Vertaald proza

BOEKEN NR. 6, JUNI 2021

Pilar Quintana: Het teefje

door Herman Jacobs

Seks en geweld  

Haar wereldberoemde landgenoot-Nobelprijswinnaar wordt genoemd in de recensie die in de Volkskrant van haar boek verscheen, en het is ook wel te begrijpen waarom. Net zoals García Márquez’ korte roman of novelle De kolonel krijgt nooit post speelt Het teefje, de novelle of korte roman van Pilar Quintana, in een afgelegen, arme streek van Colombia (bij García Márquez aan de Atlantische, bij Quintana aan de Pacifische kust van het land gelegen), zijn de hoofdfiguren een enigszins geïsoleerd echtpaar (hier de Afro-Colombiaanse Damaris en haar man Rogelio), en spelen kinderloosheid en een dier een zeer grote rol in het verhaal, en om vergelijkbare redenen (de haan van (de vermoorde enige zoon van) de kolonel, hier het hondje van de steeds kinderloos gebleven Damaris).
 
Er is zelfs deze gelijkenis: op zeker ogenblik spreekt de kolonel, tegen de kinderen van het dorp die zich graag komen vergapen aan zijn vechthaan, de volgende onvergetelijke zin: ‘Hou eens op met dat gestaar naar dat beest – hanen slijten als je er zoveel naar kijkt.’ Daarvan is een soort echo hoorbaar in dit zinnetje van Damaris’ nicht Luzmila: ‘Dat dier gaat nog dood van al dat oppakken’, wat ze tegen Damaris zegt als die het nog heel jonge hondje dat ze net van een buurvrouw heeft gekregen (uit het nest van een vergiftigde teef), telkens weer aanhaalt en ermee troetelt. (Ze draagt het diertje zelfs vaak bij zich in haar beha, maar dat hoeft Luzmila, iemand die dieren ‘veracht’, niet te weten.) Tegelijk is de vergelijking jammer, want al is Het teefje beslist een mooi en geslaagd boek – tegen García Márquez’ Kolonel moeten zo goed als alle korte romans ter wereld het afleggen. Laten we ons dus verder alleen bij Damaris en haar hondje bepalen.
 
Rogelio heeft al drie honden, en zit niet bepaald te wachten op een vierde. En dan zeker niet op een beest, een teefje dan nog (alleen maar ellende met ongewenst maar onvermijdelijk nageslacht), dat kennelijk niet zal waken, maar alleen als gezelschapsdier bedoeld is. Damaris houdt echter voet bij stuk: deze hond blijft. Ze geeft het diertje de naam die ze voor haar nooit geboren dochter had bedacht, Chirli, en omringt het met de tederste zorgen. ‘Damaris zei in zichzelf dat het met het teefje helemaal anders zou gaan. Het was haar hond en ze zou niet toestaan dat Rogelio haar ook maar iets aandeed [Rogelio is – serieus – géén sadist en geen slechte man, maar hij ranselt zijn honden wel ongenadig af ‘als ze iets hadden vernield maar ook zomaar, om het genot dat het slaan hem bracht’], ze zou hem zelfs niet toestaan een kwade blik op haar te werpen.’
 
Natuurlijk is een en ander een substituut:  
 
‘Tante Gilma had haar verteld over een vrouw van achtendertig, heel wat ouder dan zij, die zwanger was geworden en nu een prachtige baby had door tussenkomst van de jaibaná, een inheemse arts die in het andere dorp veel gezag had. De consulten waren duur, maar met het geld dat ze samen hadden verdiend konden ze de eerste behandelingen betalen. En later zouden ze wel zien. De nacht dat Rogelio liet weten dat hij de dag erop naar Buenaventura zou gaan om zijn stereotoren te kopen, begon Damaris te huilen.
“Ik wil geen stereotoren,” zei ze, “ik wil een baby.”
Snikkend vertelde ze hem over de achtendertigjarige vrouw, over alle keren dat ze in stilte had liggen huilen, over hoe afschuwelijk het was dat iedereen kinderen kon krijgen en zij niet, over hoe steeds maar weer haar hart brak wanneer ze een zwangere vrouw, een pasgeboren baby of een stel met een kind zag, over het martelende verlangen naar een klein wezentje om aan haar borst te leggen en de pijn die ze voelde als ze elke maand toch weer ongesteld werd. Rogelio hoorde haar aan zonder haar te onderbreken en vervolgens omhelsde hij haar. Ze lagen in bed, zodat het een omhelzing was met het hele lichaam en in die houding vielen ze in slaap.’
Maar ook de dure behandeling van de jaibaná had geen kentering in hun onvruchtbare verhouding teweeggebracht, en intussen slapen zij en Rogelio al jaren niet meer in hetzelfde bed, en überhaupt niet meer met elkaar. Des te verrassender (zij het bij nader inzien wellicht ook weer niet zó verrassend) is dan ook de wending die het verhaal neemt als het teefje op zekere dag drachtig blijkt, en vervolgens ook een nest pups werpt... Het brengt het slechtste naar boven in Damaris, op haar veertiende al wees geworden als haar moeder (een vader heeft ze sowieso nooit gekend) om het leven komt ‘door een verdwaalde kogel’.
 
De grote kracht van dit boek zit in zijn vermogen alles wat erin wordt verhaald een aura van onontkoombaarheid te geven. Niet in de zin van doem en noodlottige voorbeschikking, maar het heeft op een bepaalde manier een, hoe moet je dat noemen, oudtestamentische sfeer: geen tierelantijnen, en wat gebeurt, kan niet anders dan zó gebeuren. Quintana houdt de teugels van haar verhaal strak in handen, het komt geen moment bij je op te denken: ‘Nou ja, de auteur had hier net zo goed iets heel anders kunnen schrijven’ – een gevoel dat een mens bij sommige andere fictie weleens bekruipt.
 
Seks en geweld: zo zou je, op ietwat commerciële – maar daarom nog niet onware – wijze de grondthema’s van dit boek kunnen samenvatten; geweld resulterend in de dood die in dit verhaal al heel snel zijn opwachting komt maken (en waar Damaris, al draagt ze er werkelijk geen schuld aan, ze was nog maar een kind van acht, zich toch haar hele leven schuldig over zal blijven voelen). Een en ander gezet tegen de achtergrond van de even machtige als onverschillige natuur (de schimmel die alles steeds weer overwoekert, de insecten, de slangen, de veelvuldige tropische stormen) – niet voor niets valt aan het slot de zinsnede ‘waar het oerwoud op zijn verschrikkelijkst was’.
 
Het teefje werd gelauwerd met de Premio Biblioteca de Narrativa Colombiana 2018 en de Engelse vertaling kreeg in de VS de Translation Award 2020. Een wereldwonder is deze roman niet (ja, dúh, dat is zo goed als geen enkele roman) – maar die bekroningen zijn zeker verdiend.
 
Pilar Quintana: Het teefje, Meridiaan, Amsterdam 2021, 135 p. ISBN 97893169081. Vertaling van La perra door Luc de Rooij. Distributie door VBK België

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2021

2050. Gedichten

Peter Verhelst

Het bekroonde proza van Jesmyn Ward

Black Lives Matter

Het huis van de dichter

Herman Leenders

Het leven van de geest

Hannah Arendt

Stemvorken

A.F.Th. van der Heijden

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2021

Brons / Onder de golven

Linda Dielemans, Sanne te Loo (ill), Djenné Fila (ill.)

De nacht van Ronke

Jef Aerts, Marit Törnqvist (ill.)

De roos uit het beton

Angie Thomas

Groot Biegel sprookjesboek

Paul Biegel, Charlotte Dematons (ill.)

Zonder titel

Erna Sassen, Martijn van der Linden (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri