Poëzie

BOEKEN NR. 6, JUNI 2021

Herman Leenders: Het huis van de dichter

door Guido van Heulendonk

Ware kunst is zelden een goednieuwsshow  

1.  
In februari 2021 publiceerde Herman Leenders Het huis van de dichter, een overzichtsbundel waarin hij een selectie maakt uit zijn poëtisch werk tussen 1992 en 2020. In plaats van een chronologische koos hij voor een thematische ordening in zeven afdelingen, gebouwd rond kernen als landschap, liefde, dieren en dood. Carl De Strycker schreef er een diepgravende inleiding bij. Het werk verscheen bij Uitgeverij P als nummer 21 in de fraaie ‘Parnassusreeks’.  
 
Rond diezelfde tijd verscheen ook Post Growth. Life After Capitalism (Polity 2021), het nieuwste pamflet van de bekende anti-groeieconoom Tim Jackson, die al jaren betoogt dat onze planeet ten onder gaat aan ongebreidelde expansie. Volgens Jackson is de coronapandemie de definitieve wake-upcall: meer dan ooit moeten we inzien dat de aarde materieel-fysieke limieten heeft, en dat een geglobaliseerd, op voortdurende groei en winst gebaseerd samenlevingsmodel daarvan een krankzinnige en desastreuze ontkenning vormt. Dit starre geloof in groei als enige weg voorwaarts verklaart hij (deels) door het onvermogen van de mens om de eigen tijdelijkheid en sterfelijkheid te aanvaarden, waardoor we een droombeeld najagen van steeds-meer-en-steeds-verder, een the-sky-is-the-limit-roes die ons toelaat te geloven in een steeds betere, nooit eindigende toekomst. Hiervan moeten we volgens Jackson hoogdringend afkicken, willen we ons nog van een toekomst verzekeren tout court.
 
Iemand die alvast niet bekeerd hoeft te worden is Herman Leenders.  
 
2.
Het lijkt misschien een hele sprong van een economisch duurzaamheidsbetoog naar gedichten, maar toch bezorgde de lectuur van deze twee nieuwe publicaties mij een echogevoel. De band tussen economie en poëzie is trouwens hechter dan men zou denken, zoals uit het discours van Jackson blijkt, maar hierover verder meer. In ieder geval: als er al één draad door Het huis van de dichter loopt, dan is het (naast de virtuoze expressieve kracht) datzelfde besef van begrensdheid. Niet dat ik Leenders ervan verdenk een boodschap te willen verkondigen, laat staan die van de nulgroei. Ook Carl De Strycker stipt aan dat hij niet schrijft vanuit ‘een sociaal- of taalkritisch programma’. Maar een gedicht als ‘Terminus’ bijvoorbeeld, uit de afdeling ‘Souterrain’, lijkt bijna een poëtisch commentaar bij Jacksons Post Growth en zou zonder meer als motto voor zijn boek kunnen dienen:
 
‘Terminus
 
zal hij opnieuw vrede hebben
met zijn geregeld bestaan
 
het gras en de haag temmen
de berg papier, het vuur in de haard
 
breekt zijn bloempot open
of gaat het plantgoed dood
 
respecteert hij de grenzen  
vanwege de lengte van zijn leiband
 
of is hij een spin in de badkuip
die zich weert als Sisyphus
 
en eindigt in de sifon’
 
‘Respecteert hij de grenzen / vanwege de lengte van zijn leiband’ – dat is inderdaad de vraag. Het doet er niet toe welke concrete context je verzint bij deze ‘hij’. Misschien is het iemand die net terug is van vakantie en de culture shock van de terugkomst probeert te verwerken, opnieuw aangelijnd in sleur en routine. Het prachtige slotbeeld, dat de microtragiek van een spin linkt aan de grote menselijke verhalen, bevat hoe dan ook de kern van onze existentie: verzet tegen de realiteit van de condition humaine is zinloos. Wie het toch probeert en mordicus de gladde berg van de illusie wil beklimmen, glijdt onherroepelijk naar beneden. Of zoals Jackson het formuleert: ‘Grenzen zijn er nu eenmaal, en het is contraproductief om er telkens een strijd in te zien die gewonnen moet worden’ (Post Growth, p. 100 – mijn vertaling).
 
Het huis van de dichter hoeft uiteraard geenszins door deze bril gelezen te worden. Zoals bij alle goede poëzie zijn er meerdere insteken mogelijk. Toch waart in dit huis, vind ik althans, overal de geest van nuchterheid en relativering, indien niet vergeefsheid en ontluistering. Aan elke roes is een kater verbonden. En daar kunnen we ons maar beter van bewust zijn. Wie Leenders al een beetje kent, zal hierdoor niet verrast worden, maar nu de dichter zelf zijn werk in een overzichtelijk kader heeft ondergebracht, blijkt het nog eens overduidelijk: hij is een ontmaskeraar, die met een uiterst fijn geslepen beitel façades wegkapt tot de kern bloot komt te liggen. Zijn Wikipedia-lemma zegt dat hij de spanning beschrijft tussen droom en werkelijkheid. Dat klopt, als de spanning bedoeld wordt die ontstaat wanneer men zijn dromen voor werkelijkheid neemt. Dan staat Leenders klaar om ons uit die droom te helpen.
 
3.
Dat Het huis van de dichter in weerwil van deze ‘boodschap’ toch een waar genoegen blijft, heeft alles te maken met de stijl. Poëzie blijft in de eerste plaats een vormkwestie, en als het genre binnen de talige uitingen het dichtst de muziek benadert, dan is Leenders’ geluid in het repertoire van de Lage Landen een van de meest persoonlijke en dus ook herkenbare. Zijn zegging is toegankelijk en direct, vermijdt de omweg van het experiment, probeert niet grens(!)verleggend te zijn, zoekt de vormtechnische provocatie niet. Zijn poëzie klinkt daarom – soms – bijna a-poëtisch (zie bijvoorbeeld ‘Oogmeester’ in de afdeling ‘Ik sta buiten het huis als buiten mezelf’), maar krijgt precies daardoor haar typische scherpte en timbre van dwarsigheid. Kijk (hoor) hoe in ‘Vrede’ (afdeling ‘Hof van Eden’) met beperkte poëtische wapens, met name de dubbele bodems in ‘leger’, ‘luchtvlies’ en ‘verslaan’, de beschrijving van een militaire oefening wordt omgezet in een beklemmende en explosieve bespiegeling over agressiviteit:
 
‘Vrede
 
in de gracht hebben soldaten dekking gezocht
een haas ontvlucht zijn leger
straks scheurt een F16 het luchtvlies
en rolt er een tank door het weiland
 
dat is het teken om de bloemen te vertrappelen
de vrouw die in de zon ligt te verkrachten
mijn kinderen te wurgen met de wasdraad
het zal gebeuren onder mijn ogen
 
ik zal de oorlog verslaan’
 
Heel vaak past Leenders deze strategie toe: hij focust op een snapshot, vaak uit het dagelijkse leven, en verleent dit – soms in een oogwenk – een universele en tijdloze dimensie via een feilloos gekozen beeld of subtiele duw tegen het perspectief. Op die manier stijgt zijn poëzie uit boven de louter lucide registratie van moment of anekdote, waartoe een onzorgvuldige of agenda gestuurde lectuur haar zou kunnen herleiden (en wel eens herleid heeft). Bij Leenders is er altijd meer aan de hand. Dat die extra dimensie en de conclusies die eraan vastzitten (en die Leenders aan de lezer overlaat) niet altijd even troostend zijn, doet niets af aan hun relevantie. Ware kunst is zelden een goednieuwsshow.
 
Leenders is de nuchtere, illusieloze observator van zowel binnen- als buitenkant, het grote en het kleine, het abstracte en het concrete, het drama en de farce. Zijn aandacht wordt door alles en nog wat getrokken, zoals de diversiteit van de afdelingen bewijst. Dit huis heeft vele kamers, vele spiegels en vele ramen. Een thuis is het echter niet. De bewoner is bereid tot een rondleiding, maar een ‘maak het je gezellig’ krijg je niet te horen. Hij toont de wereld zoals hij hem ziet, dit wil zeggen, een wereld die telkens meer vragen opwerpt dan de dichter antwoorden heeft. Behalve het dichten zelf: ‘Er is geen ander huis dan dit huis / geen andere tuin dan deze’, luidt het in de eponymische openingsverzen ‘Het huis van de dichter’, ‘er bestaat geen andere verzameling / dan woorden bijeengehouden door gedichten’.
 
4.
Anders gezegd: ook Leenders is een buitenstaander. Huurder, eerder dan eigenaar. Niet voor niets heet de vierde afdeling ‘Ik sta buiten het huis als buiten mezelf’. Maar waar hij ons ook laat kijken, het loont altijd de moeite. Hoe futiel het onderwerp aanvankelijk ook lijkt, het blijkt – eenmaal het laatste vers gelezen – altijd belangrijk. Niet zelden ook zit die onthulling precies in het slot van het gedicht, als een paukenslagje dat nazindert.
 
Herman De Coninck zei ooit dat Leenders zichtbaar maakt wat zich achter het zichtbare bevindt. Wanneer hij in de afdeling ‘Wij nemen van de dieren hun gewoontes over’ ons (en zijn geliefde) meeneemt naar een romantische plek in Brugge, krijgen we inderdaad het liefdesspel van eenden te zien. Helaas eindigt de scène met de gruwelijke dood van het vrouwtje, waarna de geliefde van de ik haar hand geshockeerd uit de zijne trekt, alsof ze opeens beseft wat de mannelijke drift kan aanrichten. Leenders beschrijft het incident zonder verder commentaar. Dat heeft hij droogjes opgeborgen in de titel: ‘Minnewater’.  
 
Wat me bij een volgend, cruciaal aspect van Leenders’ poëzie brengt – iets wat zijn unieke plek in de Nederlandstalige poëzie nog scherper aflijnt: de humor. Ook De Strycker vestigt er de aandacht op: ‘Milde spot, ironie en taalspel zorgen ervoor dat er ondanks de zwaarte van de thematiek toch enige lichtvoetigheid bewaard blijft’. Die humor komt inderdaad in verschillende gedaantes op ons af. Van slapstick, zoals de in de sifon tuimelende spin van daarnet, tot grimmig sarcasme à la Elsschot: zie bijvoorbeeld de slotstrofe van ‘Zondagmiddag in de Weba’: ‘hij wil begraven worden / tussen de wormen / zij verast en uitgestrooid / zodat niemand nog met haar knoken / rammelen kan’ (afdeling ‘Of dit nog liefde is’). En zoals elke goede humorist vergeet Leenders ook niet zichzelf te kijk te zetten. Neem het puntige, prachtig visuele ‘Kapper’ (vierde afdeling), dat wel een tafereeltje van Jan Steen lijkt.
 
‘Kapper
 
ik zit met mezelf aan tafel
het servet om onze nek gebonden
zachtjes strijkt hij door m’n haren
knipt achter m’n oorschelp en borstelt over m’n ogen
 
ik word weerloos zonder bril
slaperig overgeleverd aan zijn wil
hij legt het mes op mijn strottenhoofd
ik sidder van welbehagen’
 
5.
Een groot deel van Leenders’ gedichten refereren aan, of roepen de sfeer op van ruraal Vlaanderen. De Strycker wijst er terecht op dat het een vergissing is hierin naïef-romantisch conservatisme te lezen. Leenders is niet de schilder, noch de chroniqueur van een pittoresk ‘temps perdu’, maar een genadeloze dissector van menselijke emoties, ook die verbonden aan natuur- en landschapsbeleving. Dat gebeurt vanuit een dwingend nu, zonder sublimering of idealisering van het voorbije, zonder de zelfbegoocheling van de nostalgische droom. Wat me weer bij Jackson brengt. ‘Ons ware huis is het heden,’ citeert hij een boeddhistische activist (Post Growth, p. 164). ‘Whatever is happening, right here, right now’ – daar gaat het om. Dat geldt, zoals eerder gezegd, ook in de andere richting: dromen over een toekomst zonder grenzen, via blind-reactionair vasthouden aan achterhaalde (economische) principes, leidt naar de afgrond.
 
De enige uitweg, betoogt Jackson, is een radicale gedragswijziging, waarbij de mens zijn levensdoelen bijstelt: weg van ongebreidelde bezitsaccumulatie en consumptie, richting sociaal en ecologisch evenwicht. In dit nulgroei-Utopia speelt spirituele gezondheid een belangrijke rol. Tools om die te bereiken: solidariteit, empathie, liefde, zorg, kleinschaligheid, en: cultuurbeleving. Artistieke expressie zal een fundamentele pijler vormen in de omslag. En daarbij kent Jackson een opvallend centrale plaats toe aan poëzie. Onze obsessie met ‘meer’, schrijft hij, heeft de ‘fragiele balans van het menselijke hart verstoord, en ze kleineert de poëzie die ons dat evenwicht zou kunnen teruggeven’ (Post Growth, p. 180). Hij citeert Hannah Arendt: ‘Of all our activities poetry is closest to thought.’ Poëzie dus als zingevend denken. Als middel om de toestand van innerlijke harmonie en verhevigd bewustzijn te bereiken die onze materialistische hunkeringen moet neutraliseren.
 
De gedichten van Leenders laten zich naadloos inpassen in dit discours. Niet omdat hij innerlijke harmonie evoceert of propageert. Leenders loopt niet op sandalen. Maar verhevigd bewustzijn bevat zijn werk in overvloed. De kanttekeningen die hij plaatst bij de werkelijkheid maken korte metten met eventuele waanbeelden over een ‘meilleur des mondes possibles’. Zie bijvoorbeeld – ter afronding – ‘Kamer met uitzicht’, uit de vierde afdeling. Een emblematisch gedicht over het soort kille, lelijke wereld waar Jackson vanaf wil.  
 
‘Kamer met uitzicht
 
er is niets te zien zei zij
achter het hotel lag een parking
hij zag pionnen die werden verschoven
volgens regels die hij niet begreep
een fietser bijna aangereden
een zwerfhond zonder vrees
een portier blikkerde als een schild
een spiegel afgescheurd als een oor
bumpers die elkaar als lippen raken  
om het lange wachten te veraangenamen
krassen als een tatoeage gezet en
woorden in het stof geschreven
hij zat dat machteloos te bewaken
met de bijbel in zijn handen
toen riep zij om de rits te sluiten
die hij zou openmaken’
 
Kortom, wat Leenders aanbiedt, is een oefening in mentale hygiëne. In het bevragen van evidenties en façades. En hygiëne is de eerste stap op weg naar gezondheid, ook spirituele. De vele kamers van dit Huis vormen evenvele opportuniteiten daartoe, met schrobberingen die je graag ondergaat, want uiteindelijk blijft dit het belangrijkste: de boodschap schuurt soms, maar Leenders’ taal schuimt, geurt en parelt, met beelden die de huid doen tintelen.
 
Herman Leenders: Het huis van de dichter. Een keuze uit het poëtisch werk 1992-2020, P, Leuven 2021, 192 p. ISBN 9789493138353

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, DECEMBER 2021

Anarchisme. Van Bakoenin tot de commons

Ludo Abicht

De minzamen

Koen Peeters

Harlem Shuffle

Colson Whitehead

Nasr Compacter

Ramsey Nasr

Nocilla-trilogie

Agustín Fernández Mallo

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, DECEMBER 2021

De heen-en-weerbrief

Gerda Dendooven

Een wonderprachtig dier

Britta Teckentrupp (ill.)

Elke rimpel een verhaal

David Grossman, Ninamasina (ill.)

Het strand

Sol Undurraga

Uit het niets

Aline Sax

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri