Toen Aidan Chambers in 2009 op de Dag van de Literatuureducatie in Mechelen voor een publiek van leerkrachten een lezing hield over ‘enkele oude en nieuwe waarheden over lezen’, stond, op zijnvraag, op een groot scherm bij de ingang te lezen: ‘Als je dit kunt lezen, heb je dat aan een leerkracht te danken.’
Het had een boutade
kunnen zijn, maar dat was het niet. Chambers wist waarover hij het had. Dat hij
daar die dag stond, had hij zelf aan een leerkracht te danken. Want het leek
bepaald niet voorbestemd dat de jongen die in het Noord-Engelse
Chester-le-Street opgroeide in een huis waar maar vijf boeken aanwezig waren --
een bijbel, een woordenboek, twee handleidingen en een geïllustreerde bundel
fabels -- en die pas op zijn negende de techniek van het lezen ‘een beetje
onder de knie kreeg’, een fervent lezer en een internationaal gevierd auteur
zou worden. Dat hij dat wel werd, had hij te danken aan Jim Osborn, zijn
bevlogen leerkracht Engels in de middelbare school.
Levenslange liefde
Osborn -- die later een belangrijke
rol toebedeeld kreeg in Je moet dansen op
mijn graf -- moedigde de jonge Chambers aan om veel en breed te lezen en
een persoonlijke bibliotheek op te bouwen. Chambers, die onder zijn impuls een
levenslange liefde voor het lezen opvatte, zou later meermaals benadrukken dat
Osborn daarmee zijn leven had veranderd. Even levensveranderend was de lectuur
van een van de boeken die hij via Osborn leerde kennen: Sons and Lovers van D.H. Lawrence. Hij voelde een intense
verwantschap met het personage van Paul Morel en met het portret dat werd
geschetst van het leven in de -- zijn -- mijnwerkersstreek: ´Voor het eerst las
ik een boek waarin ik mezelf echt herkende. Het leven dat ik kende, kreeg
betekenis toen ik het in geschreven tekst terugvond, een betekenis die het
voorheen niet had.’ De jonge Aidan besefte dat hij ook schrijver wilde worden.
Het zou nog een hele tijd
duren voor die droom werkelijkheid werd. Nadat hij, in de voetsporen van en
aangemoedigd door Osborn, een lerarenopleiding had gevolgd, ging Chambers aan
de slag als leraar Engels. Toen hij er niet in slaagde boeken te vinden die
zijn tienerleerlingen konden bekoren, bedacht hij dat hij ‘het soort fictie
moest proberen te schrijven dat mijn leerlingen leuk schenen te vinden maar dat
nergens te vinden was’. Op zijn vraag lijstten zijn leerlingen de criteria op
waaraan zo'n boek moest voldoen: ze wilden verhalen lezen waarin ze zichzelf en
hun eigen leven herkenden, de verhalen moesten kort zijn en zeker geen
historische of fantasyverhalen zijn.
Chambers’ eerste twee boeken, Cycle Smash (1967) en Marle (1968), over respectievelijk een
jonge hardloper die na een motorongeluk in een rolstoel belandt en een
zeventienjarige jongen die zijn eiland achterlaat om zijn vriendin te volgen
naar de stad, voldeden aan die criteria. In 1968 stopte hij met lesgeven om
fulltime schrijver te worden. In diezelfde tijd zette hij samen met MacMillan
Education de reeks Topliners op, met verhalen voor tieners geschreven door
auteurs die zijn visie deelden. Algauw werd hij beschouwd als een pionier op
het vlak van literatuur voor adolescenten.
Ook in 1968 ontmoette hij Nancy
Lockwood, een tijdschriftredacteur die uit de Verenigde Staten naar Engeland
verhuisd was. Ze trouwden datzelfde jaar nog, en zouden hun hele leven aan de
jeugdliteratuur wijden.
Experimenteel
In 1975 nam Chambers een drastisch besluit: ‘Zeven jaar lang had ik
boeken geproduceerd die jongeren graag lazen -- spookverhalen, bundels met
korte verhalen, informatieve boeken -- maar over niet een daarvan was ik echt
tevreden. [...] Het drong tot me door dat ik nu eindelijk eens moest proberen
een roman te schrijven waar ik wel achter kon staan.’
Hij sloeg een radicaal nieuwe
weg in, schreef niet langer met een lezerspubliek voor ogen, maar focuste
volledig op de tekst. Het resultaat was Lang
weekend op drie manieren (1978, later verschenen als Verleden week). Wanneer zijn beste vriend Morgan hem uitdaagt te
bewijzen dat literatuur wel degelijk over het echte leven gaat, neemt Ditto de
handschoen op: hij zal in de vorm van een fictief werk verslag uitbrengen van
wat hij allemaal beleeft tijdens een weekend kamperen. Chambers schetst een
boeiend beeld van de adolescentie met al zijn zo kenmerkende tegengestelde
gevoelens. Maar met een herkenbaar verhaal over een opgroeiende jongen nam
Chambers niet langer genoegen:
’Alle verhalen voor jongeren gaan nu eenmaal over rijping
en ontwikkeling. […] Mijn persoonlijke ambities reikten verder. Op mijn romans
en verhalen van en over jongeren wilde ik ook de narratieve strategieën
gebruiken van modernisten als Joyce, Lawrence, Woolf, Kafka, Hemingway, Mansfield,
Proust, Stein, Duras, Beckett, B.S. Johnson, Vonnegut, Philip Roth en nog veel
meer schrijvers.’
Ditto’s verslag is dan ook
geen rechtlijnig verteld, doorlopend verhaal, maar speelt met de chronologie,
met verschillende teksttypes, met perspectiefwisselingen, met intertekstuele
verwijzingen en met typografie en bladspiegel. De scène waarin Ditto zijn
eerste seksuele ervaring op drie manieren beschrijft, was ongezien voor die
tijd. De recensenten leken nog niet goed raad te weten met de experimentele
stijl, en het boek werd lauwtjes ontvangen. Meer succes hadden twee boeken voor
wat jongere lezers die Chambers daarna publiceerde. Het avonturenverhaal Het geheim van de grot (1984) en Tirannen (1985), een boek over enkele
gepeste kinderen die besluiten wraak te nemen, zijn traditioneler van stijl en
daardoor toegankelijker, en werden in Nederland allebei bekroond met een
Zilveren Griffel.
Merkwaardig genoeg vermeldt het Griffel-juryrapport van 1986 nog een
ander boek van Chambers: ’Dit jaar verscheen nog een ander boek van hem voor
oudere kinderen -- Je moet dansen op mijn
graf. Een schitterend, maar zo moeilijk boek, dat de jury de Griffel toch
maar liever aan Tirannen heeft toegekend.’
Sommige juryleden vonden Je moet dansen
op mijn graf zelfs het beste boek van het jaar,’maar door structuur en
taalgebruik is het zo’n moeilijk boek dat het voor slechts weinigen
toegankelijk zal zijn’.
Doorbraak
Toch is het dit boek, dat in 2022 door François Ozon succesvol
verfilmd werd als Été 85, dat voor
een keerpunt in de carrière van Chambers zorgt. De receptie in zijn eigen
Engeland bleef moeilijk en dat zou doorheen zijn carrière nooit echt veranderen
-- Chambers was als auteur nooit echt sant in eigen land -- maar internationaal
en zeker ook in Nederland in Vlaanderen betekende het verschijnen van Je moet dansen op mijn graf de grote
doorbraak voor Chambers. De ondertitel -- Een
leven en een dood in vier delen, honderdzeventien stukjes, zes doorlopende
verslagen en twee krantenknipsels, met een paar grappen, een stuk of drie
puzzels, wat voetnoten en af en toe een ramp om het verhaal te laten lopen
-- maakt meteen duidelijk dat Chambers opnieuw experimenteert met de vorm. Ook
inhoudelijk is het boek vernieuwend. Het opent met een krantenbericht over een
zestienjarige die werd gearresteerd nadat hij is betrapt op grafschennis. Dan
volgt het relaas van wat voorafging: een ontmoeting op het strand, een hevige
jongensliefde, de dronken belofte dat als een van hen overlijdt, de ander zal
dansen op zijn graf, een ruzie, een fataal motorongeluk. Het vernieuwende zit
’m niet in het feit dat het verhaal vertelt over een homoseksuele liefde, maar
in de manier waarop het dat doet: heel vanzelfsprekend, zonder schroom, zonder
oordeel. De liefde tussen Hal en Barry wordt nergens geproblematiseerd, ze is
net zoals elke andere liefde.
Met Je moet dansen op mijn graf maakte Chambers in één klap naam als
een van de -- zoniet dé -- meest toonaangevende auteurs van boeken voor
adolescenten. Hij zou zich voortaan exclusief toeleggen op dit genre. Er
volgden nog vier grote jeugdromans, die samen met de twee eerder geschreven
romans een cyclus, de Dance Sequence, vormen.
In Nu weet ik het (1987),
dat opnieuw is opgebouwd uit verschillende tekstsoorten, gaat de
zeventienjarige overtuigd atheïstische Nik voor een schooltaak op zoek naar het
wezen en de zin van het geloof en komt hij in contact met Julie, die ’sterk in
het geloof is maar zwak in de liefde’. Het boek, dat weinig actie bevat en
waarin de gedachten van Nick over religie en spiritualiteit centraal staan,
werd minder enthousiast ontvangen.
De zeventienjarige Jany uit het met een Zilveren Griffel
bekroonde De tolbrug (1993) heeft er
genoeg van dat iedereen in zijn omgeving zich bemoeit met zijn toekomst. Hij
neemt een baan aan in een afgelegen tolhuis om in alle rust uit te zoeken wie
hij eigenlijk is. Hij krijgt er al snel het gezelschap van Tess, de dochter van
zijn baas, en de zonderlinge Adam. De rijke en knap opgebouwde roman is een van
de hoogtepunten in Chambers’ oeuvre.
In Niets is wat het lijkt (2000), bekroond met de Carnegie Medal en de
Michael Prinz Award,, lopen twee verhalen door elkaar: dat van Jacob die naar
Nederland reist om de herdenkingsdienst voor zijn grootvader bij wonen, en dat
van de oude Gertrude die aan het eind van haar leven terugdenkt aan de grote
liefde die ze tijdens de Tweede Wereldoorlog beleefde met een Engelse soldaat.
Hoewel thema’s als euthanasie en seksuele ambiguïteit opduiken is het boek
conventioneler dan overig werk van Chambers, en overtuigt het verhaal minder.
Dit is alles: het hoofdkussenboek van
Cordelia Kenn (2007) is het sluitstuk van de Dance Sequence. Voor
één keer kiest Chambers voor een vrouwelijk hoofdpersonage: de negentienjarige
Cordelia Kenn is zwanger en besluit in notitieboekjes alles op te te schrijven
wat ze de afgelopen vijf jaar belangrijk vond in haar leven als een cadeautje
dat ze haar nog ongeboren dochter bij haar zestiende verjaardag zal geven. Voor
deze ambitieuze onderneming koos Chambers voor de vorm van een Japans
hoofdkussenboek. In een myriade aan literaire vormen ontstaat het portret van
een uitzonderlijke jonge vrouw, die openhartig schrijft over een waaier aan
onderwerpen. Een achthonderd pagina’s tellende krachttoer waarin Chambers
werkelijk alles uit de kast haalde.
Beeld van een opgroeiende jongen
In 2002, nog voor het
voltooien van de Dance Sequence ontving Chambers voor zijn romans de
prestigieuze Hans Christian Andersen Prijs, de hoogste onderscheiding binnen de
wereld van de kinder- en jeugdliteratuur, toen ook wel de Nobelprijs voor de
jeugdliteratuur genoemd. Uit het juryrapport:
’In choosing Aidan Chambers as
the author winner, the jury paid tribute to his literary skill, his handling of
varied narrative techniques and his careful choice of topics within the young
adult world. His writing shows a clear understanding of the adolescent mind.
There is suspense in each gripping storyline with thoroughly real characters.
Aidan Chambers' books are for teenage readers who enjoy being led into realms
of a deeper appreciation of life.’
De Dance Sequence is een zeer atypische reeks. De
zes boeken gaan elk over andere personages, spelen zich op steeds andere
plekken af, hebben elk een ander hoofdthema, en kunnen probleemloos los van
elkaar worden gelezen. Toch zijn ze aan elkaar verwant, zo schreef Chambers:
’Een cyclus’ omdat het net familieleden van klaar zijn. Elk van hen is een
individu en heeft een eigen persoonlijkheid, staat om het zo te zeggen op eigen
voeten, maar elk is genetisch verwant aan de andere.’
De verwantschap zit onder meer
in de experimentele structuur, het gebruik van verschillende tekstsoorten,
vertelinstanties, registers en literaire technieken en door het opvoeren van
hoofdpersonages die veel met elkaar gemeen hebben. Ditto, Hal, Nik, Jany, Jacob
en Cordelia zijn eenzelfde type jongere: introverte, intelligente, erudiete en
talig sterke jongeren, die veel en diep nadenken, met een opmerkelijk
schrijftalent en een grote liefde voor literatuur. En allemaal zijn ze, op de
drempel van de volwassenheid, op zoek naar zichzelf en naar wie ze zijn.
In elk van de boeken
treedt een aspect van het leven naar voren, een ervaring waarmee jongeren
geconfronteerd kunnen worden: ’Mijn boeken zijn een verkenning van de dingen
die ertoe doen. Liefde, seks, vriendschap, dood. Zaken blootleggen, geheimen
onthullen [...] Het is het leven dat ik laat zien.’ Door middel van de
leeservaring wil Chambers de jonge lezer kansen bieden om meer over zichzelf te
ontdekken en voorbeelden aanreiken van hoe anderen omgaan met existentiële
levensvragen en problemen omgaan die zij ook ervaren, met niet alleen aandacht
voor fysieke en emotionele aspecten, maar ook voor het cognitieve, het talige
en het intellectuele, aspecten die volgens Chambers in de toenmalige
jeugdliteratuur te zeer verwaarloosd werden. Samen vormen de zes boeken een
boeiende exploratie van de levensfase die Chambers in zijn theoretisch werk de
tussentijd noemt, de tijd tussen kindertijd en volwassenheid, en schilderen ze
een omvattend beeld van een opgroeiende jongere, van volwassen worden in de
laatste decennia van de twintigste en de eerste jaren van de eenentwintigste
eeuw.
Grondlegger
De Dance
Sequence is onmiskenbaar het magnum opus van Chambers. Het belang ervan kan
nauwelijks overschat worden. In een tijd dat het ’probleemboek’ hoogtij vierde,
brak Chambers met het genre en koos hij resoluut en compromisloos voor het
schrijven van literair hoogstaande, experimentele jeugdromans. Het is niet
overdreven om te stellen dat Chambers zo de adolescentenliteratuur op de kaart
zette en er een van de grondleggers van was. Van Lierop-Debrauwer & Bastiaansen-Harks noemen
Chambers in 2005 nog steeds ‘zonder twijfel de meest interessante auteur in de
ontwikkeling van de literaire adolescentenroman’.
De impact op de jeugdliteratuur was bijzonder groot. Door te tonen hoe
gelaagd, diepgaand en verrijkend jeugdromans kunnen zijn, door te tonen dat
literatuur voor jongeren Literatuur met hoofdletter L kon zijn, even rijk en
complex als romans voor volwassenen, heeft Aidan Chambers de literaire lat zeer
hoog gelegd. Op die manier werd zijn werk voor andere schrijvers zowel een bron
van inspiratie als een maatstaf. Ook in ons taalgebied waagden auteurs zoals
Bart Moeyaert zich onder zijn impuls aan het schrijven van literaire fictie
voor adolescenten. Zo heeft Chambers mee bijgedragen aan de literaire
emanciptatie van de Nederlandse en Vlaamse jeugdliteratuur.
Daarbij
was hij een van de eersten die geen toegevingen deed om ’op maat’ van een jong
publiek te schrijven, maar integendeel ook voor zijn lezers de lat hoog legde.
Zijn romans zijn geen voorgekauwde kost, geen snelle hap, maar teksten die de
lezers uitdagen en van hem een inspanning verwachten. Zo laat hij zijn lezers,
zonder hen te betuttelen, nieuw terrein verkennen. Door de vele lege plekken (Wolfgang
Iser, 1970), door Chambers in het artikel ’The Reader in the Book. Notes
from Work in Progress’ tell-tale gaps genoemd,
in zijn romans wordt van de lezer bovendien een actieve rol houding gevraagd:
hij moet zelf op zoek gaan naar betekenis. Als Chambers daardoor niet alle
jongeren bereikte, was dat maar zo, vond hij: ’Een
boek hoeft niet door elke lezer gelezen te worden en een schrijver moet dat
boek schrijven dat uit zijn pen wil komen [...] Natuurlijk wil ik graag gelezen
worden, maar wanneer ik schrijf trek ik me daar geen klap van aan. Er zijn al
stapels boeken die zich keurig gedragen. Die vervelen mij buitengewoon.’
Ook in
recensies ging het weleens over het lezerspubliek. De literaire en esthetische
kwaliteiten, de experimentele stijl, de diepgang en de innovativiteit van
Chambers’ romans werden vaak geprezen, waarbij soms werd opgemerkt dat
Chambers’ manier van schrijven lastig kan zijn voor adolescenten met weinig leeservaring. Toch
werd dit niet steeds als negatief beoordeeld, voor tal van critici hing dit net
samen met het hoge literaire gehalte van de boeken.
Lezersgerichte recensenten
beoordeelden dit aspect vaak wel negatief. Zij wezen er bovendien op dat
Chambers’ hoofdpersonages weinig geloofwaardig zouden zijn, wat herkenning bij
de lezer in de weg zou staan. De personages zouden pedante en hyperintelligente
intellectuelen zijn, die (te) veel denken en lezen, zich bedienen van een
vocabulaire dat dat van de gemiddelde tiener ver overschrijdt en kwistig met
citaten en intertekstuele verwijzingen naar de wereldliteratuur strooien. Onrealistisch,
volgens deze critici.
Chambers zelf wees erop dat
hij niet voor of over ’het gemiddelde kind’ schreef, maar dat dat niet betekent
dat zijn hoofdpersonages niet realistisch zouden zijn. De intelligente jongeren
die veel nadenken over het leven, over de daarbij horende levensvragen en over
hoe ze die in taal kunnen vatten, bestaan ook. Vanuit zijn diepgewortelde
overtuiging dat het belangrijk is dat jongeren zich in een boek kunnen
herkennen, wou hij net voor deze jongeren schrijven:
‘Toen ik begon, als leraar en
als schrijver, raakte ik erom bekend dat ik het opnam voor kinderen uit een
milieu zonder enige literaire achtergrond: de arbeidersklasse. Dat soort
kinderen kwam ook niet voor in boeken – tenzij een keertje als komisch
personage. Er bestonden geen boeken over hen, die moesten nog geschreven
worden. Tien jaar lang heb ik dat soort literatuur proberen te leveren, iets
waar ik overigens niet goed in was. Tegenwoordig is dat helemaal het probleem
niet meer. In dat soort boeken wordt nu eindeloos voorzien. De wereldcultuur is
beangstigend populistisch geworden. [...] De adolescent die ernstig wil zijn,
die bewust met het leven wil omgaan, die intellectueel actief wil zijn, die wil
studeren of bezig zijn met iets “onmodieus”: die moet nu onze steun krijgen.
Die heeft hij hard nodig. En de beste steun die je kunt krijgen is jezelf terug
te vinden in een andere wereld, een ander leven.’
Anne Frank
Tijdens
een interview illustreerde hij dat met een pakkend voorbeeld: ’Net voor ik
hierheen kwam, kreeg ik een e-mail van een zesentwintigjarige Japanse jongen:
“Ik heb Dance on my Grave gelezen toen ik 15 was, en nu pas besef ik hoe
belangrijk dat boek voor mij geweest is.” Dat is hoe literatuur werkt. Om een
echte lezer te worden, moet je jezelf vinden in een boek. Veel lezers kunnen je
over zo’n herkenningservaring vertellen. Dat Japanse bericht was natuurlijk
fijn voor mij, maar het is rampzalig dat je de adolescentieleeftijd kunt
bereiken zonder dat je in de literatuur die ze je doen lezen of bestuderen
jezelf hebt herkend. Dat is ontstellend.’
Zijn referentiepunt voor de
vraag wat een vijftienjarige kan denken is Anne Frank: ‘Natuurlijk kun je
zeggen dat ze een uitzondering is. Maar het zijn net de uitzonderingen die ons
tonen wat mogelijk is. Alle grote schrijvers zijn uitzonderingen. Zij schrijven
wat wij niet kunnen schrijven. Dat is net wat Anne Frank deed: ze schreef wat
de meeste tieners niet konden schrijven. Maar dat zij het deed, bewijst dat het
mogelijk is. Bij het schrijven van een inwendige monoloog van een
tiener-personage, vraag ik me wel eens af: zou Anne hiertoe in staat zijn
geweest? Als het antwoord ja is, zit ik goed.’
Na de voltooiing van de Dance
Sequence brak voor Chambers een periode aan waarin hij leek te zoeken naar
wat hij, in een sterk veranderende wereld én boekenlandschap, wilde vertellen
en naar hoe hij dat wilde doen.
Dit is mijn dag (2011)
is het laatste boek van Chambers dat in Nederlandse vertaling is uitgebracht.
Het is een bundel korte teksten, over uiteenlopende thema's en geschreven in
verschillende stijlen en genres (kortverhalen, brieven, dialogen…). Enkele
verhalen behoren tot de flash fiction,
zeer korte verhalen van maximaal duizend woorden. In het nawoord gaf Chambers
uitleg over het genre en besprak hij de literaire waarde en het belang ervan.
Dat het ideaal is ’voor het lezen en schrijven op de beeldschermpjes van
laptops, smartphones en e-readers’ lijkt een van redenen waarom hij, in tijden
van ontlezing en de opkomst van nieuwe media, met het genre experimenteerde. Om
diezelfde reden experimenteerde hij ook een tijdlang in de eigen app Tablet
Tales, met schrijven op de tablet: ’Het schijnt me toe dat de iPad een nieuwe
ontwikkeling is, een ontwikkeling van wezenlijk belang, die ongetwijfeld nieuwe
vormen van schrijven en nieuwe manieren van lezen zal voortbrengen.’
Hij publiceerde nog
enkele romans, waaronder Dying to Know
You, het autobiografische A Tidman
Bundle en Today I Did Nothing. Een
maand voor zijn overlijden publiceerde hij, in eigen beheer, zijn laatste boek,
The Vale of Soul-Making.
Essentiële levensvragen
’Alles wat geschreven is, is
een gave’, schreef Aidan Chambers in Dit
is alles. Op de vraag wat hij zijn lezers wilde meegeven, antwoordde hij:
‘Ik wil hun
een object geven, iets persoonlijks en intiems – vergelijk het met een ring –
dat in zich het beste draagt van wat ik kan zeggen, op de beste manier waarop
ik het kan uitdrukken, over wat ik weet over de essentiële levensvragen. Die
essentiële vragen betreffen voor mij het bewustzijn van jezelf, de taal als het
medium dat we gebruiken om over onze diepste gedachten te communiceren en de
centrale rol van liefde als datgene wat ons redt, dat wat het de moeite waard
maakt. Die liefde neemt verschillende vormen aan, die ik in mijn boeken
bestudeerd heb. Daarom wil ik dat mijn boeken zo rijk zijn als ik ze kan maken,
zelfs als het de lezer afschrikt of
nerveus maakt. Want als je iemand het beste van jezelf wilt geven, dan
vraagt dat tijd – tenzij je weinig te geven hebt. Dat kan een heel leven duren.
Ik ben Shakespeare beginnen lezen als tiener, en lees hem nog altijd. Ik kijk
sinds die leeftijd ook naar de schilderijen van Rembrandt, en nog steeds zie ik
er dingen in die ik eerder niet zag. Dat is toch prachtig?’
Dat rijke oeuvre is echter niet
zijn enige gift. Want Sons and Lovers,
het boek dat destijds het leven van de vijftienjarige Chambers veranderde,
maakte in hem niet alleen de wens wakker om schrijver te worden, het maakte van
hem ook een hartstochtelijk lezer én het doordrong hem van het besef hoeveel
lezen kan betekenen - en hoe belangrijk het is dat ieder van ons de kans krijgt
om dát boek op zijn pad te vinden dat hem een levensveranderende leeservaring
kan bezorgen.
Zijn
hele leven lang zou lezen de kern uitmaken van zijn werk. En als Chambers het
had over lezen, had hij het niet over een hobby: ’Het belang van lezen gaat
echt niet alleen over een fijn tijdverdrijf, over leesplezier. Het belang van
lezen heeft niets te maken met liever een boek lezen dan naar een
voetbalwedstrijd of een film gaan. Het is geen keuze. Het is essentieel.’
Als jonge leerkracht werd hij
geconfronteerd met de realiteit van jongeren die niet lazen omdat het bestaande
boekenaanbod hen niet aansprak. In 1969 formuleerde hij zijn bezorgdheid in de
polemische tekst The Reluctant Reader, waarin hij pleitte voor een tussenvorm tussen
kinder- en volwassenliteratuur, want ’de stap van Blyton naar Dostojevski is
wel erg groot.’ Er was dringend nood aan een soort literaire EHBO voor
jongeren, om te voorkomen dat ze deel zouden gaan uitmaken van de 60%
volwassenen die na hun schooltijd nooit nog een boek openslaan.
Chambers hekelde de
dubbele moraal van ouders en leraren die zelf gretig thrillers verslonden, maar
van kinderen verwachtten dat ze zich verdiepten in Dickens en Walter Scott. De
wereld van het kinderboek werd ondertussen gedomineerd door een klein clubje
keurige uitgevers uit de middenklasse, die zich opwierpen als plaatsvervangende
opvoeders en alles wat te gedurfd was eruit filterden. ’Het zijn vast heel
aardige mensen,' schreef Chambers, ’maar hun ideeën over wat jongeren leuk
vinden zijn gebaseerd op een handjevol voorbeelden.’
Om die nood te lenigen ging hij niet alleen zelf aan het schrijven, maar
lanceerde hij op vraag van Macmillan Education ook Topliners, een baanbrekende
reeks boeken voor jongeren die niet graag lazen, geschreven door auteurs die
Chambers’ visie deelden, onder wie Joan Aitken en Michael Morpurgo. De
toegankelijke verhalen, die direct aansloten op de belevingswereld van de
toenmalige tieners, gingen over thema’s als seks, raciale verhoudingen,
echtscheiding, kanker en drugsverslaving. De boeken verkochten als zoete
broodjes. In 1975, op het hoogtepunt van hun succes, werden meer dan 450.000
exemplaren per jaar verkocht.
Lezen, een
kwestie van overleven
Chambers’ interesse beperkte zich niet
tot louter het boekenaanbod voor jongeren. Alles wat met jeugdliteratuur en
lezen te maken had, droeg zijn belangstelling weg. In 1969 richtte hij samen
met zijn vrouw Nancy de uitgeverij Thimble Press, waar ze kritische publicaties
en studies uitgaven op het vlak van jeugdliteratuur, onder meer baanbrekend
werk van Margaret Meek en Peter Hollindale.
Thimble Press was ook de
uitgever van Signal: Approaches to
Children’s Books, een hoog aangeschreven en invloedrijk tijdschrift, dat
drie keer per jaar verscheen en bijdragen en abonnees van over de hele wereld
had. Elk nummer bundelde artikelen over heel uiteenlopende aspecten van de
jeugdliteratuur: van het schrijven en illustreren van kinderboeken, tot
onderwijstheorie en -praktijk, van literaire kritiek en recensies tot
vertalingen, van bibliografie, biografie en persoonlijke memoires tot literaire
geschiedenis. Het doel? ’We wilden een plek creëren voor lange en intelligente
kritische stukken, zonder rekening te moeten houden met een populair publiek,
stukken die het kritische denken over kinderboeken op een hoger niveau zouden
tillen.’ Meer dan dertig jaar en honderd nummers lang zouden de Chambersen zo
de kritische reflectie over jeugdliteratuur aanmoedigen. Voor die inspanningen
ontvingen ze in 1982 samen de Eleanor Farjeon Award. Samen met Nancy schreef en
presenteerde hij in het begin van de jaren 1970 ook het radioprogramma Bookbox.
Chambers schreef ook zelf
over kinderen, lezen en jeugdliteratuur. In lijn met het ruime opzet van Signal behandelden zijn stukken zeer
uiteenlopende onderwerpen. Aanvankelijk schreef hij vooral kritieken in onder
meer Books and Book Men en Times Educational. Zijn artikel ’The
reader in the Book’, over de implied
reader in kinderboeken, werd in 1979 bekroond met de eerste Amerikaanse
Children’s Literature Association award for critical writing.
In het in 1985 verschenen Booktalk. Occasional Writing on Literature
& Children bundelde hij artikels, essays en teksten van lezingen over
onderwerpen als onder meer de rol van boeken in het leven van kinderen, het
wezen van literatuur, een inkijkje in zijn eigen werk en het leesonderwijs. Een
tweede bundel, Reading Talk (2001),
bevatte opnieuw artikels over uiteenlopende onderwerpen, van Anne Frank over
vertalingen tot de toekomst van het boek.
Maar hoe breed
ook de interesse van Chambers, stilaan kristalliseerden zich enkele thema’s uit
waarop hij zich zou gaan focussen.Vanuit zijn vaste overtuiging dat lezen van
levensbelang is, én dat iedereen een lezer kan worden, besteedde hij veel
aandacht aan leesbevordering. ’In onze cultuur is lezen ook een kwestie van
overleven,’ aldus Chambers. ’Er is iets in het menselijke ras dat voortdurend
mensen uitsluit die niet functioneren binnen het machtssysteem. En in onze
cultuur is leesvaardigheid, geletterdheid, een van de dominantste elementen
binnen dat machtssysteem. [...] Het is een wrede waarheid dat veel mensen daar
moeite mee hebben en uit een gezin zonder leesachtergrond komen. Als daar niets
aan gedaan wordt, blijven ze benadeeld.’ De vraag hoe je alle kinderen aan het
lezen krijgt, was daarom voor hem fundamenteel.
Leesplezier is niet voldoende
Hij ontwikkelde het concept
van de ’helpende volwassene’. Om een vaardigheid, ook lezen, onder de knie te
krijgen, hebben kinderen volwassenen nodig die hen tonen hoe het werkt. Dat
geldt voor het aanvankelijk lezen, het technisch leren decoderen van letters en
woorden op papier, maar evenzeer voor wat daarop volgt.
’Een lezer, alle lezers maar
vooral kinderen en jongeren, kunnen pas uitgroeien tot aandachtige, kritische
en brede lezers als ze daarbij de steun krijgen van leraren, ouders vrienden,
rijpere lezers alleen dan zullen ze plezier krijgen in het ontdekken van
‘moeilijke’ boeken -- de boeken waarmee ze nog niet vertrouwd zijn -- en hoe ze
die kunnen lezen’, zei Chambers daarover.
Zijn eigen ideeën hierover
maakten een ontwikkeling door. Aanvankelijk, in de jaren 1950, was hij ervan
overtuigd dat leesplezier dé sleutel was om van kinderen en jongeren lezers te
maken: ‘Ons uitgangspunt was: tenzij je ervan leert te genieten, kun je enkel
een onwillig lezer worden, een lezer tegen je zin. Dus legden we de nadruk op
leesplezier en zochten we boeken die ze uit zichzelf leuk zouden vinden. En dan
probeerden we meer van die boeken te vinden, om hun leesplezier te bevestigen.
En zoals iedereen toen dacht ik een tijdlang dat dat voldoende was.’
Maar dat was niet
voldoende, ontdekte hij: ’Het enige wat je doet is lezers creëren die altijd
maar hetzelfde soort boeken leest, op steeds dezelfde manier. Je leert ze
gewoon hun weg door papier te kauwen. Het Harry Potter-syndroom. Een
eenzijdige smaak is geen opvoeding. Die “lezers” lezen niet om meer te doen dan
ze daarvoor hebben gedaan, om meer te zijn dan ze daarvoor waren. Het is de
taak van de leerkracht om je boeken te geven waarvan jij nog niet weet dat je
ze misschien leuk vindt, en je te helpen ze graag te lezen. Zó word je een
lezer.’
Hij
wees op de ongemakkelijke waarheid ’dat als je plezier wilt vinden in dingen
die een grote rijkdom en kwaliteit in zich dragen, er altijd een moeilijk
moment is waar je door moet. Het is erg moeilijk om goed piano te leren spelen,
je moet door saaie momenten heen, daar kun je niet rond. Met lezen is dat net
zo. Wanneer kinderen op het punt staan een hoger niveau van leesvaardigheid te
bereiken, zullen er momenten zijn dat ze het te lastig, te saai vinden. Hoe je
daarmee om moet gaan, is een didactisch probleem. Als je op het niveau blijft
steken dat je kinderen gewoon laat lezen wat ze willen lezen, voed je ze maar
half op, en dat is niet genoeg.’
Chambers’
ideeën hierover sluiten aan bij wat Lev Vygotsky de ’zone van de naaste
ontwikkeling’ noemt. Die zone heeft betrekking op de potentiële
leermogelijkheden van een kind: wat een kind alleen kan, is het huidige ontwikkelingsniveau
en wat het kan met hulp van een ander is zijn potentiële ontwikkelingsniveau.
Chambers was ervan overtuigd dat wanneer je kinderen er met de hulp van een
volwassene toe kunt brengen die boeken te lezen die ze zelf nog moeilijk
vinden, ze er uiteindelijk ook plezier aan beleven - alleen is dat plezier er
vaak niet onmiddellijk.
Vertel eens
In de wetenschap dat de meeste kinderen opgroeien in een gezin zonder
leescultuur, zag Chambers een belangrijke rol weggelegd voor de leerkracht. Dat
hij het belang van de leraar in het helpen van leerlingen kritische lezers te
worden, had hij trouwens zelf ervaren. Wellicht verklaart dat mede waarom hij
er zich een leven lang onvermoeibaar voor zou inzetten.
Dat deed hij eerst als
leerkracht in middelbare scholen, en later door leerkrachten zelf te vormen.
Hij gaf les in het hoger onderwijs, was een invloedrijke gastdocent aan
Westminster College in Oxford, dat toen een gezaghebbend instituut voor
lerarenopleiding huisvestte, en gaf
bijscholingscusussen voor leerkrachten.
Hij publiceerde
ook twee boeken met ideeën en praktische handvaten voor volwassenen - in eerste
instantie leerkrachten en bibliotheekmedewerkers - die met kinderen aan de slag
willen gaan op het vlak van lezen. Deze bijzonder toegankelijke en vlot lezende
boeken tonen Chambers’ enorme didactische talent. De twee boeken lezen als het
ware als een praktische handleiding, waarin Chambers als een zeldzaam begaafd
leraar zeer laagdrempelig stap voor stap, en met veel concrete voorbeelden,
uitlegt hoe leerkrachten aan de slag kunnen.
In De leesomgeving (1991) laat Chambers zien hoe volwassenen kinderen
kunnen helpen van boeken te genieten door een aangename leesomgeving te creëren
en activiteiten aan te bieden die het lezen stimuleren.
In Vertel eens (1993) gaat hij dieper in op hoe je als volwassene
kinderen kunt helpen goed te praten over wat ze gelezen hebben, en hun
leeservaringen te verdiepen. Chambers baseerde zich hiervoor op zijn eigen
ervaring als leerkracht, het werk van een werkgroepje leerkrachten waartoe hij
zelf behoorde en inzichten uit de fenomenologie van het lezen (Wolfgang Iser),
de receptietheorie, de feministische kritiek en de geschriften van denkers als
Roland Barthes en Margaret Meek. De Vertel Eens-aanpak is een specifieke vorm
van gesprek, waarbij kinderen samen over een boek praten, en de leerkracht dat
gesprek op gang brengt en houdt door het stellen van specifieke vragen. Niet
alleen voelen de kinderen zich serieus genomen en groeit hun zelfvertrouwen als
lezer, ze verwerven ook inzicht in hun leeservaring. Door dergelijke zinvolle
gesprekken komen ze, aldus Chambers, ’hoger op de literaire leeslat terecht’ en
krijgen ze meer plezier in lezen.
De methode, die
in de jaren ’90 revolutionair was, heeft ook in tal van scholen en in
bibliotheken in Nederland en Vlaanderen breed ingang gevonden. Nu, dertig jaar
later, kan nog steeds niemand uit het onderwijs en de bibliotheek om Chambers’
inzichten en aanpak heen.
Die ruime verspreiding is mede te danken aan de vele
lezingen en workshops die Chambers decennialang en tot op hoge leeftijd in
binnen- en buitenland heeft gegeven, over zijn eigen boeken, over
jeugdliteratuur en over, misschien wel zijn stokpaardje, hoe je kinderen aan
het lezen krijgt, onder meer via de Vertel Eens-aanpak. Die laatste
demonstreerde hij in praktische workshops, waarin Chambers de rol van leraar
opnam en de aanwezigen in de huid kropen van leerlingen, waardoor ze niet
alleen inzicht kregen in de methode maar die vooral ook aan den lijve konden
ervaren.
Zo
heeft Chambers - charismatisch en begenadigd spreker en onvermoeibaar
leesbevorderaar - een bijzonder grote impact gehad, niet alleen binnen het veld
van de jeugdliteratuur, maar ook daarbuiten. Zijn begeesterende lezingen waren
legendarisch, voor vele toehoorders en deelnemers waren ze een onvergetelijke
ervaring die ze meenamen in hun verdere werk. ’Daar stond hij dan voor een zaal
van 300 mensen. En wat ik pas gaandeweg ben gaan beseffen, is wat een effect
het heeft als je zo’n groep toespreekt, vertelt Bart Moeyaert daarover.
Chambers gooide steentjes in het water en heeft ’zo kringen gemaakt die steeds
verder uitdeinden.’
Dat was precies wat Chambers wilde bereiken. Gedreven door zijn liefde
voor het lezen wilde hij zijn visie zo ruim mogelijk verspreiding, het vuur
aanwakkeren, maar ook brandend houden:
’Er wordt wel eens gezegd dat je voor de bekeerden niet hoeft te preken. O
jawel. Niemand heeft meer aanmoediging nodig dan wie al bekeerd is. Diegenen
die al denken op de manier dat jij wilt dat er gedacht wordt, moet je
ondersteunen, informeren en aanmoedigen.’
Voor zijn educatieve verdiensten
ontving hij in 2010 de Lifetime Achievement Award for Services to English
Education.
Tussentijd
In 2002
verscheen Tussentijd. Over het schrijven
voor jongeren, waarin Chambers inging op zijn andere grote en levenslange
interesse: de literatuur voor jongeren die zich in de levensfase tussen
kindertijd en volwassenheid bevinden, die hij de ’tussentijd’ noemt. In
veertien essays en één interview verkent hij verschillende aspecten van de
literatuur voor deze leeftijdsgroep: de aard van de jongere, de voorlopers en
de geschiedenis van het genre,verschillende verteltechnieken, een analyse van
eigen werk enz.
Essentieel voor Chambers zijn de ervaringen die geassocieerd worden met
deze levensfase. Het groeiende zelfbewustzijn, de heftige en vaak verwarrende
emoties, de drang naar autonomie, het zich losmaken van de ouders… Voor
Chambers was het zonneklaar: ‘Wil literatuur jongeren aanspreken, dan moeten
hun boeken gebruik maken van de ervaringen en de taal van adolescenten en tegelijkertijd
meegroeien met de eigen, geheime, innerlijke én sociale omstandigheden van
jongeren.’ Hij betoogt dat in de literatuur voor adolescenten vaak overmatig
veel aandacht gaat naar emotionele en fysieke aspecten, en te weinig naar het
cognitieve, het talige, het intellectuele, het spirituele. Net die aspecten die
Chambers ook steeds in zijn eigen jongerenromans heeft proberen te verkennen.
Chambers ziet
’fictie voor jongeren [...] als een eigen vorm van literatuur’ die ’het waard
is om bestudeerd en bewaard te worden’. ’De beste jeugdfictie,’ zo stelt hij,
’is net zo goed als de beste literatuur voor volwassenen. Je leest het vanwege
de literaire waarde.’ Hij pleit daarom voor ’een autonome
adolescentenliteratuur die een eigen canon en een eigen poëtica verdient.’
Bijzondere
aandacht gaat naar de zogenaamde recognition
story. Daarmee bedoelt hij boeken die de lezer tijdens het lezen
herkenningsmomenten bezorgen die hem aan het denken zetten over zichzelf en
inzicht laten verwerven: wie ben ik en wat wil ik met mijn leven? Die momenten
hebben iets van een epifanie: ’Alsof fictie, een verhaal, iets kan 'openbaren',
duidelijk maken dan wel bevestigen wie je bent. [...] Zoiets had ik zelf
ervaren toen ik, 15 jaar oud, Sons And
Lovers van D.H. Lawrence las.’
Chambers
betoogt dat herkenning en identificatie net bij jongeren van het hoogste belang
zijn: ’Ik weet vanuit mijn persoonlijke ervaringen en mijn ervaringen als
docent dat je pas een toegewijde literair lezer wordt als je jezelf terugvindt
in gedrukte literatuur. (...) Je mag dan de door school voorgeschreven teksten
lezen en er goed genoeg over praten en schrijven om je examens te halen, maar
je leest niet om te leven.’ Hij noemt herkenning een wezenlijke eigenschap in
adolescentenliteratuur.
Typisch voor recognition stories is dat de auteur in
zijn boek een (jong) personage opvoert, dat in het verhaal ook zelf tot een
groter (zelf)inzicht komt. De daarbij horende ervaringen, gevoelens en
levensvragen worden door de auteur in woorden gevat waarin de lezer zich wél
kan herkennen, maar waar hijzelf nog geen woorden voor had. Het is in dit
samenspel tussen auteur en lezer dat de lezer ook zelf gaat nadenken over zijn
eigen leven en een wezenlijk deel van het proces wordt.
Zeldzame rijkdom
Chambers’ eigen De tolbrug werd vaak genoemd als een perfect voorbeeld van de recognition story, en dat mag niet
verbazen, want in zijn werk stond niets los van het andere. Er bestond een unieke
en voortdurende wisselwerking tussen zijn eigen oeuvre, zijn ideeën over hoe
literatuur voor jongeren eruit hoort te zien en zijn visie op leesbevordering.
Met zijn buitengewoon
veelzijdig talent en zijn tomeloze inzet, met zijn prachtige taal en zijn
scherpzinnige geest, met zijn begeesterend optreden en zijn diepgaand en immens
inzicht heeft hij de jeugdliteratuur en het denken over kinderen en lezen naar
een hoger niveau getild.
Onvermoeibaar leesbevorderaar. Bijzonder begaafd leraar.
Baanbrekend en internationaal gelauwerd auteur. Begenadigd spreker. Een van
grootste denkers die de jeugdliteratuur gekend heeft. Grensverleggend
wegbereider. Vurig pleitbezorger.
Hoeveel epitheta kan één mens dragen? Aidan Chambers
verdiende ze allemaal. En alles, alles was hij deed, was doordrongen van zijn
diepe liefde voor het lezen en de literatuur. Het jongetje dat negentig jaar
geleden geboren werd in een familie van nauwelijks lezende mijnwerkers, dat
zelf de techniek van het lezen pas op zijn negende onder de knie kreeg en dat
op zijn vijftiende omver werd geblazen door de levensveranderende kracht van de
literatuur, is niet meer. Maar zijn nalatenschap is enorm en van een zeldzame
rijkdom.
Merci
et chapeau bas, Aidan
deze pagina printen of opslaan