Poëzie

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2022

Alicja Gescinska: Trojaanse gedachten

door Jooris van Hulle

‘Na een lange stilte’ – zo luidt de titel van het openingsgedicht van de bundel Trojaanse gedachten. De stilte waarop wordt gealludeerd heeft duidelijk te maken met de afwezigheid van poëzie in Alicja Gescinska’s schrijven, dat grotendeels werd bepaald door creatief proza en filosofisch-maatschappelijke essays. Gescinska neemt al van bij de aanvang van de bundel een kloek besluit: 
  
‘Ik zet me aan de woorden 
Om mezelf weer op te eisen, 
Overlevingsdrang die haar wonden likt.’ 
  
En het klinkt als een programmatische stellingname, als ze het even verder heeft over de ‘zinsbouw van mijn gebeeldhouwd zijn’: de gedichten in Trojaanse gedachten worden niet zomaar aan het papier toevertrouwd, de aandacht voor een precieze vormgeving (met een duidelijke voorkeur voor disticha en terzinen) en voor een afgemeten beeldspraak geeft de verzen een innerlijke spanningskracht mee om zo – hoe persoonlijk en ik-gericht de meeste gedichten ook mogen zijn – de valkuil van de belijdenislyriek te omzeilen. 
  
‘Timeo danaos et dona ferentes’: het beroemde vers van Vergilius markeert het referentiekader voor de manier waarop Gescinska, mede vanuit haar opleiding en activiteiten als filosofe, omgaat met de gedachten. Wat op het eerste gezicht kan worden aangezien als een geschenk, kan ook als heel bezwarend worden ervaren. Het meest nadrukkelijk komt die houding aan bod in de vijfdelige titelcyclus van de bundel: gedachten ‘die in vrede komen’, ‘ik zet de poorten van vertrouwen open / Dit moet toch de goedheid zelve zijn’ (I) slaat snel om: ‘Mijn gedachten vallen als zilverlingen uit de takken / Richten ze nu het woord tegen me?’ (II), de vraag wordt gesteld ‘ben je gelukkig met wie je bent’ (II), en monden finaal uit in ‘vijandigheden’ (IV) om te besluiten: ‘Gedachten kunnen dat // Een vrouw van mijn lengte en gewicht / Tegen de vlakte krijgen’ (V). 
  
Uit wat voorafgaat aan deze kerncyclus en uit wat er verder op volgt, valt op te maken hoe zwaar de zoektocht van het ik naar een eigen identiteit weegt op de ‘gedachten’. Gescinska schrijft ‘Een sprookje’, maar zo luidt het slot ervan: ‘En zo leefde het ik: / Niet lang en niet gelukkig’. En onmiddellijk erop aansluitend wordt een ‘Danse Macabre’ uitgevoerd, ‘En verdwijn ik met de laatste kracht uit mij’. De tocht naar het ultieme einde, de dood, is een tocht die het ik alleen moet maken, ‘al zou ik liever zonder soortgenoten / Aan mijn lange tocht beginnen’. Verleden en toekomst – zo blijkt uit het mooie slotgedicht van de openingscyclus – blijven lijnrecht tegenover elkaar staan: de jij in dit ‘Perspectief’-gedicht vraagt om ‘een blauwdruk van de toekomst’, ‘een horizon om naartoe te leven’, ‘een panorama van verwachting’. Wat de ik kan aanreiken: ‘een verleden’, een ‘landschap / van verschroeide aarde / Dorre dromen en kale takken’. In de resignatie van al te grote verwachtingen, blijft dit: 
  
‘Ontdaan van alle doelen 
Met niets meer om na te streven, 
Slechts belichaamd zelf onttakeld, 
  
Ik schonk je de hoop.’ 
  
Waarop verder kan worden gehoopt, blijft een onbeantwoorde vraag, een oningevuld blijvende gedachte. 
  
Aangrijpend, mede door het feit dat Gescinska er haar blik ook richt op de gedachtewereld van wie haar nabij is, zijn de cycli ‘De jongen die moet’ en ‘Zyprexadagen’, respectievelijk gewijd aan haar zoon en haar zus. Over hoe haar zoon zichzelf kwijt raakt, ‘Wie woont er in je gedachten? / Een spin die van klein verdriet / Een groot web wil weven’. ‘In een wereld waarin alles wankelt en wanorde is, / Ga je op zoek naar patronen / Om de eenmaligheid te bestrijden’, ‘De eenvoud is je te complex geworden’. En hoe de ik daar ‘Op slechte dagen’ aarzelend haar liefde tegenover plaatst: 
  
Ik haak de liefde, 
Jij kijkt vol onbegrip. 
Wat moet je met al die gaten 
Die niet bedoeld zijn 
Om gedicht te worden?’ 
  
Ook aan de psychose van haar zus wijdt Gescinska beklijvende verzen. ‘Ik zal je seismograaf zijn / de trillingen onder je aardlagen registreren / om te weten of het beter/slechter gaat’ luidt het in het lange gedicht ‘En’, waarvan iedere strofe opent met een bezwerend ‘en’. Onthutst, in wezen machteloos omdat ze niet kan vatten wat haar zus van de werkelijkheid wegdrijft in een wereld van wanen, kan de ik alleen toezien en hopen, ‘Morgen zal het beter gaan, morgen spreekt ze weer mensentaal. / Een wankele zekerheid, in haar kamer zonder deurslot, / Even hermetisch open als de gangen in haar hoofd’. 
  
Met het gedicht ‘Weegbree’, opgedragen aan Koen Broucke en waarin de wreedheid en zinloosheid van de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog worden gememoreerd (‘Niemand die geloven kan / Dat hier op deze plek, / Waar onze voeten nu haast zweven, / Kermende zonen lagen’), maakt Gescinska de overstap naar ‘De ongelukkige kunst van het zijn’, de slotcyclus van de bundel. Persoonlijke herinneringen aan de kindertijd staan er naast gedichten over het leed van vluchtelingen (‘Ik heb vergeten, / Maar niet hoe de bergen huilen, / En achter die bergen de mensen / Die treuren in tenten van kermende dromen’), ja zelfs over de covidpandemie (‘ We leven in een gemaskerd jaar. / We wassen onze handen die niet vuil zijn. / Al thuisblijvend wanen we ons helden / In daden van heroïsch nietsdoen’) en de klimaatproblematiek (‘en zodra we weer in elkaars nabijheid mogen ademen / Slaan we weer gaten in de lucht / en in de aarde die ons draagt’. De vraag waarmee dit ‘Milosz’-gedicht eindigt, blijft nagalmen in het hoofd van de lezer: 
  
‘Zonder bloemen geen vogels, zonder vogels geen wij 
En zou dat geen ander einde van de wereld zijn?’ 
  
De wereld waar Alicja Gescinska het over heeft in Trojaanse gedachten is die van ons allen. 
  
Alicja Gescinska: Trojaanse gedachten, De Bezige Bij, Amsterdam 2021, 68 p. ISBN 9789403138718. Distributie Standaard Uitgeverij

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2022

Achter de slaperdijk

Martha Heesen

De rozentuin

Maeve Brennan

Krop : want er is tussen ons iets enorms aan de gang

Anne Provoost

Scheiden

Susan Taubes

Weerlicht

Jante Wortel

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2022

Aicha en de verloren taal

Fikry El Azzouzi, Trui Chielens (ill.)

Alma; Van Honduras naar de Verenigde Staten, 2500 kilometer op de vlucht

Sander Meij

Bliksemkind

Hans Hagen, Martijn van der Linden (ill.)

De dag dat Oorlog naar Rondo kwam

Andriy Lesiv, Romana Romanyshyn

Onheilsdochter

Jean-Claude van Rijckeghem

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri