Nederlands proza

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2022

Toon Tellegen, Annemarie van Haeringen (ill.): De egel, dat ben ik

door Jan Van Coillie

De egel, dat ben ik. Het is verleidelijk om die ‘ik’ uit de titel te vereenzelvigen met de schrijver, Toon Tellegen. Maar kennen we niet allemaal het ‘egelgevoel’? Steken we niet allemaal geregeld onze stekels op, rollen we ons niet allemaal af en toe op tot een veilig bolletje en voelen we ons niet allemaal soms vanuit ons buikgevoel zo kwetsbaar?  

Wat typeert de egel in dit boek. Welke kenmerken schrijft Tellegen hem toe? Natuurlijk heeft hij stekels, al worstelt hij daar wel mee. Hij vraagt zich af waar ze voor dienen, ze zijn vaak erg onhandig, hij kan er andere dieren mee kwetsen en soms wil hij er echt vanaf, al beseft hij uiteindelijk telkens dat ze wezenlijk bij hem horen. De gedachten aan zijn stekels zijn maar enkele van de vele die door zijn hoofd tollen. Als er een iets is dat hem wezenlijk typeert, dan is dat wel het nadenken over van alles en nog wat. De egel is duidelijk veel meer een denker dan een doener. Hoe graag zou hij in zijn hoofd kunnen kijken, naar alle rommel die daarin steekt. Tijd om na te denken heeft hij volop, hij woont immers alleen en is gesteld op zijn privacy. Hij houdt van nietsdoen en praat vaak hardop met zichzelf. Hij is verknocht aan zijn huisje tussen de struiken, al wil hij af en toe ook op reis, het liefste naar onbekende bestemmingen. En uiteindelijk is hij ook duidelijk dol op zijn bed en slapen. Daarmee eindigen de meeste verhalen.
 
Ook al houdt hij van de eenzaamheid, toch ontvangt de egel vaak bezoek en gaat hij ook geregeld op bezoek bij andere dieren. Onder meer de mier, de eekhoorn, de duizendpoot, een vliegende vis, het nijlpaard en de wezel komen bij hem langs. En altijd is het gezellig (ook al denken de dieren soms van niet) met thee en/of taart. Uitnodigingen, brieven, verjaardagen en feesten zijn belangrijke motieven in de verhalen. Zonder twijfel is die ‘gezelligheid’ een van de belangrijkste redenen voor het succes van Tellegens dierenverhalen. Er zijn zelden of nooit conflicten tussen de dieren.
 
Ook de lichtvoetige humor zorgt ervoor dat Tellegens verhalen zo geliefd zijn bij jong en oud. In een wereld waarin alle dieren even groot lijken, is niets onmogelijk. Als op een morgen de egel geen stekels meer blijkt te hebben en alle andere dieren wel, en tegen de avond alles weer is zoals vroeger, verbaast niemand zich daarover: ‘Er gebeurden wel vaker dingen die onbegrijpelijk waren.’ Het is het soort absurde humor uit Alice in Wonderland of Alice in Verbazië, zoals Nicolaas Matsier het verwoordt. Zo kan de egel zonder het goed te beseffen een nijlpaard op zijn rug torsen, dat bleef vastzitten in zijn stekels.
 
Een derde reden voor het succes van Tellegens dierenverhalen is zonder twijfel de filosofische grondlaag. De gedachten van de egel zetten ook de lezers aan het denken. Het is opvallend hoe vaak de egel vragen stelt, zowel aan zichzelf als aan andere dieren. Hij denkt na over en stelt vragen bij zijn stekels, alleen zijn, opruimen, op reis gaan, onaardig zijn, er niet meer zijn, pijn, moeheid en boosheid, rust en drukte, de tijd enzovoort. Een voorbeeld van zijn gedachten bij de tijd:
 
”Voorbijgaan,” zei hij zachtjes, “dat is jouw bedoeling, tijd, dat staat vast.”
 
Maar was dat zijn enige bedoeling? Had de tijd niet nog veel meer bedoelingen, geheime bedoelingen, waar niemand ooit achter kwam?’ Het moeilijkst heeft de egel het met duistere gedachten, bijvoorbeeld dat er slechte dieren zijn, ‘druk bezig slechte dingen te bedenken.’ Misschien wel zijn grootste ontboezeming komt er na de donkere gedachte dat hij eens graag andere dieren angst zou inboezemen, niet zomaar met zijn stekels, maar met zijn hele wezen: ‘Hij boezemde zichzelf angst in, nooit een ander. Hij vroeg zich af of hij wel een wezen had?’ Niet te verwonderen dat hij soms liever niet meer zou denken. ‘Ik wou dat ik eindelijk eens nergens aan dacht, dacht de egel op een keer. Altijd maar dat denken, nadenken, doordenken, indenken… Alsof er niets anders is!’ Vaak denkt hij ook aan hoe het zou zijn als hij er niet meer was. Het is een onaangename gedachte en ‘hij wilde eigenlijk niet verder denken. Maar dat ging niet.’
 
De egel is niet de enige denker in het boek. Zijn vriend de mier overtreft hem zo mogelijk nog in diepzinnigheden en ‘rare’ uitspraken zoals ‘Er zijn gewone tijden en er zijn rare tijden’, ‘Alles heeft een bedoeling’ of ‘Wij zijn noodzakelijk, egel.’ Het valt op dat de mier de interpretatie of uitwerking van zijn diepzinnige uitspraken overlaat aan de egel en daardoor ook aan de lezer. De mier doet zelfs nadenken over nadenken: ‘Als je maar lang genoeg nadacht, had de mier hem eens verteld, is alles gewoon. Maar een andere keer had de mier hem uitgelegd dat als je maar lang genoeg nadacht alles ongewoon was.’
 
En dan is er nog Tellegens tintelende taal. Zoals elke dichter houdt hij van bijzondere woorden. Al in het eerste verhaal doet hij de lezer nadenken over hoe bijzonder woorden als ‘misprijzend’ en ‘inbeelding’ zijn. Het verhaal ‘Het woord eigenlijk’ begint als volgt: ‘De egel en de mier hadden het over bijzondere woorden. Onwelgevallig, onontkoombaar, bezwaarlijk, tureluurs, hoogdravend…’ In het verhaal kun je lezen waarom de mier het woord ‘eigenlijk’ eigenlijk het bijzonderst vindt. In een ander verhaal doet de egel je nadenken over het schijnbaar onbenullige woord ‘misschien’, een woord waar hij tegelijk van houdt en bang voor is.
 
Al even kenmerkend voor Tellegens verhalen als de bijzondere woorden zijn personificaties en animisme. Abstracte begrippen als ziekte, boosheid of pijn kunnen praten, denken en bewegen als mensen of dieren: ‘Pijn maakt lawaai, schreeuwt, stampvoet. “Opzij! Ik kom eraan!!” En als je niet opzij gaat loopt hij over je heen, zet zijn poten met van die scherpe nagels op je rug.’ In ‘Nooit, ooit en nu’ zie je voor je hoe die woorden tot leven komen.  
 
‘Hij zei die drie woorden tien keer achter elkaar en plotseling zag hij ze voor zich. Het waren dieren die uit het struikgewas tevoorschijn kwamen. Nooit was het grootst en keek dreigend om zich heen, ooit siste en had scherpe klauwen en nu kwam achteraan, hobbelend en in zichzelf pratend.’
 
De passage doet denken aan Tellegens vorige boek De hele tijd, waarin de seconden, uren enzovoort gingen leven. Ten slotte wordt Tellegens poëtische taal ook gekenmerkt door bijzondere combinaties en beeldspraak. In een gesprek tussen de vliegende vis en de egel worden zelfs gedachten in beelden verwoord:
 
‘Gedachten hebben wel iets van de zee, vond de vliegende vis, anders kan je ook niet in ze verzinken. “En ze hebben ook rotsen,” zei hij, “waar ze tegenaan beuken, en stranden, waar ze niet verder kunnen, en baaien.” De egel knikte. Hij vond dat gedachten wel iets van struikgewas hadden, met stekels en doornen en hier en daar een klein paadje erdoorheen dat moeilijk te vinden is.’
 
Prachtig hoe je dank zij de verbeeldingskracht van Toon Tellegen je eigen gedachten zo herkenbaar voor je ziet.
 
Die verbeelding prikkelde duidelijk ook Annemarie van Haeringen. Ze koos voor kleine, priegelige tekeningen van alleen de egel. Op een wonderlijke manier laten die toe om door te dringen tot zijn wezen. Het titelverhaal eindigt met de egel die na enkele diepe gedachten naar buiten gaat om te genieten van een mooie zomerdag: ‘De zon eten. Zo noemde hij dat.’ De illustratrice verbeeldt die poëtische zin letterlijk: je ziet de egel tevreden kijken naar de stukjes die hij uit de zon at. De lichtheid en gezelligheid van de verhalen steekt in veel tekeningen, bijvoorbeeld in die van de egel als kapstok, of de egel in bloei of als de maan. Intrigerend zijn de zes kleine prentjes die de egel laten zien wanneer die een boek schrijft met daarin enkel het woord ‘onzin’. Overigens is hij op de illustraties niet aan het schrijven, maar wel aan het kijken en denken. Bij het verhaal ‘Twee egels’ tekent ze de egel in meer dan 20 stemmingen en houdingen, zwevend en tollend over de pagina.
 
Dat is wat deze verhalen en tekeningen doen. De lezer/kijker net in het verhaal ‘De overstroming’ laten beseffen hoe mooi het leven kan zijn als je anders tegen de dingen aan kijkt, als je durft ze op hun kop te zetten. Zó bijzonder, verfrissend en ontregelend blijven Tellegens dierenverhalen dat je moeilijk kunt stoppen met lezen, dat je na elk verhaaltje denkt: ‘nog eentje’. Dat je je graag keer op keer laat prikkelen. Of is het prikken?
 
Toon Tellegen, Annemarie van Haeringen: De egel, dat ben ik, Querido, Amsterdam 2021, 142 p. : ill. ISBN 9789021436791. Distributie L&M Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2022

De Amerikaanse bril

Robert Menasse

De huzaar op het dak

Jean Giono

Reset. Over identiteit, gemeenschap en democratie

Mark Elchardus

Trojaanse gedachten

Alicja Gescinska

Vrienden van de poëzie. Verhalen

Guido van Heulendonk

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 1, JANUARI 2022

Arsène Lupin, gentleman-inbreker

Maurice Leblanc, Vincent Mallié (ill.)

Eén enkele seconde

Rébecca Dautremer

Iets heel bijzonders

Susin Nielsen

Rekenen voor je leven

Edward van de Vendel & Ionica Smeets, Floor de Goede (ill.)

Toen Jonas in de walvis zat

Maria van Donkelaar, Sylvia Weve (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri