Poëzie

BOEKEN NR. 6, JUNI 2021

Jidi Majia: Ik schrijf gedichten omdat ik een toeval ben

door Daan Bronkhorst

Jidi Majia maakt het een biograaf gemakkelijk. Want in zijn lange gedicht ‘Een stem’ vertelt hij: ‘Ik schrijf gedichten omdat ik precies op 23 juni 1961 ben geboren, het had geen dag vroeger of later kunnen zijn. Ik schrijf gedichten omdat ik een toeval ben.’ Hij beschrijft hoe hij dichter werd: ‘Ik schrijf gedichten omdat ik in Rome de wanhoop in iemands ogen zag, hierdoor geloof ik dat de mensen op de wereld in hun pijn niet wezenlijk verschillen.’ En hij benoemt de fragiele positie van dichters: ‘Ik schrijf gedichten omdat ik op zeker moment onder vuur zal liggen.’ Doelt hij op de Volksrepubliek China, de staat waarin hij woont? Daarover straks meer.  

Jidi Majia is afkomstig uit een etnische minderheid, de Yi, zo’n negen miljoen mensen in de zuidwestelijke provincie Sichuan. Hun geschiedenis gaat zeker duizend jaar terug. Hun taal, het Nuosu, wordt weggedrukt door het Standaardchinees. Hun schrift nog meer: de 756 Nuosu-tekens leggen het af tegen de drieduizend karakters van het dagelijks Chinees.
 
Jidi Majia heeft het in zijn gedichten vaak, voortdurend eigenlijk, over zijn herkomst. Hij weet dat etniciteit sentiment oproept:
 
‘Zij inspecteerden vanaf een paardenrug hun gebied
terwijl ze een kom brandewijn vasthielden
en nog geen druppel knoeiden.
Wij hebben die vaardigheid niet meer.’
 
En dat de werkelijkheid anders kan zijn:
 
‘sommigen hopen achter jou
een bekend landschap te vinden
bruine bergen, onherbergzame wegen
anderen hopen achter jou
een zwaarwichtige harmonie te vinden 
verre schapenkuddes, lage wolken
.. maar raak je het spoor bijster’
 
De historische werkelijkheid van de Yi was grimmig. De aristocratische Zwarte Yi, 7 procent van de bevolking, beschouwde de 50 procent Witte Yi als minderwaardig. Er was verregaande apartheid in leven en wonen. De Chinese overheid zegt op haar website, niet helemaal zonder grond: ‘De oprichting van de Volksrepubliek maakte een einde aan een slavenmaatschappij.’
 
In de Volksrepubliek is Jidi Majia een veelgelezen dichter. Hij schrijft toegankelijk en met een vleugje exotisme. Zijn korte gedichten zijn pregnant zoals klassieke Chinese poëzie dat was: ‘Ik grijp het zout in de taal / alsof ik een elektrische schok krijg.’ En beeldend: ‘Ik weet het, ik weet het, de droom van de dood heeft maar één kleur: wit vee witte huizen en witte heuvels, zelfs de boekweit in mijn hersenspinsels is als sneeuw zo wit.’
 
Jidi Majia is ook politicus, met hoge posities in provinciebestuur en Schrijversbond. In die combinatie van poezie en politiek heeft hij illustere voorbeelden: Mao Zedong en diverse Chinese keizers, Léopold Senghor (president van Senegal), Ernesto Cardenal (minister in Nicaragua). Omdat de Chinese overheid zo’n werk maakt van de promotie van ‘nationale minderheden’ en tegelijkertijd massaal Oeigoeren en Tibetanen onderdrukt, brengt het lezen van Jidi Majia iets onbehaaglijks. Maar voor wie daarmee kan leven, is Jidi Majia een prachtige dichter. In dit geval ook nog eens optimaal vertaald. Vrijheid is een dilemma:
 
‘Wie kan me vertellen
wie van de twee vrijer is
paard of ruiter?’
 
Jidi Majia: Ik schrijf gedichten omdat ik een toeval ben, Poëziecentrum, Gent 2021, 84 p. ISBN 9789056552596. Vertaling uit het Chinees door Silvia Marijnissen

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2021

2050. Gedichten

Peter Verhelst

Het bekroonde proza van Jesmyn Ward

Black Lives Matter

Het huis van de dichter

Herman Leenders

Het leven van de geest

Hannah Arendt

Stemvorken

A.F.Th. van der Heijden

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2021

Brons / Onder de golven

Linda Dielemans, Sanne te Loo (ill), Djenné Fila (ill.)

De nacht van Ronke

Jef Aerts, Marit Törnqvist (ill.)

De roos uit het beton

Angie Thomas

Groot Biegel sprookjesboek

Paul Biegel, Charlotte Dematons (ill.)

Zonder titel

Erna Sassen, Martijn van der Linden (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri