Vertaald proza

BOEKEN NR. 5, MEI 2020

David Markson: Wittgensteins minnares

door Herman Jacobs

Niet de logica, maar het leven
 
Wittgensteins minnares is een vreemd boek.
‘In het begin liet ik soms boodschappen achter op straat,’ zo begint het.
(Wat misschien beter als ‘In den beginne (…)’ was vertaald, want daarop wordt natuurlijk gealludeerd, zo’n soort boek is het namelijk, maar dat is dan wel weer heel nadrukkelijk, wat het originele ‘In the beginning’ niet is.)
‘Er woont iemand in het Louvre, stond er soms. Of in de National Gallery.
Dat stond er natuurlijk alleen maar als ik in Parijs of in Londen was. Er woont iemand in het Metropolitan Museum zou er staan als ik nog in New York was.
Natuurlijk kwam er niemand. Op het laatst hield ik op met boodschappen achterlaten.’
Vreemd boek, omdat er niets in gebeurt. Nu ja, niet létterlijk niets.
Wat erin gebeurt, zou je kunnen zeggen, is dat iemand een weg aanlegt, steen na steen, of een trap bouwt, plank na plank – een trap is tenslotte een weg, namelijk een verticale – door een zin te formuleren en daar dan een zin op te laten volgen.
En nog een.
En nog een.
En zo maar door, tot de laatste zin.
Dat is voor dit boek nét nog iets meer waar dan (dúh) voor onverschillig welk ander, omdat het ook echt uit afzonderlijke zinnen bestaat. Het telt geen alinea’s.  
Of je zou ook kunnen zeggen: iedere zin is een alinea. Heel soms zijn ze met z’n tweeën om een alinea te vormen.  
Maar dat is het dan ook echt wel – gekker moet het niet worden met dat aan elkaar klitten van zinnen!
Wat dus, inderdaad, een meer dan oppervlakkige overeenkomst vertoont met de wijze waarop de tekst van Ludwig Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus (1918) is geordend.
De vraag is dan: waarom is dat zo?
(Het zou helemaal in de geest van deze roman zijn, hierop te laten volgen: ‘Een vraag die uiteraard eigenlijk zou moeten luiden: waarom heeft de auteur het daarop aangelegd?’)
Misschien vertoont de weg die hier moet worden aangelegd, afgelegd, gelijkenis met Wittgensteins manier van denken toen hij zijn Tractatus schreef?
Dat zou dan iets moeten zijn als: alle logisch zinvolle mogelijkheden van een premisse systematisch onderzoeken, tot ze helemaal in kaart is gebracht.
Misschien is dat inderdaad min of meer wat Kate doet.
Hoewel, wat zij probeert te doen, waar de weg of de trap die ze bouwt heen zou moeten leiden, is eigenlijk veel meer achterhalen welke feiten die ze zich meent te herinneren waar zijn. Ook een soort onderzoek, maar toch anders.
Het gaat niet om logica. Het gaat om leven.
Kate is de vertelster, een ouder wordende kunstenares, ze schildert, of schilderde, achter in de veertig, misschien al een eind in de vijftig. Ze weet het zelf niet.
Zoals ze zoveel niet weet, of niet meer weet. De wereld waarin ze zich in leven houdt, biedt weinig houvast.
Ook al omdat het er sterk op lijkt dat ze de enige nog levende mens op die wereld is.
Sterker: misschien wel het enige nog levende wezen überhaupt.
Hoewel ook zou kunnen dat ze krankzinnig is.  
Krankzinnig gewéést is ze in ieder geval, bij vlagen: ‘Dit is allemaal onaanvechtbaar waar, al is het, zoals gezegd, lang geleden. En al was ik, zoals ook gezegd, waarschijnlijk gek.’
Lang geleden: hoe lang precies blijft onbepaald, maar ze vertelt wel waar ze mee bezig was: ‘(T)oen de eerste dooi intrad ging ik door Centraal-Rusland weer op weg naar huis, met steeds een nieuw voertuig wanneer de benzine van het oude opraakte.’
Aangezien ‘thuis’ blijkt te betekenen: de plaats waar ze zin na zin van haar verhaal op een schrijfmachine zit te tikken, namelijk een strandhuis, en wel op Long Island (zoals kan worden afgeleid uit deze mededeling: ‘Jackson Pollock knalde met zijn auto tegen een boom, op nog geen tien minuten met de pick-up van de plek waar ik nu zit, op 11 augustus 1956.’ Dat knallen was in het gehucht Springs van East Hampton, wat dus op Long Island ligt), kun je je afvragen hoe ze de oceaan is overgestoken, zo in haar eentje.
Maar er zijn zoveel vragen zonder antwoord.
Wat vermoedelijk de reden is waarom Kate zichzelf met regelmaat verleidt – of: door de taal wordt verleid? – tot een potje malen, waarvan deze passage een typisch voorbeeld is:
‘Ik heb me (...) meer dan eens afgevraagd waarom de boeken in de kelder (van het strandhuis dus, hj) niet boven bij de andere staan.
Er is ruimte. Veel planken hierboven zijn half leeg.
Hoewel ik ongetwijfeld, als ik zeg dat ze half leeg zijn, moet zeggen dat ze half vol zijn, aangezien ze vermoedelijk helemaal leeg waren voordat iemand ze voor de helft vulde.
Aan de andere kant is het niet onmogelijk dat ze ooit helemaal vol waren en alleen maar half leeg werden toen iemand de helft van de boeken naar de kelder verhuisde.
Ik vind deze tweede mogelijkheid minder waarschijnlijk dan de eerste, hoewel je haar niet helemaal buiten beschouwing moet laten.’
Dat ‘aangezien ze vermoedelijk helemaal leeg waren voordat enz.’ is in zijn ijzerenheinigheid hilarisch – en overigens tegelijk ontegensprekelijk een volstrekt valide overweging.
Zo is er wel meer in deze roman dat onwillekeurig tot een grijns of zelfs een lach aanzet. Vooruit, nog een citaat:
‘Toen ik zei dat Guy de Maupassant elke dag de lunch gebruikte in de Eiffeltoren zodat hij er niet naar hoefde te kijken, bedoelde ik natuurlijk de Eiffeltoren waar hij niet naar hoefde te kijken, en niet zijn lunch.’
Maar veel meer nog zet daar niet toe aan.
Er is ooit een man geweest, een echtgenoot. (Hij heette nog Adam ook.)
En een zoontje. Dat nooit een zoon is geworden, want ook kinderen kunnen sterven.
Misschien doordat er iets misging met het kind, ongelukkig genoeg nét toen de man zo dronken was dat een en ander pas veel te laat tot hem doordrong...
Kunst zal je dan niet redden.
Ook al ritselt het op bijna iedere bladzijde van de (ook wel eens een beetje door elkaar gehaspelde) directe verwijzingen naar, of allusies op, beeldende en andere kunst en kunstenaars, en uitingen van hogere Cultuur überhaupt.
Dat Kate, in de perioden waarin ze in de diverse genoemde musea woongelegenheid zoekt, zich daar de kou van het lijf houdt door letterlijk kunstwerken op te stoken (een onmiskenbaar sardonisch metacommentaar van de auteur) – het is niet direct wat we meestal bedoelen wanneer we zeggen dat je je aan kunst kunt warmen.
Of is er misschien tóch iets verlossends aan kunst?
Het is een vraag die Kate niet onberoerd laat.
Als ze op zeker ogenblik begint te speculeren of ze van haar aantekeningen misschien niet een roman had moeten maken, stelt ze de vraag op deze manier: ‘Zou het (…) ook maar enigszins zinvol geweest zijn als ik gezegd had dat de vrouw in mijn roman op een dag eigenlijk meer gewend zou zijn geraakt aan een wereld zonder mensen dan dat ze ooit zou kunnen wennen aan wereld zonder zoiets als De kruisafneming van Rogier van der Weyden?
Of zonder de Ilias? Of Antonio Vivaldi?’
Waarop ze laat volgen: ‘Het was maar een vraag.’
Zeker. Maar wel een waarop het antwoord had kúnnen luiden: ‘Ja, dat is zinvol’ – het is niet a priori uit te sluiten. Op de een of andere manier is het menselijk bedrijf misschien toch niet zinledig.
 
Het eigenaardige van dit niet vrolijke en toch ook niet terneerdrukkende, op een bepaalde manier zelfs meeslepende boek is dat de totale desolaatheid die eruit opstijgt in bedwang wordt gehouden, overleefbaar wordt gemaakt door, uiteindelijk, de taal.
Waarmee we dan eindelijk toch een verbindend element met Wittgenstein te pakken hebben, althans de vroege Wittgenstein, die van de taalfilosofie.
(De filosoof schijnt in zijn leven overigens echt één minnares gehad te hebben, volgens zijn biograaf Ray Monk. En drie minnaars. Maar dit terzijde.)
(En Kate noemt op zeker ogenblik een aantal vroegere minnaars van haar, onder wie een zekere Ludwig. Dus dat klopt alweer.)
De taal dus. Er is iemand die iets schrijft, tegen ‘de eeuwige stilte’ van Pascals ‘oneindige ruimten’ in. Als laatste mens op aarde.
Dat heeft iets heroïsch.
Iets ook dat je als lezer tot hevige deernis kan bewegen.
En dat ook een stuk verder reikt dan Wittgenstein zich in zijn Tractatus toestond.
 
Dit is het slot (jawel, die derde zin, hieronder, verwijst óók naar Kafka’s Schloß), dat – vanzelfsprekend in dit boek – herhaalt en varieert wat eerder in het verhaal al eens is gezegd:
‘Ooit droomde ik van roem.
Meestal was ik eenzaam, ook toen al.
Naar het kasteel, moet er op een bordje hebben gestaan.
Er woont iemand op dit strand.’
En een mooi rondgemaakte cirkel is een symbool van het volmaakte en onvergankelijke. Hoewel kunst mensenwerk en dus per definitie onvolmaakt is, kan ze die perfectie toch wél oproepen. Wonderlijk.
Daar past een kort gedicht bij van iemand die dit soort paradoxen zeer toegedaan was, Harry Mulisch:
‘God schiep, zegt men,
Het tijdelijke uit het eeuwige.
De dichter maakt die blunder
Stukje bij beetje
Eenvoudig ongedaan.’
 
David Markson: Wittgensteins minnares, Van Oorschot, Amsterdam 2020, 285 p. ISBN 9789028293083. Vertaling van Wittgenstein’s mistress door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Distributie Elkedag Boeken

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri