingskunsten de man aan het lijntje houden. Maar met name ook binnen het huwelijk mogen zij het seksueel initiatief nemen. Anderzijds was het binnen het hoofse ideaal (waarvan de nieuwe literaire mores waren afgeleid) ook zo dat de vrouw uiteindelijk toch met geweld moest worden genomen in wat soms niets minder dan een belegering van haar lichaam lijkt. Wat we hier zien, stelt Pleij, is de ‘idealisering van geweld als voornaamste katalysator van seksuele bevrediging en liefdesgeluk’. Daarbij legt hij expliciet de link naar hedendaagse fenomenen zoals het ‘grab them by the pussy’ van Trump, waarin die gedachte voortleeft, al stipt hij meteen ook aan dat de vergelijking niet helemaal opgaat omdat iemand als Trump gewoon vrouwen aanrandt terwijl de hoofse minne een strikt gecodeerd spel was waarin ook de vrouw haar rol speelde – al was het toch niet altijd duidelijk hoe ver haar instemming reikte wanneer de man chargeerde. De spanning tussen literatuur en realiteit blijft ook hier bestaan.
 
Envoi: Gaudete!
Als elke seksuele bevrijding gevolgd wordt door een poging tot restrictieve restauratie, dan zien we vandaag de backlash tegen (de nasleep van) de seksuele revolutie van de jaren 1960 en 1970. Men vraagt zich af wanneer en waarom precies de seksuele neurose zich opnieuw in het cultureel DNA heeft genesteld. Een specifiek antwoord op die vraag geeft Pleij niet, al suggereert zijn boek (en met name in het laatste hoofdstuk) een en ander over de dynamiek die hier aan het werk is, en die hij vooral voor de vroegmoderne context mooi uittekent. Tot nader order blijven we dus opgezadeld met de nieuwe morele retour à l’ordre, waarbij alles dat naar ongebreideld plezier riekt onder de wolk van opperste verdenking wordt geparkeerd. Soms denk ik: waren Hugo Claus en Gerard Reve en Willem Frederik Hermans en Jan Wolkers nog maar hier om de erudiete vloer aan te vegen met de ridders van de nieuwe moraal. Jan Cremer hult zich helaas in stilzwijgen, maar hij was natuurlijk altijd al meer een rampetamper en een cultuurbarbaar veeleer dan een prater.
 
Als het boek soms wat breed gaat (ten koste van de focus en vaart) dan is het omdat Pleij het ene na het andere voorbeeld aangrijpt en met zichtbaar plezier de plot van liederen en toneelstukken navertelt, al dan niet opgetuigd met royale capita selecta uit de neologismen die werden gesmeed om seks onder woorden te brengen. Hij voelt duidelijk veel sympathie voor de losbandige fantasie van onze laatmiddeleeuwse voorouders. Dit boek is zonder meer bedoeld als een vingerwijzing voor de nieuwe puriteinen die seks terug naar het verdomhoekje van de zonde willen verwijzen. Daarbij legt de auteur geen kritiekloze bewondering voor het verleden aan de dag: daarvoor is hij te nauwgezet in het aanstippen van de moreel problematische aspecten van de door de hoofse minne geïnspireerde neuk-er-maar-op-los-moraal die in het spoor van de Roman de la Rose werd uitgerold.
 
Wat hij wel doet, naast een rijk gevulde en onderhoudende geschiedenisles bieden, is zijn lezer enthousiast maken voor een positief en optimistisch levensalternatief. Door in groot detail en met een stortvloed aan primair materiaal te reconstrueren hoe de laatmiddeleeuwse periode haar seksuele vrijwording op het spoor zette, biedt hij culturele en morele handvatten om ook in onze duistere tijden opnieuw op Rabelaisiaanse wijze, en met een rozenmetafoor constant op de lippen, de losbandigheid te omarmen als het betere alternatief in de lusten des vlezes. Mannen met vrouwen, vrouwen met mannen, mannen met mannen, vrouwen met vrouwen, met drieën of vieren, met zweepjes of dijengeklets, hard of zacht, in de kont of in de mond, in bordelen of struiken, met de hond of in de stal, of gewoon in bed: als we eerlijk zijn, vinden we het hele repertoire wel spannend. Laat u verleiden door het verleden.
 
Herman Pleij: Oefeningen in genot. Liefde en lust in de late Middeleeuwen, Prometheus, Amsterdam 2020, 434 p. : ill. ISBN 9789044642803. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri