Vertaald proza

BOEKEN NR. 5, MEI 2021

Tsjechov her(ver)talen: De visie van Hans Boland

door Kris Velter

Toen men destijds Zomerhuis, later, de debuutbundel van Judith Hermann, in de markt wou zetten, gebeurde dat door de auteur een achterkleindochter van Anton Tsjechov (1860-1904) te noemen. Nog altijd is Tsjechov een referentiepunt, zowel voor zijn toneelstukken als voor zijn verhalen. Dat er een nieuwe vertaling verschijnt van dertig van zijn mooiste verhalen, kan dan ook geen verwondering wekken. 

De aantrekkingskracht van Tsjechov ligt in de eerste plaats in zijn vertelkunst. Elk verhaal neemt de lezer onherroepelijk mee op een verkenning van (een aspect van) de late negentiende- eeuwse Russische samenleving. Het is niet enkel wodka, sneeuw en armoe. Er is drama: diefstal!, overspel!, moord! Maar ook humor: het verhaal ‘Hartje', de irritante babbelkous Zjmoechin uit ‘Een Petsjeneeg' en de student die in shock is na een bordeelbezoek in ‘Zwakke zenuwen’. Er zijn de prachtige natuurbeschrijvingen – hier moet ‘Steppe’ worden genoemd – maar ook de industriële revolutie: elektrisch licht, fabrieken, spoorwegen. In vele verhalen gaat het expliciet over ‘vooruitgang’ en het belang van kennis. Het duidelijkst en meest expliciet gebeurt dat in het prachtige ‘Mijn leven’. Sowieso is er ook altijd de spanning tussen traditie en vernieuwing. Hoewel er in de verhalen bijvoorbeeld atheïsten voorkomen, zijn de eenvoudige mensen meestal gelovig of bijgelovig.  
 
Wat de liefde betreft – prominent aanwezig in vele verhalen – is Tsjechov niet klef of hopeloos romantisch, zoals dat bij Toergenjev weleens het geval is. In ‘De grote en de kleine Volodja' begint een getrouwde vrouw een relatie met een jeugdvriend. En in Tsjechovs beroemdste verhaal, ‘De vrouw met het hondje’, gebeurt, zoals geweten, iets gelijkaardigs. Ariadna uit het gelijknamige verhaal speelt simpelweg spelletjes met mannen en in ‘Verloofd’ zou Nadia liever niet verloofd zijn:
 
“Jij en Grootje maken me kapot! Ik wil leven! Leven!” Ze trommelde met haar kleine vuist op haar borst. “Geef me de vrijheid! Ik ben nog jong en ik wil leven, maar jullie hebben een oude vrouw van me gemaakt.”
 
Tjechov was een arts – er komen veel artsen voor in zijn verhalen – die het goed voorhad met de lieden aan de rand van de samenleving. Dat sociale aspect komt terug in zijn verhalen. Naast mensen uit de hogere klasse en de middenklasse, worden arbeiders, boeren en kleine handelaars met veel tederheid en mededogen geportretteerd. Anna, de fabriekseigenaar uit ‘Waar een vrouw regeert…’ wordt verliefd op een arbeider. In het reeds genoemde ‘Mijn leven’ kiest een jongeman van adel voor het leven als arbeider. Iemand zegt:
 
‘De lijfeigenschap is afgeschaft maar het kapitalisme is ervoor in de plaats gekomen. […] We ranselen onze lakeien niet meer af in de paardenstal omdat we subtielere vormen van slavernij hebben ontwikkeld, of per geval een redenering verzinnen ter rechtvaardiging van de onderdrukking waaraan we ons schuldig maken.’
 
Maar dit betekent niet dat Tjsechov sociaal bewogen verhalen schreef. Het mooie aan Tsjechov is nu net dat hij aan de rand gaat staan en toekijkt: hij observeert en oordeelt niet. De verhalen van de Rus zijn voor vele interpretaties vatbaar en vragen daarom geen luie, maar betrokken lezers. Op dat laatste aspect hamert Sophie Levie, emeritus hoogleraar letterkunde, in haar verhelderende nawoord. Ook wijst ze op de ambiguïteit en de poly-interpreteerbaarheid van de verhalen:  
 
‘De lezer moet zelf bedenken hoe een verhaal afloopt, hoe het leven van de personages verdergaat en, vooral, of het eigenlijk wel belangrijk is om dat precies te weten.’
 
In het verhaal ‘Ionytsj' lezen we plots: ‘Meer valt er niet over Startsev te zeggen.’ ‘Het huis met de mezzanine' eindigt met de simpele maar mooie zin: ‘Missyoes, waar ben je?’ En ‘Ariadna' eindigt met: ‘De volgende dag verliet ik Jalta. De afloop van Sjamochins liefdesaffaire heb ik niet meer vernomen.’
 
De bekendste Tsjechov-vertaling is die van Tom Eekman, Aai Prins en Anne Stoffel. Zij hebben de verhalen vertaald in het kader van de Verzamelde werken, uitgegeven door uitgeverij G.A. van Oorschot. Hans Boland, de vertaler van De dertig beste verhalen, heeft voornamelijk werk geselecteerd uit de late periode. Dat betekent vierentwintig verhalen uit de laatste twee van de vijf delen uit de Verzamelde werken, te weten de periode 1889-1903. Het vroegste verhaal ‘Pech!’ dateert uit 1887. Gek genoeg werd het beroemde verhaal ‘Zaal 6’ niet opgenomen. Boland heeft ervoor gekozen om de verhalen in omgekeerde chronologische volgorde te publiceren. Volgens Sophie Levie wil de vertaler hiermee van meet af aan Tsjechovs meesterschap zichtbaar laten zijn en de lezer niet confronteren met een ontwikkeling, als die er al zou zijn.
 
Bij het lezen van Boland valt meteen op dat er moderne, hedendaagse woorden en uitdrukkingen worden gebruikt. Hij schrijft ‘So what? waar in het Verzamelde werken ‘Nou en?’ staat. Hij schrijft ‘Heremetijd!’ en niet ‘Lieve help’. ‘Alles kits?’ en niet ‘Alles netjes’. We lezen ‘giebelkous', ‘glamour' en ‘Dat moet je ook lezen, joh.’ Bij van Oorschot staat ‘dollen’, in de nieuwe vertaling ‘foezelen'. Het woord ‘vader’ wordt ‘ouweheer’. In het verhaal ‘Om de nek, op de hals’ gebruikt Boland zelfs het Vlaamse woord ‘pezewever' – een letterlijke vertaling zou ‘sufferd’ zijn. Ook ‘koddebeier' wordt gebruikt, een archaïsch woord voor veldwachter. In de Verzamelde werken staat dan ook gewoon ‘veldwachter’. Moeilijk te begrijpen is waarom Boland ‘neger' schrijft waar in de Verzamelde werken ‘een neger of een Arabier’ staat.
 
Boland begint eigenlijk al bij de titel. Hierboven werd ‘De vrouw met het hondje’ vermeld. Traditioneel heet dat verhaal ‘De dame met het hondje’. ‘In de groeve’ heet in de Verzamelde werken ‘In het ravijn’ en ‘Zwakke zenuwen’ dan weer ‘Zielepijn'. De vertaler heeft zelfs een verhaal een nieuwe titel gegeven. ‘Te vroeg!’ of ‘Vroeg!’ werd ‘Pech!’ Maar daar blijft het niet bij. Boland herschikt zinnen en alinea’s indien een dergelijke ingreep het ritme ten goede komt. Hij laat de typisch Russische vadersnamen weg en vervangt ze door de achternaam, waar nodig aangevuld met ‘meneer’ of ‘mevrouw’. Bij het overzetten van het cyrillisch alfabet naar het onze schrijft hij namen van personen op die manier dat ze het dichtst mogelijk bij de Russische uitspraak liggen. Vera wordt dus Vjèra. Afhankelijk van de context wordt ‘werst' of ‘kilometer’ gebruikt. Informatie wordt weggelaten indien niet relevant voor de Nederlandstalige lezer: ‘in een van de gewesten van het gouvernement T.’ wordt ‘ergens op het platteland.’
 
Het zal ondertussen duidelijk zijn dat een vertaling van Hans Boland op zich iets is om naar uit te kijken. De man heeft immers een visie. In het verleden vertaalde hij o.a. Poesjkin, Tolstoj en Dostojevski. Die vertalingen werden uitvoerig besproken en zowel bejubeld als verguisd. De basisidee van Boland is dat een vertaler een zo goed mogelijke Nederlandse tekst moet schrijven. Een authentieke toon kan ook worden bereikt door het hanteren van hedendaags taalgebruik. Daarom wijkt hij meer af van de brontekst dan andere vertalers. Tegelijk met De dertig mooiste verhalen werd ook het zogenaamde ‘bijboekje' Het Nederlands van Tsjechov (Uitgeverij Pegasus) gepubliceerd, waarin de auteur verantwoording aflegt voor de vertaalkeuzes die hij maakt. Daarin stelt hij dat letterlijk en grammaticaal correct vertalen van minder belang is dan het schrijven van een stilistisch mooie Nederlandse tekst die zogenaamd ‘vrijer’ is.
 
‘Literatuur vertalen is niet het omzetten van een tekst in taal X naar een tekst in taal Y, maar het omtoveren van een taal X in een taal Y. Niet alleen de materie van taal – waarvan het hoofdbestanddeel wordt gevormd door woorden – maar ook de geest en zo u wil de ziel ervan moet door de vertaler worden gevat in taal Y. Lukt dat niet, dan wordt de lezer opgescheept met onbeholpen zinsconstructies, merkwaardige zo geen idiote omgangsvormen, weinig begrijpelijke levensomstandigheden ver van ons bed, onduidelijke verwoordingen van ideeën en begrippen in fictieve samenlevingen, vage beschrijvingen van gebeurtenissen in vreemde tijden en op vreemde plaatsen, nauwelijks voorstelbare psychische processen onder medemensen die verder van ons afstaan dan onze huisdieren, en zo meer.’
 
Het Nederlands van Tsjechov is een immens rijk boek die de lezer heel wat bijbrengt over taal, vertalen en het verschil tussen culturen. De auteur toetst telkens zijn eigen vertaling aan een letterlijke vertaling. Dat doet hij verhaal per verhaal. Dikwijls neemt hij ook een specifieke vertaalkwestie of een cultuurverschil onder de loep. Het zou zonde zijn om dit boek ongelezen te laten. Het is bij momenten ook grappig en gespeeld arrogant.
 
Anton Tsjechov: De dertig beste verhalen, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2021, 760 p. ISBN 9789025312053. Vertaling door Hans Boland. Distributie L&M Books
 
Hans Boland: Het Nederlands van Tsjechov. Pleidooi voor een emancipatie van de vertaalkunst, Pegasus, Amsterdam, 2021 160 p. ISBN 9789061434771 Distributie Mythras Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2021

De gast uit het Rifgebergte

Khalid Mourigh

De hemelproef

Olli Jalonen

Dingen die je meeneemt op reis

Aroa Moreno Durán

Kraaien in het paradijs

Ellen de Bruin

Oude afdekkerij

Wolfgang Hilbig

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2021

De eik was hier

Bibi Dumon Tak, Marije Tolman (ill.)

Fruitvliegje

Geert Vervaeke

Misschien…

Chris Haughton

Noem me Nathan

Catherine Castro, Quentin Zuttion (ill.)

Witje

Paul de Moor, Kaatje Vermeire (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri