Letterkunde

BOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Stijn Streuvels: Ingooigem. Herinneringen uit het Lijsternest

door Christophe Van Eecke

Een lang leven kan een schrijver verrassen. Zoals Jeroen Cornilly schrijft in zijn inleiding bij deze (met een fotokatern geïllustreerde) heruitgave van Stijn Streuvels’ misschien wel bekendste autobiografische werk, leek de auteur zijn scheppend oeuvre aan het begin van de Tweede Wereldoorlog als voltooid te beschouwen. Dat hij pas in 1969 zou overlijden, en dus net niet de gezegende leeftijd van een eeuw zou bereiken, had hij niet kunnen voorzien. Maar in deze laatste decennia heeft Streuvels zich onder meer nog aan een aantal autobiografische teksten gezet, en dan vooral de boeken Heule (1942) en Avelgem (1946), over zijn jeugd, en daarna Ingooigem 1904-1914 (1951) en Ingooigem 1914-1940 (1957), over de decennia in zijn zelf gebouwde woning, het Lijsternest.  

Streuvels schreef zijn leven niet alleen voor zijn plezier op. Integendeel, hij stond heel ambivalent tegenover de autobiografie, en dat merk je ook in deze uitgave, waarin de twee delen Ingooigem zijn samengebracht, samen met een bundeling nagelaten fragmenten onder de titel ‘Nulla Dies Sine Linea’, wat Streuvels als een lijfspreuk hanteerde. Heel regelmatig slikt Streuvels in deze notities zijn tong in, zegt nadrukkelijk dat bepaalde details of gebeurtenissen maar beter niet wereldkundig worden gemaakt, alludeert hij op dingen die we niet weten en dus blijvend het gissen naar hebben, of slaat hij lange periodes over. Streuvels had ook de gewoonte om in een zakagenda elke dag de voornaamste gebeurtenissen van het etmaal te noteren, en die beknopte stijl vertaalt zich ook naar de boeken, die inderdaad vaak lezen als korte dagboeknotities. De auteur verzet zich tegen een coherent verhaal.
 
Kortom, van een enthousiaste schriftuur lijkt niet meteen sprake: dit leest veeleer als het werk van een autobiograaf ondanks en tegen zichzelf. Jaar per jaar zijn er een paar bladzijden losse notities, over geboorte en huwelijk, heel veel overlijdens, bij gelegenheid een aardbeving, en feestvieringen allerhande. Vaak heel levendig, maar met een zekere terughoudendheid waar Streuvels zich zelf zeer bewust van was.
 
Maar dat is niet waarom je Ingooigem leest. Middenin deze notities, en nogal pardoes temidden de chronologie, zijn als het ware vier novelles gedropt die plots het panorama opentrekken en bijna volledig op zichzelf staan. Het gaat dan om Streuvels’ verslag van de laatste jaren uit het leven van zijn vriend en priester Hugo Verriest, een uitgebreid verslag van zijn bootreis naar Palestina, een lange excursus naar het pastorale genre naar aanleiding van een toevallig te lande gevonden liefdesbrief, en ten slotte de verbluffende miniatuur van Djooske Dekkers, een oude man die vertelt hoe hij, bij ontstentenis aan een priester, zijn vriend Ko Kluyte op het sterfbed de biecht afnam.
 
Het verslag van Verriests laatste jaren is zeer poignant. Er wordt hier heel veel onvermeld gelaten over roddel en achterklap, over schandalen en gekonkelfoes waar Streuvels liever geen woorden aan vuil maakt. Maar tot tweemaal toe citeert hij de laatste woorden die Verriest tot hem sprak: ‘Ik ga dood, en ’t spijt mij!’ Doorheen dit verslag, maar ook later in de memoires, toont Streuvels zich vaak een religieus en zelfs vroom man. Maar dat wringt tegelijk heel sterk met het vitalisme van zijn natuurbeleving, zijn responsiviteit voor de (vooral jeugdige) seksualiteit, en met zijn vaststelling dat hij zich toch eigenlijk vooral als agnost wil bekennen. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat Streuvels’ religiositeit eerder spinozistisch van aard was dan kleibodem-katholiek.
 
Streuvels’ narratief van de bootreis naar Palestina in 1935, slechts enkele jaren voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, leest als de betere verfilmde Agatha Christie. Wanneer hij zijn medepassagiers en hun hebbelijkheden schildert terwijl hun boot Italië, Griekenland en Turkije aandoet, dan lijkt het wel op een zonovergoten luxevertelling van kleinmenselijke intriges zoals te pronk staan in de glinsterende kitschfilm Evil Under the Sun (1982). Streuvels is ongelooflijk trefzeker, schrijft met humor en zelfrelativering, en neemt ons vervolgens bij de hand op een levendige tocht door Palestina en Egypte, waarbij voor ons de extra laag te lezen is van de wijsheid achteraf. Streuvels bezoekt bijvoorbeeld de nieuw oprijzende Joodse nederzettingen in Palestina en schrijft daarover als ‘een probleem dat in de toekomst zal opgelost worden.’ Hij moest eens weten hoe het er vandaag in de bezette gebieden aan toegaat.
 
Helemaal anders is zijn vaak melancholische herschepping van een fictieve pastorale idylle naar aanleiding van vrijende koppeltjes die hij te lande ziet en een verloren liefdesbrief die hij aldaar heeft gevonden (of zegt te hebben gevonden). In de winter van het leven wordt Streuvels hier aangespoord om het leven te bezingen met de melancholie van iemand die weet hoe snel het allemaal voorbijgaat, een motief dat met name in de nagelaten geschriften ook sterk op de voorgrond komt: begin en einde, de levenscyclus, het ultieme waarom van het bestaan. Maar ook hier is Streuvels vaak gewiekst. Zijn mijmeringen over de dynamiek van de herinnering verraden bijvoorbeeld dat hij beslist weet had van Prousts idee van de souvenir involontaire, waardoor hij zelfs in de meest schijnbaar persoonlijke observaties ook altijd de dialoog aangaat met de bredere literatuur (in de nagelaten fragmenten beklaagt hij zich dat hij Virginia Woolf dertig jaar te laat heeft ontdekt). Streuvels waarschuwt er trouwens voor dat elke poging om het verleden opnieuw aanwezig te stellen door plaatsen of mensen uit de jeugd op te zoeken, tot mislukken gedoemd is. Wat voorbij is is voorbij.
 
Het tweede deel van Ingooigem eindigt ronduit verbluffend, met de miniatuur van de oude arbeider Djooske. Wanneer Streuvels beschrijft hoe Djooskes handafdruk zich na jaren noeste arbeid in het houten handvat van zijn werkinstrument heeft vastgezet dan kun je bijna niet anders dan denken aan Heideggers obervaties over de schoenen van Van Gogh. Heidegger ontwierp daaruit een hele kunstfilosofie. Streuvels heeft aan enkele bladzijden genoeg om een universum van menselijke tragiek te doen oprijzen. En wanneer hij Djooske ten slotte laat vertellen hoe hij zijn vriend Ko de laatste sacramenten gaf splijt de wereld even open. Het is zo eenvoudig, maar tegelijk zo krachtig, dat Streuvels je verblufd achterlaat, met een oordeel over zijn anekdote dat je als lezer alleen maar kunt delen: ‘Het is te schoon op zijn eigen. Er kan niets bij en niets af.’ Zelfs in zijn secundaire werken blijft Streuvels een meester hors catégorie.
 
Stijn Streuvels, Jeroen Cornilly en Leentje Vandemeulebroecke (red.): Ingooigem. Herinneringen uit het Lijsternest, De Arbeiderspers, Amsterdam 2021, 382 p. : ill. ISBN 9789029545280. Distributie L&M Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, DECEMBER 2021

Anarchisme. Van Bakoenin tot de commons

Ludo Abicht

De minzamen

Koen Peeters

Harlem Shuffle

Colson Whitehead

Nasr Compacter

Ramsey Nasr

Nocilla-trilogie

Agustín Fernández Mallo

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, DECEMBER 2021

De heen-en-weerbrief

Gerda Dendooven

Een wonderprachtig dier

Britta Teckentrupp (ill.)

Elke rimpel een verhaal

David Grossman, Ninamasina (ill.)

Het strand

Sol Undurraga

Uit het niets

Aline Sax

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri