Letterkunde

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2021

George Orwell: Waarom ik schrijf

door Elisabeth Francet

De essentiële Orwell   

Onder het pseudoniem George Orwell schreef de Brit Eric Blair (1903-1950) een aantal romans met journalistiek onderzoek als vertrekpunt. Op dat prozawerk vormen zijn uitgebreide essays, waarvan een royale selectie gebundeld werd in het zopas verschenen Waarom ik schrijf, een uitstekende aanvulling. Deze essays belichamen de essentiële Orwell. Naar eigen zeggen afkomstig uit de 'lagere hoge middenklasse', leefde Orwell jarenlang tussen de verschoppelingen aan de zelfkant van de samenleving. Die ervaringen dwongen hem tot een politiek engagement. Hij schreef omdat hij een leugen wilde blootleggen, een mistoestand wilde aanklagen. Bovendien werd hij gedreven door een demon, die hij niet begreep en niet weerstaan kon. Orwells ontwapenende eerlijkheid en onbeschroomde zelfkritiek maken zijn met ironie overgoten essays uitzonderlijk authentiek.
 
In de jaren voor zijn vroegtijdige dood schreef Orwell de dystopieën Animal Farm en 1984, algemeen beschouwd als zijn meesterwerken, maar literair sterk overvleugeld door zijn vroegere werk. Orwells eerste roman Birmaanse dagen, waarin hij zijn ervaringen als twintiger bij de Indiase imperiale politie verwerkte, is een onweerstaanbaar esthetisch uitstapje binnen zijn oeuvre. In diezelfde periode situeren zich twee van de meest confronterende en intrigerende essays uit Waarom ik schrijf: 'Een olifant omleggen' en 'Een terechtstelling'.
 
In Birma ontwikkelde de jonge Blair een diepe afkeer van het koloniale systeem, wat zijn klassenbewustzijn deed ontwaken. Hij werd gehaat en gesard door de inlanders en het leek hem aanvankelijk een groot genoegen een bajonet in de buik van zo'n 'boeddhistische kwelduivel' te drijven ('dit soort gevoelens zijn de normale bijproducten van het imperialisme'). Orwell woonde als politieofficier een executie bij en ervoer 'wat het betekent om een mens te vernietigen die gezond is en bij zijn volle bewustzijn'. Een hond, accidenteel getuige van de executie, bleek – als enige – 'menselijk' gedrag te vertonen tijdens de hele afschuwelijke affaire. De futiliteit van de witte overheersing in het Oosten doorzag Orwell in 'Een olifant omleggen', waarin hij beschrijft hoe hij onder druk van duizenden inlandse ogen, begerig naar bloed, hongerig naar het vlees, het op hol geslagen dier wel moest doden. Hij moest doen wat de inlanders van hem verwachtten. De olifant had immers hun huizen vernield, sommigen onder hen gedood.  
 
'Ik begreep op dit moment dat als de witte man een tiran wordt, het zijn eigen vrijheid is die hij vernietigt. Hij wordt een soort lege, poserende ledenpop, de conventionele figuur van de sahib.'
 
Terug in Europa raakte Orwell op de dool en leefde een tijdlang in armoede, te midden van zwervers, fruitplukkers en mijnwerkers. Ook die ervaringen tekende hij op, in respectievelijk Aan de grond in Londen en Parijs (Down and Out in Paris and London, 1933) en De weg naar Wigan (The Road to Wigan Pier, 1937). In 1936 sloot hij zich aan bij een marxistische beweging in Catalonië om er te vechten tegen de monarchisten van Franco. Hij kreeg een kogel door de keel en moest onderduiken in Barcelona. In Saluut aan Catalonië (Homage to Catalonia, 1938) doet hij verslag van zijn wedervaren tijdens de Spaanse Burgeroorlog en verwoordt hij zijn teleurstelling over het verraad van de communisten aan het linkse ideaal. Met elke regel die hij sindsdien schreef, sprak hij zich direct of indirect uit tegen totalitarisme en voor democratisch socialisme, zoals hij dat opvatte. Zijn uitgangspunt bleef telkenmale een besef van onrechtvaardigheid.
 
'In de walvis', één van de langste essays in de bundel, is een prachtig uitgesponnen recensie van Tropic of Cancer. Deze autobiografische roman van Henry Miller werd over het algemeen als obsceen onthaald, volgens Orwell niet zozeer omwille van de talloze schunnigheden, maar omwille van de vrijheid, het geluk en de acceptatie van verval die Miller in zijn schrijven omarmde. Orwell merkt op dat de roman niet in een tijdperk van ontplooiing en vrijheid is geschreven, 'maar in een tijdperk van angst, tirannie en reglementering' en dat de atmosfeer van orthodoxie altijd schadelijk is voor proza. In de geesten heerst dan een soort vrijwillige censuur. Met Millers roman als leidraad neemt Orwell de Engelse dichtkunst van de jaren dertig onder de loep. Hij stelt vast dat de beste schrijvers in die periode dichters zijn en tracht trends en tendenzen te verklaren. Terwijl Miller volkomen accepteerde wat op hem toekwam en een amorele houding aannam, streed Orwell onvermoeibaar voor een betere wereld, uit plichtsgevoel. Orwell vroeg zich af of Millers houding überhaupt wel te verdedigen viel. Hij achtte het waarschijnlijk dat een dergelijke passieve houding in de toekomst nog 'meer bewust passief' zou worden, tot er slechts berusting rest: 'de werkelijkheid beroven van haar verschrikkingen door je er gewoon aan te onderwerpen. In de buik van de walvis kruipen.' Het belang van Millers boek was voor Orwell uitsluitend symptomatisch.
 
In die tijd werd Orwells genuanceerde kritiek – in zijn thuisland althans – weinig gesmaakt. Toch bleef hij, tegen elke nationalistische propaganda in, volharden in zijn streven naar 'broederschap over grenzen heen'. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Orwell voor de BBC en ontpopte hij zich als een volbloed patriot. 'Het merendeel van de Engelse middenklasse is vanaf de wieg opgeleid oorlog te kunnen voeren, niet zozeer technisch als wel moreel', schrijft Orwell in het essay 'Rechts of links, dit is mijn land'. In 'England Your England' bezingt hij zijn vaderland en levert er tegelijk genadeloze kritiek op. 'Pleidooi voor het haardvuur' is een vurige ode aan de Engelse huis- en haardgezelligheid, waarin Orwell lekkernijen aanprijst zoals niervetpudding, plum cake, Oxford marmelade en Stilton kaas. De Engelse theecultuur noemt hij zelfs 'een van de pijlers van de beschaving'.
 
Orwell kon zich ontzettend opwinden in de Britse politiek. Terwijl de intelligentsia macht aanbad, deed men in de arbeidersklasse alsof men niet wist dat het Imperium bestond. Hoewel de ongelijkheid nergens in Europa erger was dan in Engeland, sloot het land de gelederen zodra er een vijand opdoemde. In Orwells ogen werd Engeland geregeerd door een aristocratie van parvenu's die zichzelf hadden verrijkt, een klasse die minder nut had voor de maatschappij 'dan vlooien voor een hond', lieden die hun ogen strak op het verleden richtten en zich vastklampten aan verouderde methoden en wapens 'omdat ze onontkoombaar iedere oorlog zagen als een herhaling van de vorige'. Orwell ergerde zich mateloos aan het feit dat honderdduizenden mannen in Engeland nog steeds een opleiding kregen om met de bajonet te vechten, 'een wapen dat volslagen nutteloos is, behalve voor het openen van blikjes'.
 
Evengoed stak Orwell de draak met linkse intellectuelen, die in een knorrige, allesbehalve constructieve houding volhardden en die het zelfs een schande vonden Engelsman te zijn. Orwell interesseerde zich oprecht voor mensen met wier gedachtegoed hij het volstrekt oneens was en voor werelden die hij aanvankelijk helemaal niet begreep. Zo verdiepte hij zich in Hitlers Mein Kampf en poogde de starre kijk van de monomaan te doorgronden. Wat de massa betreft, zag hij 'de buitengewone opinieschommelingen waar tegenwoordig sprake van is, gevoelens die aan en uit kunnen worden gezet alsof ze uit een kraan komen' als het gevolg van 'een hypnose veroorzaakt door kranten en radio'. De massa kan op een gegeven moment 'voor de oorlog' of 'tegen de oorlog' zijn, maar in beide gevallen heeft ze er geen realistisch beeld van. Propaganda beschikt dat de waarheid een leugen wordt als ze uit de mond van de vijand komt.
 
In 'Notities over nationalisme' hekelt Orwell de veronderstelling dat de mensen ‘in klassen gerangschikt kunnen worden, als waren ze insecten, en dat hele groepen van miljoenen of tientallen miljoenen brutaalweg voorzien worden van het etiket 'goed' of 'slecht'’. Nationalisme omschrijft hij als 'de gewoonte om je te identificeren met een enkele natie of een andere eenheid' (die zelfs niet werkelijk hoeft te bestaan) 'door die aan gene zijde van goed en kwaad te plaatsen en geen andere plicht te erkennen dan het bevorderen van de belangen ervan'. In tegenstelling tot patriottisme, dat van nature defensief is, is nationalisme, aldus Orwell, onscheidbaar van het verlangen naar macht. Nationalisten denken bijna uitsluitend in termen van concurrerend prestige. Zoals alle fanatici zijn ze in staat tot de meest flagrante oneerlijkheid, zolang die maar ten dienste staat van het grote ideaal.
 
Al op heel jonge leeftijd wist Orwell dat hij schrijver zou worden. Zoals veel eenzame kinderen bedacht hij verhalen en voerde conversaties met fantasiefiguren. Hij had een enorme behoefte om de dingen te zien zoals ze waren, ze te beschrijven en er innerlijk 'zijn verhaal' van te maken. Op school was de jonge Blair bepaald geen rebel. Hij accepteerde de regels zoals ze waren. Toch werd hij vaak geslagen, gepest en gestraft. Hij had een zwakke gezondheid en, conform zijn afkomst en volgens de heersende maatstaven, was hij niets waard. Vele jaren later vroeg Orwell zich in het essay 'Hoe zalig gleed de jongenskiel...' af of het normaal is dat een schoolkind jarenlang leeft te midden van 'irrationele verschrikkingen en krankzinnige misverstanden'. 'Een kind dat redelijk gelukkig lijkt, kan lijden onder angsten die het niet onder woorden kan of wil brengen'. Een volwassene kan daar slechts naar gissen door op onderzoek te gaan in zijn eigen jeugdherinneringen. Wellicht vond Orwells diepgewortelde rechtvaardigheidsgevoel hier zijn oorsprong.
 
George Orwell: Waarom ik schrijf, De Arbeiderspers, Amsterdam 2020, 384 p. ISBN 9789029542364. Vertaling uit The Collected Essays, Journalism and Letters of George Orwell en Narrative Essays door Olaf Brenninkmeijer, Lore Coutinho, Martin Schouten en Arie Storm. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 4, APRIL 2021

BOEM Paukeslag / Besmette stad

Matthijs de Ridder

De schuilplek

Egon Hostovsky

Een waarschijnlijk toeval

Max Greyson

Shuggie Bain

Douglas Stuart

Vaarwel. Achtergelaten gedichten

Lucebert, Graa Boomsma (sam.)

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 4, APRIL 2021

De nieuwe jongen

David Almond, Marta Altés (ill)

Een mama is als een huis

Aurore Petit

Het hart van het meisje

Siska Goeminne, Tim Van den Abeele (ill.)

Hier zijn draken

Yorick Goldewijk, Yvonne Lacet (ill.)

Zoeken naar Esther B. en het voorval met Benito

Do van Ranst

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri