Vertaald proza

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2023

Sibilla Aleramo: Een vrouw

door Monica Jansen

Een vrouw, een menselijk wezen  

Met de heruitgave van Sibilla Aleramo’s Een vrouw uit 1906 in de vertaling van Eva Beata Hendriksen, geeft de onafhankelijke kleinschalige uitgeverij Orlando gevolg aan het credo waarmee ze zich kenschetsen op hun website: ‘vanuit een sterke persoonlijke betrokkenheid [...] boeken maken die ertoe doen, die iets moois toevoegen aan de wereld’. De vertaling van Hendriksen (1949-2017) – uit de verstrekte informatie wordt niet duidelijk of deze nog geactualiseerd is – verscheen voor het eerst in 1977 bij Feministische uitgeverij Sara, en, zo bericht het nawoord van Lidewijde Paris, is in het Nederlands voorafgegaan door een vertaling uit 1923, die toentertijd veel aandacht kreeg maar die toch geen herdrukken beleefde.
 
Deze persoonlijke bekentenis in romanvorm werd in Nederland dus geen klassieker, maar toch heeft zij niks aan actualiteit ingeboet, betoogt Paris, die haar vergelijkt met die van de Ierse schrijfster Anna Burns, Milkman uit 2018: allebei spreken ze van ‘een vrouw’, respectievelijk rond de eeuwwisseling en in de jaren 1960, die model staat voor de rol waaraan vrouwen zich dienden te conformeren, en het is die onderdrukte vrouw die via deze schrijfsters een stem en bestaansrecht krijgt. Zowel de verwijzing van Paris naar de biografie van Cristina de Stefano – en niet Stefano Cristina zoals foutief wordt vermeld – van de feministische journalist en schrijfster Oriana Fallaci, die zij als ondertitel Een vrouw heeft meegegeven, als het citaat uit Trouw op de achterflap van het boek, waarin een verband wordt gelegd tussen Aleramo en de schrijfsters Deledda, Maraini en Ferrante, onderstrepen dat de feministische strijd om zelfbeschikking van Een vrouw nog steeds doorwerkt in de hedendaagse literatuur en maatschappij.
 
Rina Faccio, geboren in Alessandria in 1876, begon in 1902 met het schrijven van de getuigenis die op haar eigen geschiedenis is gebaseerd, op aanraden van haar toenmalige geliefde, de dichter Giovanni Cena, die toen directeur was van het gezaghebbende tijdschrift Nuova Antologia en initiatiefnemer op het gebied van democratische en humanitaire projecten. Na een aantal weigeringen door uitgeverijen verscheen het werk uiteindelijk in 1906 onder het door Cena verzonnen pseudoniem Sibilla Aleramo: Sibilla zoals hij haar had genoemd in een sonnet dat hij aan haar had opgedragen, en Aleramo zoals de familienaam in het gedicht Piemonte van de nationale dichter Giosuè Carducci, waarin een twist tussen de Savoia’s en de Aleramo’s uit het jaar 1000 wordt bezongen. Ze was tot een schuilnaam gedwongen wegens de juridische twisten met haar man, met wie ze in 1893 getrouwd was nadat ze door hem met geweld verleid was, en die een scheiding had geweigerd en haar de opvoeding van haar zoon had ontzegd.  
 
Dit drama vormt de kern van de bekentenis die in drie delen de onderwerping, crisis en verlossing beschrijft van de ik-persoon die, zoals Paris ook aangeeft, in staat is om analytisch en zelfkritisch te reflecteren en zo de beschouwing ‘naar bijzondere hoogten’ weet te tillen. Het eerste deel is gewijd aan de jeugd van de hoofdpersoon, haar verhuizing van Milaan naar een stadje aan zee in het Zuiden van Italië, waar haar vader, die ze adoreert, tot directeur is benoemd van een fabriek, haar huwelijk met de man die samen met haar als kantoorbediende in de fabriek werkt en haar op haar vijftiende aanrandt, de geboorte van haar zoontje, de zelfmoordpoging nadat haar man haar op verdenking van ontrouw in huis heeft opgesloten.  
 
In het tweede deel wordt beschreven hoe ze in haar isolement steeds hechter wordt met haar zoontje en haar geest verrijkt met lectuur, zodanig dat ze zelf gaat schrijven. Als haar man na een onenigheid met haar vader ontslagen wordt, verhuist het echtpaar naar Rome, waar haar gevraagd wordt om bij te dragen aan het vrouwentijdschrift Mulier, wat haar in staat stelt om zelf de kost te verdienen en in contact te komen met verschillende personages die ieder op hun manier bijdragen aan haar rijping en bevrijding van de onderdrukking door haar man.
 
In deel drie volgt de ik-persoon aanvankelijk haar man terug naar het Zuiden, waar hij de plaats in kan nemen van haar vader als directeur van de fabriek, maar de situatie verergert en ze besluit om weg te gaan om een nieuw bestaan op te bouwen in Milaan, hoewel dit betekent dat ze afstand moet doen van haar kind omdat de wet niet aan haar kant staat. Ze heeft uiteindelijk vrede met haar beslissing, want was ze gebleven dan was ze ‘een vernederd voorbeeld voor de rest van het leven’ geweest en was haar zoon opgegroeid ‘tussen het verraad en de waanzin’. Zo verwoordt ze haar wrede dilemma.
 
Paris geeft aan wat dit boek zo bijzonder maakt voor de tijd waarin het geschreven is, een getuigenis opgetekend door een vrouw die haar conditie beschrijft vanuit haar eigen unieke ervaring en niet meer verwoord door schrijvers als Flaubert of Tolstoj, die van hun vrouwelijke personages literaire heldinnen gemaakt hebben. Het vertrek van de ik is wel vergelijkbaar met Nora uit Een poppenhuis van Ibsen, waarnaar ook expliciet verwezen wordt. Baanbrekend is ook de eerlijkheid en feitelijkheid waarmee wordt teruggeblikt op de eigen metamorfose, als men bedenkt dat het kunstproza van de decadente d’Annunzio op dat moment in Italië toonaangevend was. Overigens zal Aleramo later een lyrische prozastijl ontwikkelen die sterk door d’Annunzio is beïnvloed, en zal ze van alles wat ze publiceert een exemplaar met opdracht naar haar idool opsturen. Ze zal ook het feminisme afzweren en een eigen ‘vrouwelijke spiritualiteit’ ontwikkelen, die ze vorm zal geven in een apologie in 1911 en een lezing in Griekenland in 1937.
 
Los van de geschiedenis, die vanwege de naamloze personages en de onbenoemde literatuur die ter sprake wordt gebracht nog steeds toegepast kan worden op nieuwe tijdsgewrichten en in andere sociale constellaties – het internationale succes is misschien ook te danken aan het feit dat behalve de locaties het verhaal weinig ‘typisch Italiaans’ lijkt te zijn – is de materialiteit van het beschrevene ook op andere manieren opnieuw relevant. Zo is er de hang naar spiritualiteit die vanuit een welhaast postseculier perspectief wordt beschreven. De ik wordt door haar vader uit het ontwikkelde Noorden atheïstisch-positivistisch opgevoed en wordt daarna in het gezin van haar man uit het primitieve Zuiden geconfronteerd met rituelen en bijgeloof die ze verwerpt als zijnde achterlijk. Toch is ze gefascineerd door de figuur van Christus en in Rome komt ze onder de invloed van een schrijver die ‘de profeet’ wordt genoemd. Op het moment dat ze moet kiezen tussen haar eigen vrijheid en haar kind beseft ze echter dat deze aantrekkingskracht tot het geloof in een betere wereld slechts zin heeft door hier in het hier en nu vorm aan te geven. Ze kiest er dan ook voor om, eenmaal in Milaan, zich actief in te zetten voor het bestrijden van armoede en, met zichzelf als voorbeeld, voor vrouwenrechten.
 
Naast spiritualiteit als zuivere inspiratiebron speelt ook de natuur een rol in haar losmaking van verstikkende sociale patronen. De beschrijvingen van het landschap verraden misschien nog een zweem van lyrische romantiek, maar ze getuigen ook van de wens om haar ‘innerlijke vrede’ te zoeken in de versmelting ‘in een enkel iets dat over alles schittert’, en die vindt ze niet in de stad, waar de mens ‘onophoudelijk en trots de natuur uitdaagt die voor hem beperkt en onvolmaakt is’, maar ‘onder de eindeloze met sterren bezaaide hemel [...] bij de zee en de bergen die zich niets van hem aantrekken’. Ze is op zoek naar het moment waarop egoïsme verandert in altruïsme, een wilskracht die ze aan het werk heeft gezien in ‘het bezielende en voortstuwende vermogen’ van haar in Rome gevonden vriendin en grote voorbeeld, de directrice van Mulier, die van nature meer geneigd is ‘tot handelen dan tot propageren’.
 
De feministische en socialistische denkkaders die haar helpen om zich in te zetten voor de ander, zijn echter niet in contrast met haar zoektocht naar spirituele openbaring of natuurlijke heling, maar behoeden haar ervoor om de vrouw die ze geworden is niet opnieuw in dienst te stellen van een ideaal. Nee, beseft de ik-persoon, zij is geen ‘eenvoudig wezen dat zich steeds opoffert’, zoals haar eigen moeder dat geweest is, maar ‘zij moet een vrouw zijn, een menselijk wezen’. En dit besef van een alles doordringende vitaliteit maakt Een vrouw opnieuw actueel in deze nieuwe uitgave van uitgeverij Orlando. De woorden ‘emancipatie’ en ‘feminisme’, die de ik tot bewustwording brachten, zetten haar tevens aan om haar woorden zo te formuleren dat ze vanuit haar toekomstige bevrijde en niet vanuit haar verleden ‘geketende’ ik tot haar zoon spreken, en zo tot telkens nieuwe generaties.
 
Sibilla Aleramo: Een vrouw, Orlando, Amsterdam 2022, 271 p. ISBN 9789083233826. Vertaling van Una donna door Eva Beata Hendriksen. Distributie Elkedag Boeken

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2023

De nachten van de pest

Orhan Pamuk

Het voortleven van de vuurvliegjes

Georges Didi-Huberman

Margriete

Kathleen Vereecken

Onkrijgbaarheid

Tim Krabbé

Overal zit mens. Een moordfantasie

Yves Petry

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 1, JANUARI 2023

Frank en Bert

Chris Naylor-Ballesteros

Goed zo, mama!

Chris Haughton

Het 'klassieke oeuvre' van Imme Dros

Naar een nieuw Troje

Kunstmatige intelligentie is niet eng

Bas Haring, Maus Bullhorst (ill.)

Vandaag houd ik mijn spreekbeurt over de anaconda

Bibi Dumon Tak, Annemarie van Haeringen (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri