Nederlands proza

BOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Heleen Debruyne: De huisvriend

door Jooris van Hulle

‘In mijn familie wordt de rauwe werkelijkheid vermeden. Brokken en beetjes van de waarheid komen mijn kant op: met behulp van dagboeken, verhalen, gefluister, herinneringen en vergeelde foto’s moet ik die tot een verhaal proberen te lijmen.’  

De her en der over het ‘verhaal’ verspreide auteursinterventies moeten aantonen hoe dicht Heleen Debruyne in De huisvriend betrokken is op het portret dat zij schetst van haar familie. In wezen was het haar erom te doen klaarheid te scheppen – althans voor zichzelf –  in de impact van de ‘huisvriend’ op haar grootouders en, direct eraan gerelateerd, haar vader. De aanpak van Debruyne kan bij dit alles voor enige verwarring zorgen bij de lezer.
 
Dat haar vader onder de fictieve naam Koen wordt opgevoerd, kan gerust worden toegeschreven aan een vorm van terughoudendheid, die moet vermijden dat de vader gekwetst zou worden door wat de ik – ontegenzeglijk de auteur zelf – hier opgraaft uit de donkere krochten van de familiegeschiedenis. Anderzijds: de grootvader is met naam en toenaam, Michiel Debruyne, bij leven en welzijn gemeenteontvanger van Rumbeke en in zijn vrije uren betrokken bij alles wat te maken had met de plaatselijke geschiedenis en familiekunde (en even terzijde hier: ik herinner me persoonlijk de heemkundige praatjes die Michiel Debruyne verzorgde voor de toenmalige radio West-Vlaanderen). Objectieve gegevens – die indruk wordt nog versterkt door het feit dat de schrijfster rijkelijk citeert uit het dagboek van haar grootvader – en ingrepen die het domein van de fictie betreffen en vooral belangrijk zijn om her en der blinde vlekken in te vullen, staan binnen het geheel van De huisvriend soms lijnrecht tegenover elkaar.
 
Waarom Albert – Bertie voor de vrienden – zo lang de ‘huisvriend’ van de grootouders is gebleven, wordt gaandeweg het verhaal duidelijk voor kleindochter Heleen. Over Bertie werd wel gefluisterd dat hij al te graag kinderen bij hem thuis uitnodigde, maar opa en oma Debruyne lieten een en ander zijn gangetje gaan. Voor de schrijvende kleindochter plooit de ‘waarheid’ achter deze houding zich allengs duidelijker open. Grootmoeder Debruyne kon zich moeilijk, om niet te zeggen: niet, verzoenen met de status die ze zich alleen op basis van de inkomsten van haar man Michiel, kon veroorloven. Dat Bertie de familie, de kleine Koen incluis, meenam naar exquise gelegenheden en peperdure reisjes aanbood, laat haar toe zichzelf letterlijk en figuurlijk tot ‘iemand’ te maken binnen de kleinburgerlijke gemeenschap van Roeselare. En dat dan ook nog een rijke tante mee op de wagen springt en de familie een auto bezorgt die met de bescheiden wedde van opa Michiel allerminst haalbaar was, maakt het plaatje compleet.
 
Het portret dat Heleen Debruyne schetst van de grootmoeder, die in al haar glorie en pracht de spilfiguur wordt van De huisvriend, leert de schrijfster én de lezer dat zij een slechte moeder was. Voor Heleen Debruyne, die zelf zwanger is op het moment dat het boek vorm krijgt, komt haar zoektocht hierop neer:
 
‘Voor ik zelf een kind krijg moet ik haar begrijpen. Ergens in haar leven schuilt een les over het moederschap.’
 
De schijn van diepgravend onderzoek wordt hooggehouden door de talrijke verwijzingen naar publicaties die eertijds verschenen rond moederschap en seksualiteit. Over pedofilie bijvoorbeeld: het boek Psychopatia sexualis van Richard von Krafft-Ebing uit 1886 en de verdere evolutie in het denken rond dit thema (‘in een klein stadje in West-Vlaanderen, in de late jaren zestig: ‘’de pedofiel’ was geen prangende maatschappelijke kwestie, de meesten zullen het woord niet eens gekend hebben’. Of neem het boekje van dokter Picard Liefde, huwelijk en geluk uit de vroege jaren zestig waarin de jonge vrouw wordt gewaarschuwd voor de aard van de man (‘een man moet voor zijn v rouw en kinderen vechten, daarom moet hij hard zijn’) En in Van meisje tot vrouw schetst de katholieke opvoedster Maria Schouwenaars, ook al begin van de jaren zestig, de moeilijkheden waartegen een ongetrouwd gebleven meisje, moet opboksen.
 
In die context moet grootvader Michiel zich staande weten te houden, gemanipuleerd (want daar lijkt het toch duidelijk op) door een niets ontziende en tot alles bereide echtgenote. Als hun zoontje Koen moet geofferd worden op het altaar van Bertie, dan moet het maar… Uit de dagboeknotities blijkt hoe gefrustreerd Michiel zich moet hebben gevoeld, ook waar het zijn deels oningevuld gebleven passie voor pianolerares Lieve betrof. Heleen Debruyne noteert: ‘Hij worstelt met grootse gevoelens en aspiraties die in de kleinburgerlijke wereld die hij veracht geen plaats hebben, toch is hij te laf omdat bestaan de rug toe te keren.’ En wat dan te denken van de reactie van haar vader die op de vraag hoe het nu eigenlijk écht zat met die huisvriend: ‘Wat valt er te zeggen? Het had niet moeten gebeuren. Maar hij was geen slechte mens. […] En hij heeft me ook veel geleerd. Over muziek en kunst, hoe te leven…’
 
Meer dan uit te groeien tot een compacte roman, waarvoor de verhaalstof zeker voorhanden was en is, blijft De huisvriend een poging om een onverwerkt segment uit de familiegeschiedenis in kaart te brengen en een proeve van zelfportret.
 
Heleen Debruyne: De huisvriend, Amsterdam, De Bezige Bij, 2021, 192 p. ISBN 9789403134710. Distributie Standaard Uitgeverij

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, DECEMBER 2021

Anarchisme. Van Bakoenin tot de commons

Ludo Abicht

De minzamen

Koen Peeters

Harlem Shuffle

Colson Whitehead

Nasr Compacter

Ramsey Nasr

Nocilla-trilogie

Agustín Fernández Mallo

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, DECEMBER 2021

De heen-en-weerbrief

Gerda Dendooven

Een wonderprachtig dier

Britta Teckentrupp (ill.)

Elke rimpel een verhaal

David Grossman, Ninamasina (ill.)

Het strand

Sol Undurraga

Uit het niets

Aline Sax

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri