Poëzie

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2021

Bart Stouten: Redding nabij

door Yvan de Maesschalck

Tot voor kort was Bart Stouten voor mij zoiets als een sonore, min of meer vertrouwde stem die ik bijna uitsluitend met klassieke muziek associeerde in Klara-programma’s als De Tuin van Eden en Stouten op Zondag. Intussen is me duidelijk geworden dat hij behalve een stem ook een dichter is én de auteur van erudiete beschouwingen en romans die geënt zijn op persoonlijke lees-, reis- en levenservaringen. Wellicht heb ik me nog onvoldoende ingelezen in zijn geschriften, maar als de essays Kersen eten om middernacht (2014) en Bart Stouten over Bach (2017) een opmaat zijn, dan lijkt zijn werk me behoorlijk autobiografisch en musicologisch van inslag. Bijna elke tekst van zijn hand is een huldebetoon aan hoogstaande muziek die hem persoonlijk beroert – die van Bach voorop – en/of aan schrijvers die hij erg hoogacht, Marcel Proust in het bijzonder, al is er ook veel aandacht voor Samuel Beckett en Peter Handke.   

Je zou zijn werk kunnen lezen als een gevarieerd pleidooi voor oprechte passie. Voor waarachtige liefde, zowel in relationele als esthetische zin. In de bundel Van fooi tot bankgeheim (2013) bijvoorbeeld geldt liefde als het antidotum voor een economisch systeem dat teert op rendement, en jawel, bankgeheimen:  
 
‘Elke liefde is een haven
waar je elke avond thuiskomt.
Alleen’.
 
Liefde kan vele vormen aannemen en weleens uitmonden in graag of noodzakelijk gekoesterde eenzaamheid. In zijn recente bundel Redding nabij brengt hij meer dan vijftig gedichten samen op basis van muzikale herinneringen en voorkeuren. Het uitgangspunt is telkens een componist, een muziekinstrument of een vertolker met naam en faam.
 
De meeste gedichten worden getekend door een onmiskenbare nostalgie naar wat onherroepelijk voorbij of vergankelijk is. Er klinkt hoe dan ook een mild verzet tegen de ‘slopende alledaagsheid’ van het leven in het aan luitist Konrad Junghänel opgedragen gedicht. In ‘De draai van de schroef’, geïnspireerd op Benjamin Brittens imposante kameropera The Turn of the Screw, is de toon diep melancholisch: het gedicht is een lyrische bespiegeling over de onverbiddelijke vraatzucht van de tijd. ‘Alles wordt afgeslacht door de tijd’, heet het in een variatie op een beproefde voorstelling van de tijd. De schrijfmachine van de op Père-Lachaise begraven Francis Poulenc doet hem het volgende verzuchten:
 
‘vandaag is herinnering
de aalmoes in een halfgesloten hand
ik word in razend tempo oud
bij een high-tech computer
die mij vergeefs
probeert aan te spreken’.
 
Aan het romantische repertoire appelleert een gedicht als ‘Wereld gedempt in een Mondschein-sonate’, al doet de dichter een beroep op beelden uit recentere tijden: ‘bij de grens tussen mezelf en Beethoven / piepen de banden van een oud verdriet’. Een verdriet dat ook in andere gedichten de kop opsteekt. ‘Ik ben een eenzaam voornaamwoord geworden’, noteert hij in ‘Met Baskische trommel’. In ‘Clusters en glissando’s van licht’ wordt de liefde van de ik-figuur geplaatst tegenover kosmische onverschilligheid: ‘maar ik weet dat liefde / slechts een schreeuw is in de leegte. / en dat een schreeuw in de leegte / de goden niet wakker maakt’. Er hangt een zeker fatalisme over wat de dichter ‘mijn dolgedraaide ik’ noemt in de aanhef van ‘Paso Doble’. Hij vergelijkt zijn positie met die van de kleine mythische Icarus: ‘omdat ik op Icarus / lijk’. Het enjambement ‘lijk’, dat op zijn eentje het vers vult, is uiteraard een werkwoordsvorm, maar doet ook denken aan de dood, die met de aardse liefde contrasteert en in het werk van Stouten vaak wordt gethematiseerd.
 
Hoe klassiek de motieven van de bundel ook mogen zijn – liefde, eenzaamheid, dood, vergankelijkheid – , in formeel opzicht zijn de gedichten dat allerminst. Ze worden gekenmerkt door een losse strofische opbouw, verzen van ongelijke lengte en een helder, enigszins parlandistisch, quasi rijmloos register. Juist op vormelijk gebied weet Stouten soms te verrassen en daar is het gedicht ‘Silk Road Ensemble’ een mooi voorbeeld van. Het heeft iets weg van een uitgesponnen sonnet en gaat zo:
 
mijn hart, sissend en blazend,
was een verraderlijke woestijn:
kamelen, strompelende schaduwen
in avondrood, trokken in karavaan
langs deze horizon van woorden –
stille slangen, vergankelijke duinen –  
ze gaven hoog op over de wind
die hen voortdreef in mijn teksten –  
ik sluit nu mijn ogen voor wat korrels
van vroeger, open ze dan opnieuw,
zie nog sporen van jeeps en buggies
en andere platwalsers met snelheid –  
depressies werden geen zandstormen
voor verdwalende would-be avonturiers,
o nee – ze lieten achtergebleven stilte
de schat zijn waar ik niet zonder kan
en toen, in een luwe zomer, kwam jij:
je klonk als water in de oase-nacht,
viel als een zaadje van liefde
in de laatste ribbel, frivool als dit vers.
jij – open boek dat gelezen werd,
’s avonds voor het slapen gaan,
in een zoen tegen de rug
van een geknielde kameel
 
Wie even de klassieke strofebouw vergeet en het vers ‘en toen, in een luwe zomer, kwam jij’ als de volta beschouwt, kan ook hier de vertrouwde tweedeling herkennen. Bovendien is het gedicht te lezen als een liefdesverklaring en een oproep tot authenticiteit. En dat is een motief dat ook in andere gedichten resoneert. Zo komen in het Bach-gedicht ‘Ich armer Mensch, ich Sündenknecht’, dat onder meer de sfeer van de Thomaskerk in Leipzig oproept, de volgende aanbeveling voor:  
 
‘blijf in alle rust en privacy aan het werk, vergaar autonoom je kennis,
troost jezelf met de komst van kleine en grote kansen en blijf jezelf
verkopen voor wie je lief is, zoals je bent: een vlotte woordvoerder van
je vermoeide hormonen’.
 
Het betreft een gedachte die ook met de bekende Duitse contratenor Scholl wordt verbonden in ‘Zingen als Andreas Scholl’:
 
‘gewoon jezelf zijn, zoals je hoopt dat gewoon jezelf zijn wel zijn kan
 
en verder werken
aan jezelf’.
 
Redding nabij is een ambitieuze bundel, waarin de dichter tegelijk zijn talige onmacht overpeinst. De heerlijkste muziek brengt zielen in vervoering en geeft schimmen weer vaste contouren. En toch sluimert onder of tussen de verzen het besef dat absolute stilte de vertolking is van de mooiste partituur. De dichter moet het altijd weer doen met ‘zijn naïeve zelf dat woorden nodig heeft / alsof stilte nooit volwassen werd’ en heeft het over ‘het zand van mijn taal’ (in ‘Zwarte merel uit de Catalogue d’oiseaux’). ‘Soli Deo Gloria’ vangt aan met deze bekentenis: ‘ik vaar op een trage boot van taal’. Overigens betreft het poëticale mijmeringen die ook in zijn essays en eerdere bundels zijn aan te treffen, waarin gewijde stilte en zen op elkaar worden betrokken. ‘Liever zachte zen / dan scherpe ratio’, heet het ergens in Tussen dood en herleven (2011). Taal – en bij uitstek poëzie – is voor Stouten onmiskenbaar ‘een nieuwe kans om dichter bij de ongehoorde muziek van het leven te komen’ (Kersen eten om middernacht).
 
Wie op lyrische wijze wil ingewijd worden in klassieke – en ook wel minder klassieke – melodieën, sonates en fuga’s, is bij Stouten aan het juiste adres. Ikzelf heb zijn gedichten gelezen met de muziek waaraan gerefereerd wordt op de achtergrond. Al beschrijven of evoceren zij de muzikale aanleiding hoogst zelden, de klanken die erbij gedacht kunnen worden, verrijken de leeservaring in aanzienlijke mate. Van Poulenc tot Prokofiev, van Lekeu tot Lakatos, van Satie tot Sibelius, van Ravel tot Rachmaninov, van Mendelssohn tot Messiaen en Mortelmans, van de ‘eenzame natuurhoorn’ tot de viersnarige ‘kamanche’, ze zijn op een of andere manier heel present. Denkend aan de stem die de dichter ooit voor mij was, stel ik me graag voor dat sommige van zijn inleidende radiofonische beschouwingen bij door hem gekozen composities zijn uitgegroeid tot de gedichten die hier zijn opgenomen. In ‘Iets donzigs over Sibelius’ verzoekt hij: ‘laat mij Kalevala bij valavond zijn, stof van taal / in een schemerige nis’. Wie naar deze bundel van Stouten luistert, kan het ‘stof van taal’ meerstemmig horen ruisen. Eén van die stemmen is die van de dichter zelf.
 
Bart Stouten: Redding nabij, P, Leuven 2020, 64 p. ISBN 97894931387 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 4, APRIL 2021

BOEM Paukeslag / Besmette stad

Matthijs de Ridder

De schuilplek

Egon Hostovsky

Een waarschijnlijk toeval

Max Greyson

Shuggie Bain

Douglas Stuart

Vaarwel. Achtergelaten gedichten

Lucebert, Graa Boomsma (sam.)

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 4, APRIL 2021

De nieuwe jongen

David Almond, Marta Altés (ill)

Een mama is als een huis

Aurore Petit

Het hart van het meisje

Siska Goeminne, Tim Van den Abeele (ill.)

Hier zijn draken

Yorick Goldewijk, Yvonne Lacet (ill.)

Zoeken naar Esther B. en het voorval met Benito

Do van Ranst

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri