Beschouwingen

JEUGDBOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2025

Doordrongen van diepe liefde voor het lezen: Bij het overlijden van Aidan Chambers (1934-2025)

door Karin Kustermans

Toen Aidan Chambers in 2009 op de Dag van de Literatuureducatie in Mechelen voor een publiek van leerkrachten een lezing hield over ‘enkele oude en nieuwe waarheden over lezen’, stond, op zijnvraag, op een groot scherm bij de ingang te lezen: ‘Als je dit kunt lezen, heb je dat aan een leerkracht te danken.’






 
Het had een boutade kunnen zijn, maar dat was het niet. Chambers wist waarover hij het had. Dat hij daar die dag stond, had hij zelf aan een leerkracht te danken. Want het leek bepaald niet voorbestemd dat de jongen die in het Noord-Engelse Chester-le-Street opgroeide in een huis waar maar vijf boeken aanwezig waren -- een bijbel, een woordenboek, twee handleidingen en een geïllustreerde bundel fabels -- en die pas op zijn negende de techniek van het lezen ‘een beetje onder de knie kreeg’, een fervent lezer en een internationaal gevierd auteur zou worden. Dat hij dat wel werd, had hij te danken aan Jim Osborn, zijn bevlogen leerkracht Engels in de middelbare school.
  
Levenslange liefde
Osborn -- die later een belangrijke rol toebedeeld kreeg in Je moet dansen op mijn graf -- moedigde de jonge Chambers aan om veel en breed te lezen en een persoonlijke bibliotheek op te bouwen. Chambers, die onder zijn impuls een levenslange liefde voor het lezen opvatte, zou later meermaals benadrukken dat Osborn daarmee zijn leven had veranderd. Even levensveranderend was de lectuur van een van de boeken die hij via Osborn leerde kennen: Sons and Lovers van D.H. Lawrence. Hij voelde een intense verwantschap met het personage van Paul Morel en met het portret dat werd geschetst van het leven in de -- zijn -- mijnwerkersstreek: ´Voor het eerst las ik een boek waarin ik mezelf echt herkende. Het leven dat ik kende, kreeg betekenis toen ik het in geschreven tekst terugvond, een betekenis die het voorheen niet had.’ De jonge Aidan besefte dat hij ook schrijver wilde worden.
 
Het zou nog een hele tijd duren voor die droom werkelijkheid werd. Nadat hij, in de voetsporen van en aangemoedigd door Osborn, een lerarenopleiding had gevolgd, ging Chambers aan de slag als leraar Engels. Toen hij er niet in slaagde boeken te vinden die zijn tienerleerlingen konden bekoren, bedacht hij dat hij ‘het soort fictie moest proberen te schrijven dat mijn leerlingen leuk schenen te vinden maar dat nergens te vinden was’. Op zijn vraag lijstten zijn leerlingen de criteria op waaraan zo'n boek moest voldoen: ze wilden verhalen lezen waarin ze zichzelf en hun eigen leven herkenden, de verhalen moesten kort zijn en zeker geen historische of fantasyverhalen zijn.
 
Chambers’ eerste twee boeken, Cycle Smash (1967) en Marle (1968), over respectievelijk een jonge hardloper die na een motorongeluk in een rolstoel belandt en een zeventienjarige jongen die zijn eiland achterlaat om zijn vriendin te volgen naar de stad, voldeden aan die criteria. In 1968 stopte hij met lesgeven om fulltime schrijver te worden. In diezelfde tijd zette hij samen met MacMillan Education de reeks Topliners op, met verhalen voor tieners geschreven door auteurs die zijn visie deelden. Algauw werd hij beschouwd als een pionier op het vlak van literatuur voor adolescenten.
 
Ook in 1968 ontmoette hij Nancy Lockwood, een tijdschriftredacteur die uit de Verenigde Staten naar Engeland verhuisd was. Ze trouwden datzelfde jaar nog, en zouden hun hele leven aan de jeugdliteratuur wijden.
 
Experimenteel
In 1975 nam Chambers een drastisch besluit: ‘Zeven jaar lang had ik boeken geproduceerd die jongeren graag lazen -- spookverhalen, bundels met korte verhalen, informatieve boeken -- maar over niet een daarvan was ik echt tevreden. [...] Het drong tot me door dat ik nu eindelijk eens moest proberen een roman te schrijven waar ik wel achter kon staan.’
 
Hij sloeg een radicaal nieuwe weg in, schreef niet langer met een lezerspubliek voor ogen, maar focuste volledig op de tekst. Het resultaat was Lang weekend op drie manieren (1978, later verschenen als Verleden week). Wanneer zijn beste vriend Morgan hem uitdaagt te bewijzen dat literatuur wel degelijk over het echte leven gaat, neemt Ditto de handschoen op: hij zal in de vorm van een fictief werk verslag uitbrengen van wat hij allemaal beleeft tijdens een weekend kamperen. Chambers schetst een boeiend beeld van de adolescentie met al zijn zo kenmerkende tegengestelde gevoelens. Maar met een herkenbaar verhaal over een opgroeiende jongen nam Chambers niet langer genoegen:
 
’Alle verhalen voor jongeren gaan nu eenmaal over rijping en ontwikkeling. […] Mijn persoonlijke ambities reikten verder. Op mijn romans en verhalen van en over jongeren wilde ik ook de narratieve strategieën gebruiken van modernisten als Joyce, Lawrence, Woolf, Kafka, Hemingway, Mansfield, Proust, Stein, Duras, Beckett, B.S. Johnson, Vonnegut, Philip Roth en nog veel meer schrijvers.’
 
Ditto’s verslag is dan ook geen rechtlijnig verteld, doorlopend verhaal, maar speelt met de chronologie, met verschillende teksttypes, met perspectiefwisselingen, met intertekstuele verwijzingen en met typografie en bladspiegel. De scène waarin Ditto zijn eerste seksuele ervaring op drie manieren beschrijft, was ongezien voor die tijd. De recensenten leken nog niet goed raad te weten met de experimentele stijl, en het boek werd lauwtjes ontvangen. Meer succes hadden twee boeken voor wat jongere lezers die Chambers daarna publiceerde. Het avonturenverhaal Het geheim van de grot (1984) en Tirannen (1985), een boek over enkele gepeste kinderen die besluiten wraak te nemen, zijn traditioneler van stijl en daardoor toegankelijker, en werden in Nederland allebei bekroond met een Zilveren Griffel.
 
Merkwaardig genoeg vermeldt het Griffel-juryrapport van 1986 nog een ander boek van Chambers: ’Dit jaar verscheen nog een ander boek van hem voor oudere kinderen -- Je moet dansen op mijn graf. Een schitterend, maar zo moeilijk boek, dat de jury de Griffel toch maar liever aan Tirannen heeft toegekend.’ Sommige juryleden vonden Je moet dansen op mijn graf zelfs het beste boek van het jaar,’maar door structuur en taalgebruik is het zo’n moeilijk boek dat het voor slechts weinigen toegankelijk zal zijn’.
 
Doorbraak
Toch is het dit boek, dat in 2022 door François Ozon succesvol verfilmd werd als Été 85, dat voor een keerpunt in de carrière van Chambers zorgt. De receptie in zijn eigen Engeland bleef moeilijk en dat zou doorheen zijn carrière nooit echt veranderen -- Chambers was als auteur nooit echt sant in eigen land -- maar internationaal en zeker ook in Nederland in Vlaanderen betekende het verschijnen van Je moet dansen op mijn graf de grote doorbraak voor Chambers. De ondertitel -- Een leven en een dood in vier delen, honderdzeventien stukjes, zes doorlopende verslagen en twee krantenknipsels, met een paar grappen, een stuk of drie puzzels, wat voetnoten en af en toe een ramp om het verhaal te laten lopen -- maakt meteen duidelijk dat Chambers opnieuw experimenteert met de vorm. Ook inhoudelijk is het boek vernieuwend. Het opent met een krantenbericht over een zestienjarige die werd gearresteerd nadat hij is betrapt op grafschennis. Dan volgt het relaas van wat voorafging: een ontmoeting op het strand, een hevige jongensliefde, de dronken belofte dat als een van hen overlijdt, de ander zal dansen op zijn graf, een ruzie, een fataal motorongeluk. Het vernieuwende zit ’m niet in het feit dat het verhaal vertelt over een homoseksuele liefde, maar in de manier waarop het dat doet: heel vanzelfsprekend, zonder schroom, zonder oordeel. De liefde tussen Hal en Barry wordt nergens geproblematiseerd, ze is net zoals elke andere liefde.
 
Met Je moet dansen op mijn graf maakte Chambers in één klap naam als een van de -- zoniet dé -- meest toonaangevende auteurs van boeken voor adolescenten. Hij zou zich voortaan exclusief toeleggen op dit genre. Er volgden nog vier grote jeugdromans, die samen met de twee eerder geschreven romans een cyclus, de Dance Sequence, vormen.
 
In Nu weet ik het (1987), dat opnieuw is opgebouwd uit verschillende tekstsoorten, gaat de zeventienjarige overtuigd atheïstische Nik voor een schooltaak op zoek naar het wezen en de zin van het geloof en komt hij in contact met Julie, die ’sterk in het geloof is maar zwak in de liefde’. Het boek, dat weinig actie bevat en waarin de gedachten van Nick over religie en spiritualiteit centraal staan, werd minder enthousiast ontvangen.
 
De zeventienjarige Jany uit het met een Zilveren Griffel bekroonde De tolbrug (1993) heeft er genoeg van dat iedereen in zijn omgeving zich bemoeit met zijn toekomst. Hij neemt een baan aan in een afgelegen tolhuis om in alle rust uit te zoeken wie hij eigenlijk is. Hij krijgt er al snel het gezelschap van Tess, de dochter van zijn baas, en de zonderlinge Adam. De rijke en knap opgebouwde roman is een van de hoogtepunten in Chambers’ oeuvre.
 
In Niets is wat het lijkt (2000), bekroond met de Carnegie Medal en de Michael Prinz Award,, lopen twee verhalen door elkaar: dat van Jacob die naar Nederland reist om de herdenkingsdienst voor zijn grootvader bij wonen, en dat van de oude Gertrude die aan het eind van haar leven terugdenkt aan de grote liefde die ze tijdens de Tweede Wereldoorlog beleefde met een Engelse soldaat. Hoewel thema’s als euthanasie en seksuele ambiguïteit opduiken is het boek conventioneler dan overig werk van Chambers, en overtuigt het verhaal minder.
 
Dit is alles: het hoofdkussenboek van Cordelia Kenn (2007) is het sluitstuk van de Dance Sequence. Voor één keer kiest Chambers voor een vrouwelijk hoofdpersonage: de negentienjarige Cordelia Kenn is zwanger en besluit in notitieboekjes alles op te te schrijven wat ze de afgelopen vijf jaar belangrijk vond in haar leven als een cadeautje dat ze haar nog ongeboren dochter bij haar zestiende verjaardag zal geven. Voor deze ambitieuze onderneming koos Chambers voor de vorm van een Japans hoofdkussenboek. In een myriade aan literaire vormen ontstaat het portret van een uitzonderlijke jonge vrouw, die openhartig schrijft over een waaier aan onderwerpen. Een achthonderd pagina’s tellende krachttoer waarin Chambers werkelijk alles uit de kast haalde.
 
Beeld van een opgroeiende jongen
In 2002, nog voor het voltooien van de Dance Sequence ontving Chambers voor zijn romans de prestigieuze Hans Christian Andersen Prijs, de hoogste onderscheiding binnen de wereld van de kinder- en jeugdliteratuur, toen ook wel de Nobelprijs voor de jeugdliteratuur genoemd. Uit het juryrapport:
 
’In choosing Aidan Chambers as the author winner, the jury paid tribute to his literary skill, his handling of varied narrative techniques and his careful choice of topics within the young adult world. His writing shows a clear understanding of the adolescent mind. There is suspense in each gripping storyline with thoroughly real characters. Aidan Chambers' books are for teenage readers who enjoy being led into realms of a deeper appreciation of life.’
 
De Dance Sequence is een zeer atypische reeks. De zes boeken gaan elk over andere personages, spelen zich op steeds andere plekken af, hebben elk een ander hoofdthema, en kunnen probleemloos los van elkaar worden gelezen. Toch zijn ze aan elkaar verwant, zo schreef Chambers: ’Een cyclus’ omdat het net familieleden van klaar zijn. Elk van hen is een individu en heeft een eigen persoonlijkheid, staat om het zo te zeggen op eigen voeten, maar elk is genetisch verwant aan de andere.’
 
De verwantschap zit onder meer in de experimentele structuur, het gebruik van verschillende tekstsoorten, vertelinstanties, registers en literaire technieken en door het opvoeren van hoofdpersonages die veel met elkaar gemeen hebben. Ditto, Hal, Nik, Jany, Jacob en Cordelia zijn eenzelfde type jongere: introverte, intelligente, erudiete en talig sterke jongeren, die veel en diep nadenken, met een opmerkelijk schrijftalent en een grote liefde voor literatuur. En allemaal zijn ze, op de drempel van de volwassenheid, op zoek naar zichzelf en naar wie ze zijn.
 
In elk van de boeken treedt een aspect van het leven naar voren, een ervaring waarmee jongeren geconfronteerd kunnen worden: ’Mijn boeken zijn een verkenning van de dingen die ertoe doen. Liefde, seks, vriendschap, dood. Zaken blootleggen, geheimen onthullen [...] Het is het leven dat ik laat zien.’ Door middel van de leeservaring wil Chambers de jonge lezer kansen bieden om meer over zichzelf te ontdekken en voorbeelden aanreiken van hoe anderen omgaan met existentiële levensvragen en problemen omgaan die zij ook ervaren, met niet alleen aandacht voor fysieke en emotionele aspecten, maar ook voor het cognitieve, het talige en het intellectuele, aspecten die volgens Chambers in de toenmalige jeugdliteratuur te zeer verwaarloosd werden. Samen vormen de zes boeken een boeiende exploratie van de levensfase die Chambers in zijn theoretisch werk de tussentijd noemt, de tijd tussen kindertijd en volwassenheid, en schilderen ze een omvattend beeld van een opgroeiende jongere, van volwassen worden in de laatste decennia van de twintigste en de eerste jaren van de eenentwintigste eeuw.
 
Grondlegger
De Dance Sequence is onmiskenbaar het magnum opus van Chambers. Het belang ervan kan nauwelijks overschat worden. In een tijd dat het ’probleemboek’ hoogtij vierde, brak Chambers met het genre en koos hij resoluut en compromisloos voor het schrijven van literair hoogstaande, experimentele jeugdromans. Het is niet overdreven om te stellen dat Chambers zo de adolescentenliteratuur op de kaart zette en er een van de grondleggers van was. Van Lierop-Debrauwer & Bastiaansen-Harks noemen Chambers in 2005 nog steeds ‘zonder twijfel de meest interessante auteur in de ontwikkeling van de literaire adolescentenroman’.
 
De impact op de jeugdliteratuur was bijzonder groot. Door te tonen hoe gelaagd, diepgaand en verrijkend jeugdromans kunnen zijn, door te tonen dat literatuur voor jongeren Literatuur met hoofdletter L kon zijn, even rijk en complex als romans voor volwassenen, heeft Aidan Chambers de literaire lat zeer hoog gelegd. Op die manier werd zijn werk voor andere schrijvers zowel een bron van inspiratie als een maatstaf. Ook in ons taalgebied waagden auteurs zoals Bart Moeyaert zich onder zijn impuls aan het schrijven van literaire fictie voor adolescenten. Zo heeft Chambers mee bijgedragen aan de literaire emanciptatie van de Nederlandse en Vlaamse jeugdliteratuur.
 
Daarbij was hij een van de eersten die geen toegevingen deed om ’op maat’ van een jong publiek te schrijven, maar integendeel ook voor zijn lezers de lat hoog legde. Zijn romans zijn geen voorgekauwde kost, geen snelle hap, maar teksten die de lezers uitdagen en van hem een inspanning verwachten. Zo laat hij zijn lezers, zonder hen te betuttelen, nieuw terrein verkennen. Door de vele lege plekken (Wolfgang Iser, 1970), door Chambers in het artikel ’The Reader in the Book. Notes from Work in Progress’ tell-tale gaps genoemd, in zijn romans wordt van de lezer bovendien een actieve rol houding gevraagd: hij moet zelf op zoek gaan naar betekenis. Als Chambers daardoor niet alle jongeren bereikte, was dat maar zo, vond hij: ’Een boek hoeft niet door elke lezer gelezen te worden en een schrijver moet dat boek schrijven dat uit zijn pen wil komen [...] Natuurlijk wil ik graag gelezen worden, maar wanneer ik schrijf trek ik me daar geen klap van aan. Er zijn al stapels boeken die zich keurig gedragen. Die vervelen mij buitengewoon.’
Ook in recensies ging het weleens over het lezerspubliek. De literaire en esthetische kwaliteiten, de experimentele stijl, de diepgang en de innovativiteit van Chambers’ romans werden vaak geprezen, waarbij soms werd opgemerkt dat Chambers’ manier van schrijven lastig kan zijn voor  adolescenten met weinig leeservaring. Toch werd dit niet steeds als negatief beoordeeld, voor tal van critici hing dit net samen met het hoge literaire gehalte van de boeken.
 
Lezersgerichte recensenten beoordeelden dit aspect vaak wel negatief. Zij wezen er bovendien op dat Chambers’ hoofdpersonages weinig geloofwaardig zouden zijn, wat herkenning bij de lezer in de weg zou staan. De personages zouden pedante en hyperintelligente intellectuelen zijn, die (te) veel denken en lezen, zich bedienen van een vocabulaire dat dat van de gemiddelde tiener ver overschrijdt en kwistig met citaten en intertekstuele verwijzingen naar de wereldliteratuur strooien. Onrealistisch, volgens deze critici.
 
Chambers zelf wees erop dat hij niet voor of over ’het gemiddelde kind’ schreef, maar dat dat niet betekent dat zijn hoofdpersonages niet realistisch zouden zijn. De intelligente jongeren die veel nadenken over het leven, over de daarbij horende levensvragen en over hoe ze die in taal kunnen vatten, bestaan ook. Vanuit zijn diepgewortelde overtuiging dat het belangrijk is dat jongeren zich in een boek kunnen herkennen, wou hij net voor deze jongeren schrijven:
 
‘Toen ik begon, als leraar en als schrijver, raakte ik erom bekend dat ik het opnam voor kinderen uit een milieu zonder enige literaire achtergrond: de arbeidersklasse. Dat soort kinderen kwam ook niet voor in boeken – tenzij een keertje als komisch personage. Er bestonden geen boeken over hen, die moesten nog geschreven worden. Tien jaar lang heb ik dat soort literatuur proberen te leveren, iets waar ik overigens niet goed in was. Tegenwoordig is dat helemaal het probleem niet meer. In dat soort boeken wordt nu eindeloos voorzien. De wereldcultuur is beangstigend populistisch geworden. [...] De adolescent die ernstig wil zijn, die bewust met het leven wil omgaan, die intellectueel actief wil zijn, die wil studeren of bezig zijn met iets “onmodieus”: die moet nu onze steun krijgen. Die heeft hij hard nodig. En de beste steun die je kunt krijgen is jezelf terug te vinden in een andere wereld, een ander leven.’
 
Anne Frank  
Tijdens een interview illustreerde hij dat met een pakkend voorbeeld: ’Net voor ik hierheen kwam, kreeg ik een e-mail van een zesentwintigjarige Japanse jongen: “Ik heb Dance on my Grave gelezen toen ik 15 was, en nu pas besef ik hoe belangrijk dat boek voor mij geweest is.” Dat is hoe literatuur werkt. Om een echte lezer te worden, moet je jezelf vinden in een boek. Veel lezers kunnen je over zo’n herkenningservaring vertellen. Dat Japanse bericht was natuurlijk fijn voor mij, maar het is rampzalig dat je de adolescentieleeftijd kunt bereiken zonder dat je in de literatuur die ze je doen lezen of bestuderen jezelf hebt herkend. Dat is ontstellend.’
 
Zijn referentiepunt voor de vraag wat een vijftienjarige kan denken is Anne Frank: ‘Natuurlijk kun je zeggen dat ze een uitzondering is. Maar het zijn net de uitzonderingen die ons tonen wat mogelijk is. Alle grote schrijvers zijn uitzonderingen. Zij schrijven wat wij niet kunnen schrijven. Dat is net wat Anne Frank deed: ze schreef wat de meeste tieners niet konden schrijven. Maar dat zij het deed, bewijst dat het mogelijk is. Bij het schrijven van een inwendige monoloog van een tiener-personage, vraag ik me wel eens af: zou Anne hiertoe in staat zijn geweest? Als het antwoord ja is, zit ik goed.’
 
Na de voltooiing van de Dance Sequence brak voor Chambers een periode aan waarin hij leek te zoeken naar wat hij, in een sterk veranderende wereld én boekenlandschap, wilde vertellen en naar hoe hij dat wilde doen.
 
Dit is mijn dag (2011) is het laatste boek van Chambers dat in Nederlandse vertaling is uitgebracht. Het is een bundel korte teksten, over uiteenlopende thema's en geschreven in verschillende stijlen en genres (kortverhalen, brieven, dialogen…). Enkele verhalen behoren tot de flash fiction, zeer korte verhalen van maximaal duizend woorden. In het nawoord gaf Chambers uitleg over het genre en besprak hij de literaire waarde en het belang ervan. Dat het ideaal is ’voor het lezen en schrijven op de beeldschermpjes van laptops, smartphones en e-readers’ lijkt een van redenen waarom hij, in tijden van ontlezing en de opkomst van nieuwe media, met het genre experimenteerde. Om diezelfde reden experimenteerde hij ook een tijdlang in de eigen app Tablet Tales, met schrijven op de tablet: ’Het schijnt me toe dat de iPad een nieuwe ontwikkeling is, een ontwikkeling van wezenlijk belang, die ongetwijfeld nieuwe vormen van schrijven en nieuwe manieren van lezen zal voortbrengen.’
 
Hij publiceerde nog enkele romans, waaronder Dying to Know You, het autobiografische A Tidman Bundle en Today I Did Nothing. Een maand voor zijn overlijden publiceerde hij, in eigen beheer, zijn laatste boek, The Vale of Soul-Making.
 
Essentiële levensvragen  
’Alles wat geschreven is, is een gave’, schreef Aidan Chambers in Dit is alles. Op de vraag wat hij zijn lezers wilde meegeven, antwoordde hij:
 
‘Ik wil hun een object geven, iets persoonlijks en intiems – vergelijk het met een ring – dat in zich het beste draagt van wat ik kan zeggen, op de beste manier waarop ik het kan uitdrukken, over wat ik weet over de essentiële levensvragen. Die essentiële vragen betreffen voor mij het bewustzijn van jezelf, de taal als het medium dat we gebruiken om over onze diepste gedachten te communiceren en de centrale rol van liefde als datgene wat ons redt, dat wat het de moeite waard maakt. Die liefde neemt verschillende vormen aan, die ik in mijn boeken bestudeerd heb. Daarom wil ik dat mijn boeken zo rijk zijn als ik ze kan maken, zelfs als het de lezer afschrikt of  nerveus maakt. Want als je iemand het beste van jezelf wilt geven, dan vraagt dat tijd – tenzij je weinig te geven hebt. Dat kan een heel leven duren. Ik ben Shakespeare beginnen lezen als tiener, en lees hem nog altijd. Ik kijk sinds die leeftijd ook naar de schilderijen van Rembrandt, en nog steeds zie ik er dingen in die ik eerder niet zag. Dat is toch prachtig?’
 
Dat rijke oeuvre is echter niet zijn enige gift. Want Sons and Lovers, het boek dat destijds het leven van de vijftienjarige Chambers veranderde, maakte in hem niet alleen de wens wakker om schrijver te worden, het maakte van hem ook een hartstochtelijk lezer én het doordrong hem van het besef hoeveel lezen kan betekenen - en hoe belangrijk het is dat ieder van ons de kans krijgt om dát boek op zijn pad te vinden dat hem een levensveranderende leeservaring kan bezorgen.
 
Zijn hele leven lang zou lezen de kern uitmaken van zijn werk. En als Chambers het had over lezen, had hij het niet over een hobby: ’Het belang van lezen gaat echt niet alleen over een fijn tijdverdrijf, over leesplezier. Het belang van lezen heeft niets te maken met liever een boek lezen dan naar een voetbalwedstrijd of een film gaan. Het is geen keuze. Het is essentieel.’
 
Als jonge leerkracht werd hij geconfronteerd met de realiteit van jongeren die niet lazen omdat het bestaande boekenaanbod hen niet aansprak. In 1969 formuleerde hij zijn bezorgdheid in de polemische tekst  The Reluctant Reader, waarin hij pleitte voor een tussenvorm tussen kinder- en volwassenliteratuur, want ’de stap van Blyton naar Dostojevski is wel erg groot.’ Er was dringend nood aan een soort literaire EHBO voor jongeren, om te voorkomen dat ze deel zouden gaan uitmaken van de 60% volwassenen die na hun schooltijd nooit nog een boek openslaan.
 
Chambers hekelde de dubbele moraal van ouders en leraren die zelf gretig thrillers verslonden, maar van kinderen verwachtten dat ze zich verdiepten in Dickens en Walter Scott. De wereld van het kinderboek werd ondertussen gedomineerd door een klein clubje keurige uitgevers uit de middenklasse, die zich opwierpen als plaatsvervangende opvoeders en alles wat te gedurfd was eruit filterden. ’Het zijn vast heel aardige mensen,' schreef Chambers, ’maar hun ideeën over wat jongeren leuk vinden zijn gebaseerd op een handjevol voorbeelden.’
 
Om die nood te lenigen ging hij niet alleen zelf aan het schrijven, maar lanceerde hij op vraag van Macmillan Education ook Topliners, een baanbrekende reeks boeken voor jongeren die niet graag lazen, geschreven door auteurs die Chambers’ visie deelden, onder wie Joan Aitken en Michael Morpurgo. De toegankelijke verhalen, die direct aansloten op de belevingswereld van de toenmalige tieners, gingen over thema’s als seks, raciale verhoudingen, echtscheiding, kanker en drugsverslaving. De boeken verkochten als zoete broodjes. In 1975, op het hoogtepunt van hun succes, werden meer dan 450.000 exemplaren per jaar verkocht.
 
Lezen, een kwestie van overleven
Chambers’ interesse beperkte zich niet tot louter het boekenaanbod voor jongeren. Alles wat met jeugdliteratuur en lezen te maken had, droeg zijn belangstelling weg. In 1969 richtte hij samen met zijn vrouw Nancy de uitgeverij Thimble Press, waar ze kritische publicaties en studies uitgaven op het vlak van jeugdliteratuur, onder meer baanbrekend werk van Margaret Meek en Peter Hollindale.
 
Thimble Press was ook de uitgever van Signal: Approaches to Children’s Books, een hoog aangeschreven en invloedrijk tijdschrift, dat drie keer per jaar verscheen en bijdragen en abonnees van over de hele wereld had. Elk nummer bundelde artikelen over heel uiteenlopende aspecten van de jeugdliteratuur: van het schrijven en illustreren van kinderboeken, tot onderwijstheorie en -praktijk, van literaire kritiek en recensies tot vertalingen, van bibliografie, biografie en persoonlijke memoires tot literaire geschiedenis. Het doel? ’We wilden een plek creëren voor lange en intelligente kritische stukken, zonder rekening te moeten houden met een populair publiek, stukken die het kritische denken over kinderboeken op een hoger niveau zouden tillen.’ Meer dan dertig jaar en honderd nummers lang zouden de Chambersen zo de kritische reflectie over jeugdliteratuur aanmoedigen. Voor die inspanningen ontvingen ze in 1982 samen de Eleanor Farjeon Award. Samen met Nancy schreef en presenteerde hij in het begin van de jaren 1970 ook het radioprogramma Bookbox.
 
Chambers schreef ook zelf over kinderen, lezen en jeugdliteratuur. In lijn met het ruime opzet van Signal behandelden zijn stukken zeer uiteenlopende onderwerpen. Aanvankelijk schreef hij vooral kritieken in onder meer Books and Book Men en Times Educational. Zijn artikel ’The reader in the Book’, over de implied reader in kinderboeken, werd in 1979 bekroond met de eerste Amerikaanse Children’s Literature Association award for critical writing.
 
In het in 1985 verschenen Booktalk. Occasional Writing on Literature & Children bundelde hij artikels, essays en teksten van lezingen over onderwerpen als onder meer de rol van boeken in het leven van kinderen, het wezen van literatuur, een inkijkje in zijn eigen werk en het leesonderwijs. Een tweede bundel, Reading Talk (2001), bevatte opnieuw artikels over uiteenlopende onderwerpen, van Anne Frank over vertalingen tot de toekomst van het boek.
 
Maar hoe breed ook de interesse van Chambers, stilaan kristalliseerden zich enkele thema’s uit waarop hij zich zou gaan focussen.Vanuit zijn vaste overtuiging dat lezen van levensbelang is, én dat iedereen een lezer kan worden, besteedde hij veel aandacht aan leesbevordering. ’In onze cultuur is lezen ook een kwestie van overleven,’ aldus Chambers. ’Er is iets in het menselijke ras dat voortdurend mensen uitsluit die niet functioneren binnen het machtssysteem. En in onze cultuur is leesvaardigheid, geletterdheid, een van de dominantste elementen binnen dat machtssysteem. [...] Het is een wrede waarheid dat veel mensen daar moeite mee hebben en uit een gezin zonder leesachtergrond komen. Als daar niets aan gedaan wordt, blijven ze benadeeld.’ De vraag hoe je alle kinderen aan het lezen krijgt, was daarom voor hem fundamenteel.
 
Leesplezier is niet voldoende  
Hij ontwikkelde het concept van de ’helpende volwassene’. Om een vaardigheid, ook lezen, onder de knie te krijgen, hebben kinderen volwassenen nodig die hen tonen hoe het werkt. Dat geldt voor het aanvankelijk lezen, het technisch leren decoderen van letters en woorden op papier, maar evenzeer voor wat daarop volgt.
 
’Een lezer, alle lezers maar vooral kinderen en jongeren, kunnen pas uitgroeien tot aandachtige, kritische en brede lezers als ze daarbij de steun krijgen van leraren, ouders vrienden, rijpere lezers alleen dan zullen ze plezier krijgen in het ontdekken van ‘moeilijke’ boeken -- de boeken waarmee ze nog niet vertrouwd zijn -- en hoe ze die kunnen lezen’, zei Chambers daarover.
 
Zijn eigen ideeën hierover maakten een ontwikkeling door. Aanvankelijk, in de jaren 1950, was hij ervan overtuigd dat leesplezier dé sleutel was om van kinderen en jongeren lezers te maken: ‘Ons uitgangspunt was: tenzij je ervan leert te genieten, kun je enkel een onwillig lezer worden, een lezer tegen je zin. Dus legden we de nadruk op leesplezier en zochten we boeken die ze uit zichzelf leuk zouden vinden. En dan probeerden we meer van die boeken te vinden, om hun leesplezier te bevestigen. En zoals iedereen toen dacht ik een tijdlang dat dat voldoende was.’
 
Maar dat was niet voldoende, ontdekte hij: ’Het enige wat je doet is lezers creëren die altijd maar hetzelfde soort boeken leest, op steeds dezelfde manier. Je leert ze gewoon hun weg door papier te kauwen. Het Harry Potter-syndroom. Een eenzijdige smaak is geen opvoeding. Die “lezers” lezen niet om meer te doen dan ze daarvoor hebben gedaan, om meer te zijn dan ze daarvoor waren. Het is de taak van de leerkracht om je boeken te geven waarvan jij nog niet weet dat je ze misschien leuk vindt, en je te helpen ze graag te lezen. Zó word je een lezer.’
 
Hij wees op de ongemakkelijke waarheid ’dat als je plezier wilt vinden in dingen die een grote rijkdom en kwaliteit in zich dragen, er altijd een moeilijk moment is waar je door moet. Het is erg moeilijk om goed piano te leren spelen, je moet door saaie momenten heen, daar kun je niet rond. Met lezen is dat net zo. Wanneer kinderen op het punt staan een hoger niveau van leesvaardigheid te bereiken, zullen er momenten zijn dat ze het te lastig, te saai vinden. Hoe je daarmee om moet gaan, is een didactisch probleem. Als je op het niveau blijft steken dat je kinderen gewoon laat lezen wat ze willen lezen, voed je ze maar half op, en dat is niet genoeg.’
 
Chambers’ ideeën hierover sluiten aan bij wat Lev Vygotsky de ’zone van de naaste ontwikkeling’ noemt. Die zone heeft betrekking op de potentiële leermogelijkheden van een kind: wat een kind alleen kan, is het huidige ontwikkelingsniveau en wat het kan met hulp van een ander is zijn potentiële ontwikkelingsniveau. Chambers was ervan overtuigd dat wanneer je kinderen er met de hulp van een volwassene toe kunt brengen die boeken te lezen die ze zelf nog moeilijk vinden, ze er uiteindelijk ook plezier aan beleven - alleen is dat plezier er vaak niet onmiddellijk.
 
Vertel eens
In de wetenschap dat de meeste kinderen opgroeien in een gezin zonder leescultuur, zag Chambers een belangrijke rol weggelegd voor de leerkracht. Dat hij het belang van de leraar in het helpen van leerlingen kritische lezers te worden, had hij trouwens zelf ervaren. Wellicht verklaart dat mede waarom hij er zich een leven lang onvermoeibaar voor zou inzetten.
 
Dat deed hij eerst als leerkracht in middelbare scholen, en later door leerkrachten zelf te vormen. Hij gaf les in het hoger onderwijs, was een invloedrijke gastdocent aan Westminster College in Oxford, dat toen een gezaghebbend instituut voor lerarenopleiding huisvestte,  en gaf bijscholingscusussen voor leerkrachten.
 
Hij publiceerde ook twee boeken met ideeën en praktische handvaten voor volwassenen - in eerste instantie leerkrachten en bibliotheekmedewerkers - die met kinderen aan de slag willen gaan op het vlak van lezen. Deze bijzonder toegankelijke en vlot lezende boeken tonen Chambers’ enorme didactische talent. De twee boeken lezen als het ware als een praktische handleiding, waarin Chambers als een zeldzaam begaafd leraar zeer laagdrempelig stap voor stap, en met veel concrete voorbeelden, uitlegt hoe leerkrachten aan de slag kunnen.
 
In De leesomgeving (1991) laat Chambers zien hoe volwassenen kinderen kunnen helpen van boeken te genieten door een aangename leesomgeving te creëren en activiteiten aan te bieden die het lezen stimuleren.
 
In Vertel eens (1993) gaat hij dieper in op hoe je als volwassene kinderen kunt helpen goed te praten over wat ze gelezen hebben, en hun leeservaringen te verdiepen. Chambers baseerde zich hiervoor op zijn eigen ervaring als leerkracht, het werk van een werkgroepje leerkrachten waartoe hij zelf behoorde en inzichten uit de fenomenologie van het lezen (Wolfgang Iser), de receptietheorie, de feministische kritiek en de geschriften van denkers als Roland Barthes en Margaret Meek. De Vertel Eens-aanpak is een specifieke vorm van gesprek, waarbij kinderen samen over een boek praten, en de leerkracht dat gesprek op gang brengt en houdt door het stellen van specifieke vragen. Niet alleen voelen de kinderen zich serieus genomen en groeit hun zelfvertrouwen als lezer, ze verwerven ook inzicht in hun leeservaring. Door dergelijke zinvolle gesprekken komen ze, aldus Chambers, ’hoger op de literaire leeslat terecht’ en krijgen ze meer plezier in lezen.
 
De methode, die in de jaren ’90 revolutionair was, heeft ook in tal van scholen en in bibliotheken in Nederland en Vlaanderen breed ingang gevonden. Nu, dertig jaar later, kan nog steeds niemand uit het onderwijs en de bibliotheek om Chambers’ inzichten en aanpak heen.
 
Die ruime verspreiding is mede te danken aan de vele lezingen en workshops die Chambers decennialang en tot op hoge leeftijd in binnen- en buitenland heeft gegeven, over zijn eigen boeken, over jeugdliteratuur en over, misschien wel zijn stokpaardje, hoe je kinderen aan het lezen krijgt, onder meer via de Vertel Eens-aanpak. Die laatste demonstreerde hij in praktische workshops, waarin Chambers de rol van leraar opnam en de aanwezigen in de huid kropen van leerlingen, waardoor ze niet alleen inzicht kregen in de methode maar die vooral ook aan den lijve konden ervaren.
 
Zo heeft Chambers - charismatisch en begenadigd spreker en onvermoeibaar leesbevorderaar - een bijzonder grote impact gehad, niet alleen binnen het veld van de jeugdliteratuur, maar ook daarbuiten. Zijn begeesterende lezingen waren legendarisch, voor vele toehoorders en deelnemers waren ze een onvergetelijke ervaring die ze meenamen in hun verdere werk. ’Daar stond hij dan voor een zaal van 300 mensen. En wat ik pas gaandeweg ben gaan beseffen, is wat een effect het heeft als je zo’n groep toespreekt, vertelt Bart Moeyaert daarover. Chambers gooide steentjes in het water en heeft ’zo kringen gemaakt die steeds verder uitdeinden.’
 
Dat was precies wat Chambers wilde bereiken. Gedreven door zijn liefde voor het lezen wilde hij zijn visie zo ruim mogelijk verspreiding, het vuur aanwakkeren,  maar ook brandend houden: ’Er wordt wel eens gezegd dat je voor de bekeerden niet hoeft te preken. O jawel. Niemand heeft meer aanmoediging nodig dan wie al bekeerd is. Diegenen die al denken op de manier dat jij wilt dat er gedacht wordt, moet je ondersteunen, informeren en aanmoedigen.’
 
Voor zijn educatieve verdiensten ontving hij in 2010 de Lifetime Achievement Award for Services to English Education.
 
Tussentijd
In 2002 verscheen Tussentijd. Over het schrijven voor jongeren, waarin Chambers inging op zijn andere grote en levenslange interesse: de literatuur voor jongeren die zich in de levensfase tussen kindertijd en volwassenheid bevinden, die hij de ’tussentijd’ noemt. In veertien essays en één interview verkent hij verschillende aspecten van de literatuur voor deze leeftijdsgroep: de aard van de jongere, de voorlopers en de geschiedenis van het genre,verschillende verteltechnieken, een analyse van eigen werk enz.
 
Essentieel voor Chambers zijn de ervaringen die geassocieerd worden met deze levensfase. Het groeiende zelfbewustzijn, de heftige en vaak verwarrende emoties, de drang naar autonomie, het zich losmaken van de ouders… Voor Chambers was het zonneklaar: ‘Wil literatuur jongeren aanspreken, dan moeten hun boeken gebruik maken van de ervaringen en de taal van adolescenten en tegelijkertijd meegroeien met de eigen, geheime, innerlijke én sociale omstandigheden van jongeren.’ Hij betoogt dat in de literatuur voor adolescenten vaak overmatig veel aandacht gaat naar emotionele en fysieke aspecten, en te weinig naar het cognitieve, het talige, het intellectuele, het spirituele. Net die aspecten die Chambers ook steeds in zijn eigen jongerenromans heeft proberen te verkennen.
 
Chambers ziet ’fictie voor jongeren [...] als een eigen vorm van literatuur’ die ’het waard is om bestudeerd en bewaard te worden’. ’De beste jeugdfictie,’ zo stelt hij, ’is net zo goed als de beste literatuur voor volwassenen. Je leest het vanwege de literaire waarde.’ Hij pleit daarom voor ’een autonome adolescentenliteratuur die een eigen canon en een eigen poëtica verdient.’
 
Bijzondere aandacht gaat naar de zogenaamde recognition story. Daarmee bedoelt hij boeken die de lezer tijdens het lezen herkenningsmomenten bezorgen die hem aan het denken zetten over zichzelf en inzicht laten verwerven: wie ben ik en wat wil ik met mijn leven? Die momenten hebben iets van een epifanie: ’Alsof fictie, een verhaal, iets kan 'openbaren', duidelijk maken dan wel bevestigen wie je bent. [...] Zoiets had ik zelf ervaren toen ik, 15 jaar oud, Sons And Lovers van D.H. Lawrence las.’
 
Chambers betoogt dat herkenning en identificatie net bij jongeren van het hoogste belang zijn: ’Ik weet vanuit mijn persoonlijke ervaringen en mijn ervaringen als docent dat je pas een toegewijde literair lezer wordt als je jezelf terugvindt in gedrukte literatuur. (...) Je mag dan de door school voorgeschreven teksten lezen en er goed genoeg over praten en schrijven om je examens te halen, maar je leest niet om te leven.’ Hij noemt herkenning een wezenlijke eigenschap in adolescentenliteratuur.
 
Typisch voor recognition stories is dat de auteur in zijn boek een (jong) personage opvoert, dat in het verhaal ook zelf tot een groter (zelf)inzicht komt. De daarbij horende ervaringen, gevoelens en levensvragen worden door de auteur in woorden gevat waarin de lezer zich wél kan herkennen, maar waar hijzelf nog geen woorden voor had. Het is in dit samenspel tussen auteur en lezer dat de lezer ook zelf gaat nadenken over zijn eigen leven en een wezenlijk deel van het proces wordt.
 
Zeldzame rijkdom
Chambers’ eigen De tolbrug werd vaak genoemd als een perfect voorbeeld van de recognition story, en dat mag niet verbazen, want in zijn werk stond niets los van het andere. Er bestond een unieke en voortdurende wisselwerking tussen zijn eigen oeuvre, zijn ideeën over hoe literatuur voor jongeren eruit hoort te zien en zijn visie op leesbevordering.
 
Met zijn buitengewoon veelzijdig talent en zijn tomeloze inzet, met zijn prachtige taal en zijn scherpzinnige geest, met zijn begeesterend optreden en zijn diepgaand en immens inzicht heeft hij de jeugdliteratuur en het denken over kinderen en lezen naar een hoger niveau getild.
 
Onvermoeibaar leesbevorderaar. Bijzonder begaafd leraar. Baanbrekend en internationaal gelauwerd auteur. Begenadigd spreker. Een van grootste denkers die de jeugdliteratuur gekend heeft. Grensverleggend wegbereider. Vurig pleitbezorger.
 
Hoeveel epitheta kan één mens dragen? Aidan Chambers verdiende ze allemaal. En alles, alles was hij deed, was doordrongen van zijn diepe liefde voor het lezen en de literatuur. Het jongetje dat negentig jaar geleden geboren werd in een familie van nauwelijks lezende mijnwerkers, dat zelf de techniek van het lezen pas op zijn negende onder de knie kreeg en dat op zijn vijftiende omver werd geblazen door de levensveranderende kracht van de literatuur, is niet meer. Maar zijn nalatenschap is enorm en van een zeldzame rijkdom.
 
Merci et chapeau bas, Aidan

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, DECEMBER 2025

De zwarte poel

Jan Vantoortelboom

Engelenbrood

Patti Smith

Het Nachtlicht

Erik Vlaminck

Sodomiet

Alexandre Vidal Porto

Wie is bang voor vrouwelijke kunstenaars? Belgische kunstenaressen van 1880 tot nu

Christiane Struyven

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, DECEMBER 2025

De geheime bibliotheek. Wie redt de magische boeken?

Nina George, Jens J. Kramer, Hauke Kock (ill.)

Kiki & ik

Leo Timmers

Peter Pan

J.M. Berrie, Floor Rieder (ill.)

Plassen op schrikdraad

Simon van der Geest, Karst-Janneke Rogaar (ill.)

Properzia

Jean-Claude Van Rijckeghem

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri