7+ - Hoe zit het met de
antenne voor ironie bij kinderen van een jaar of zeven? Je zou zeggen dat voor
het waarderen van deze onnadrukkelijke vorm van humor een zekere levenservaring
nodig is. Ironie is grappig met een omweg. Je proeft het eerder gaandeweg dan
dat het je meteen bij de lurven grijpt. Toch durft Yvonne Jagtenberg (Tilburg,
1967) jonge kinderen mee te nemen in een verhaal met heel ingetogen humor in
woord en beeld. De eencellige die het leven best wel ingewikkeld vond: de
titel met curieuze paradox roept het al op.
We gaan ons verdiepen in de
levensvragen van een zee-wezentje dat uit slechts één cel bestaat. Maar dan wel
een ééncellige van buitenformaat: vijf centimeter. De oudere lezer gniffelt. Maar
laat de jonge lezer zich verrassen door deze bedekte grappigheid? Het zal
gewoon een kwestie van uitproberen zijn.
Het aandeel van Jagtenbergs illustraties
is niet onbelangrijk. Ze worden gekenmerkt door amusante lulligheid. Het sobere,
maar rake, uiterlijk van Leo, de ééncellige held van dit diepzeeverhaal, maakt
van een nietig wezentje een heus individu. Zijn bijna onbedoeld
filosofisch-komische gepeins en zijn licht vervreemdende omgang met ditje en
datjes worden daardoor aannemelijk. Het ‘onbedoelde’ dat deze vertelling
aankleeft, is het aardigste van dit boekje. Het leidt onder meer tot
vermakelijke dubbelzinnigheden die er toch niet dik bovenop liggen. Zo heeft
Leo veel te vaak ‘iets aan zijn kop’. Letterlijk blijft er van alles aan zijn hoofd
hangen, maar ook heeft hij (te) veel aan zijn kop in de vorm van vragen, en
ongevraagde ontmoetingen en ervaringen.
De, ogenschijnlijk, simpele
levensvragen die in een reeks op zichzelf staande verhaaltjes worden behandeld,
monden nooit uit in angst of narigheid. De toon is luchtig en dat maakt het
verslag van Leo’s bestaan niet alleen ééncellig, maar eigenlijk ook gezellig. Belangrijk
voor de balans in zijn leventje zijn de dingen die letterlijk aan zijn kop en
warrige haar blijven kleven. Leo kent daarin twee categorieën: helpende en
niet-helpende dingen. De eerste categorie komt niet zo vaak aan bod, want meestal
zijn het onnuttige zaken die aan hem plakken: een oude tandenborstel, een
afgedankte afwasborstel, een plastic zak. Die niet-helpende dingen zijn een onmiskenbare
verwijzing naar de actualiteit, de vervuiling van de zeeën. Wat doet een
plastic balpen of een kam in vredesnaam op de bodem van de oceaan?
Hoewel Leo door
passerende schepsels, vrienden en kleine belevenissen geconfronteerd wordt met
wezenlijke zaken als liefde, eenzaamheid en dood, slaagt hij er met een
eenvoudige levensfilosofie altijd in om langdurig gepeins te vermijden. Want
dat is niet goed voor een ééncellige. Daarin volgt hij de geest van jonge
kinderen. Die zijn over het algemeen niet vanzelfsprekend bezig met de problematische
finesses van het moderne bestaan, maar bezien de wereld als vanzelf vanuit hun
eigen kleine en overzichtelijke territorium. Leo verwoordt het duidelijk:
‘Er zíjn in
dit leven is genoeg voor mij! En daarmee basta. Over en sluiten!’
En dan fluistert de
ironie mij in dat de denkwereld van een ééncellige tegenwoordig ook
gelijkgesteld kan worden aan de denkactiviteit van bepaalde groepen
volwassenen.
Yvonne
Jagtenberg: De eencellige die het leven best wel ingewikkeld vond, Querido,
Amsterdam 2024, 121 p. : ill. ISBN 9789045130774. Distributie L&M Books
deze pagina printen of opslaan