Vertaald proza

BOEKEN NR. 5, MEI 2020

Jakub Małecki: Roest

door Herman Jacobs

Bezig een echt iemand te worden
 
Het is niet vaak het geval, maar soms zijn dingen heel eenvoudig. Bijvoorbeeld: dat Roest van Jakub Małecki (zeg ‘jakoeb mawetski’) een prachtig boek is. Dat staat gewoon als een paal boven water. Trouwens, als de grote Karol Lesman het zegt, de eminente vertaler die al zoveel Poolse literatuur binnen het bereik van de Nederlandstalige lezer heeft gebracht (en aan wie we het te danken hebben dat Roest überhaupt de allereerste vertaling is van Rdza), dan stopt wat mij betreft iedere discussie: ‘Tot het lezen van Roest kon ik zonder aarzelen antwoorden op de vraag wie mijn favoriete Poolse schrijver was: Wiesław Myśliwski. Na het lezen van Roest kan ik dat nog steeds, zij het dat ik nu een meervoud moet gebruiken: Myśliwski én Małecki.’ Duidelijke taal.
 
Een prachtig boek dus. Wat niet wil zeggen: een leuk boek. Als een loodzwaar verleden als een doem tegen de hanenbalken van een samenleving hangt, dan blijft dat niet zonder gevolgen. Veelal minder prettige.
 
Jakub Małecki (1982) is in zijn vaderland een stevig gevestigde naam en een meermaals bekroond auteur. Van opleiding is hij eigenlijk econoom, en hij werkte enige jaren voor een bank, maar intussen is hij alweer geruime tijd beroepsschrijver. Roest is zijn negende boek.
 
Dat begint in het jaar 2002, met een welhaast archetypische jongetjesscène: Szymek (verkleinvorm van Szymon), zeven jaar, en zijn vriendje Jacek Budzikiewicz, roepnaam Budzik, experimenteren met de kolossale pletkrachten die treinen uitoefenen op alles wat tussen hun wielen en de rails komt. Stukjes metaal, spijkers, schroeven, ontwaarde oude muntstukken: ze kunnen in de wonderlijkste vormen veranderen als de trein er eenmaal overheen is geraasd. Kúnnen, want vaak lukt het niet en spatten de proefobjecten van de jongetjes domweg onder de treinwielen vandaan en worden alleen maar meters ver weggeslingerd. De twee zijn dus nogal vaak te vinden bij het spoor dat het dorp passeert – en wel het dorp Chojny (een kilometer of 170 pal ten westen van Warschau), waar Szymek geregeld bij zijn grootmoeder Tosia gaat logeren. Het is een spannend spelletje, met een ondertoon van gevaar.
 
Maar dan komt de noodlottige dag ‘waarop alles een einde nam’. Szymeks ouders komen bij een auto-ongeval vlak voor de afslag van de autoweg om het leven. Het jongetje zal opgroeien bij Tosia, zijn grootmoeder van moederszijde, die zich liefdevol over hem ontfermt, wat ook betekent dat hij van de stad naar het platteland verhuist. Hij en zijn vriendje Budzik nemen daar hun treinspoorpletspel weer op. En dan komt de dag dat Szymek, dol van verdriet, zichzélf maar eens als proefobject op het spel en op het spoor zet. Budzik kan hem, met een stomp tegen zijn wang, nog net voor het definitieve einde van alle spelen behoeden. (En aangezien Roest een roman is die nogal de nadruk op het cyclische van ’s mensen lot legt, zal zich op de op vier na laatste bladzijde iets vergelijkbaars voltrekken.)
 
Als geen bijzonder goede leerling op school en geen bijzonder slechte zal Szymek opgroeien tot een niet speciaal gelukkige en ook niet speciaal ongelukkige jongeman van 21. Zijn verhaal wordt om en om afgewisseld met dat van zijn oma, te beginnen in het jaar waarin zij zeven was: het oorlogsjaar 1939.
 
Hoewel de personages over het algemeen niet zo snel het hoofd in de schoot leggen of bij de pakken neer blijven zitten: verlies is toch de basso continuo in de melodie van hun leven. De oorlogsjaren zijn uiteraard heftiger dan de jaren in het postcommunistische Polen, daar krijgen we nauwelijks drie pagina’s ver in hoofdstuk twee al een schokkend voorbeeld van, maar Tosia verliest niettemin maar één ouder (haar vader – aan griep dan nog, niet aan de Duitsers), en is in die zin dan toch beter af dan haar kleinzoon. Hoewel, zij moet dan weer de vader van haar dochter Eliza (Szymeks moeder), de enige echte liefde in haar leven, afstaan aan het lot (en ditmaal wel, op zijn minst indirect, door toedoen van de bezetter). En zo blijven beide verhaallijnen om elkaar heen spiralen, waarbij ten slotte de grote gelijkenis tussen de diverse lotgevallen opvalt. Natuurlijk heeft Szymek zo direct helemaal niets met de oorlog te maken; toch werkt die ook zestig jaar later nog altijd na. Als een soort roest die de dingen langzaam verteert. Al roesten die ook zónder oorlogsverleden wel. In dat ‘leven zonder leven’ dat bijvoorbeeld Szymek als jongeman op zich voelt drukken.
 
Hoe is oma Tosia twee vingers kwijtgeraakt? Hoe zijn de jeugdvrienden Szymek en Budzik uit elkaar gegroeid en elkaar zelfs vijandig gezind geworden? Wat is er gebeurd dat Julka Duszny in haar kruidenierswinkel prompt naar de achterkamer gaat als er een roodharige klant binnenkomt en pertinent weigert hem te bedienen?
 
Er zijn echt nog wel meer van zulke vragen te stellen – en toch is Roest geen miserabilistisch of deprimerend boek. Hoe Małecki dat voor elkaar krijgt, is moeilijk precies uit te leggen. Maar het is zo. Misschien ook doordat er af en toe glimpen oplichten van een wereld waarin kansen wél worden gegrepen (want ook daar zijn een aantal personages nogal slecht in), een wereld waarin de dingen ánders (hadden) kunnen gaan. Zoals het aan het slot klinkt over Tosia’s jongere broer Michał, als die dan, eindelijk, op zijn 79ste, een overigens vrij bescheiden, maar vele jaren gekoesterde wens voor zichzelf in vervulling doet gaan: ‘Nu voelde hij dat hij bezig was een echt iemand te worden, dat hij voor het eerst in zijn leven iets had gedaan waartoe niet alleen het leven hem had gedwongen’ (mijn cursivering).
 
Want, zeker: zolang je nog adem hebt, is het niet voor alles te laat. Zelfs als je hoogbejaard bent. Ook als het de eerste keer in je leven is. En dat mag dan een waarheid van de loeiende soort zijn – tegelijk getuigt ze van grote wijsheid.
 
Jakub Małecki: Roest, Querido, Amsterdam 2020, 285 p. Vertaling van Rdza (2017) door Karol Lesman. ISBN 9789021418773. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri