Een archipel is, althans in onze culturele
verbeelding, een strook land die zich in de zee uitstrekt en grotendeels door
water wordt omringd. De ruimte symboliseert zo een grens, misschien met een
ontsnappingsroute maar ook een uitzicht op de oneindigheid en de horizon. Het
is geen toeval dat Geert Jan Beeckman uitgerekend dit beeld als titel heeft
gekozen voor zijn jongste bundel.
In de visie is de mens immers bij uitstek een grenswezen.
Heel wat gedichten hebben het over de engelen als wezens die zich tussen het
stoffelijke en het geestelijke bewegen, tussen hemel en aarde, tussen tijd en
eeuwigheid. Iets van dat bestaan is in de mens achtergebleven, als een vage
herinnering (de verwijzingen naar de Platoonse filosofie zijn niet toevallig gekozen).
De dichter gaat in het bestaan op zoek naar manieren om het vluchtige en het
zintuiglijke te overstijgen en zo een soort van innerlijke waarheid op het
spoor te komen. Dat verklaart ook waarom deze poëzie bij momenten een sterk
beschouwend karakter heeft. Van waarnemingen en concrete visuele beelden komt
de dichter tot een soort van transformatie. Dat resulteert in een interpretatie
in meer abstracte zin, met formuleringen die bij momenten filosofisch aandoen
en op andere ogenblikken naar de lezer toe worden geformuleerd als suggesties
om anders te leren kijken en zo meer te zien.
Dat streven heeft uiteraard ook
gevolgen voor de motieven die in deze bundel aan bod komen. De dichter gaat
veel minder uit van concrete voorwerpen maar zoekt thema’s die hem in staat
stellen om zijn doel te bereiken. Vaak gaat het om grenzen van tijd en ruimte,
overgangszones die als het ware de dubbelheid van de verschijnselen laten zien:
denk maar aan de archipel. Minstens even belangrijk zijn echter de vele
verwijzingen naar kunstenaars, schilders zowel als musici. Zij zijn intens
bezig met gelijkaardige projecten, en in die zin vormen ze modellen voor wat de
dichter voor ogen staat. Bach en Dante maar ook de romantici belichamen dat
ideaal van vergeestelijking zonder de band met het aardse en het tastbare te
verliezen. Ook bij de hedendaagse kunstenaars is er datzelfde streven om,
weliswaar in een sterk gewijzigde filosofische en historische context, het
sublieme op te roepen.
Toch blijven, ondanks die hooggestemde thematiek, de meeste
gedichten in deze bundel vrij toegankelijk. De dichter spreekt vaak in de
wij-vorm, waardoor de lezer in het universum van het vers wordt getrokken. Hij
houdt van een ingenieus wisselspel van variatie en contrast, wat aan zijn
gedichten de toon van een litanie geeft. En vooral, veel van de scènes en de
overpeinzingen in deze bundel zijn herkenbaar; wie deze gedichten leest wordt
daardoor als het ware meegevoerd van de werkelijkheid naar een dieper niveau
van denken. Dat ambitieuze project slaagt niet altijd even goed, en sommige
verzen missen in mijn ogen spankracht, maar op zijn beste ogenblikken is deze
bundel inderdaad een archipel, een onverwachte opening naar het onverwachte.
Geert-Jan Beeckman:
Archipel, P, Leuven 2024, 91 p.
ISBN 9789464757422
deze pagina printen of opslaan