Peuters en kleuters

JEUGDBOEKEN NR. 1, SEPTEMBER 2015

Paul Biegel, Mies van Hout (ill.): De zoute goudvis

door Jan Van Coillie

In de flaptekst wordt Paul Biegel een ‘meesterverteller’ genoemd en dat is hij zonder twijfel. Ook al zijn de verhalen uit De zoute goudvis al enkele decennia oud (ze verschenen onder meer in Kinderverhalen (1966) en Het olifantenfeest (1979)), het blijven tijdloze voorleesverhalen door de fantasierijke inhoud en vooral de beeld- en klankrijke taal.
De openingszinnen van ‘De drie vogeltjes’ typeren Biegels stijl meteen: ‘In de eikenboom achter het huis van tante Sibelius zaten drie nestjes. Keurig naast elkaar op een tak; net drie huisjes. In het eerste nestje woonde het vogeltje Hip, in het tweede woonde het vogeltje Wip, in het derde het vogeltje Nipperdenipsi Pip.’ De afwisseling van een langere en twee korte zinnen bepaalt meteen het ritme. De drieledige structuur zet zich door in de volgende zin, gebouwd op herhaling en parallellie en met een klankrijke climax. Driedelige opsommingen behoren tot het wezen van Biegels stijl, even verder luidt het: ‘Ze begonnen aan de gouden ketting te trekken, piepend, krijsend en krassend.’ Voor extra voorleespret in de verhalen zorgen de versterkers (‘heel verschrikkelijk akelig’, ‘heel vreselijk ontzettend’), de vele vragen, de talrijke klanknabootsingen (‘hipper-de-hip’, ‘kraai-kras’ …), allitererende neologismen (‘een lange slierteslang’) en de rijmpjes, die vaak geïnspireerd zijn door oude bakerrijmen en sprookjes. Het slot van ‘De zoute goudvis’ brengt een apotheose van klanken met de allure van een onvervalste tongtreiteraar: ‘De volle-bolle, volle-volle, volle-bolle rolbuik-vis./ De slippe-slappe, volle-bolle, sliere-slakke rolbuik-vis.’ Zo gaat het nog even door. Ook typisch Biegel is hoe hij sommige personages een eigen taal geeft. De humeurige graskabouter zegt telkens weer ‘zeur niet’ en de koningin praat majesteitelijk: ‘Er wordt een nieuwe vijver gemaakt. […] Een vijver van verdriet. Ik zal hem tezamen met mijn hofdames volhuilen met tranen.’ <br /> Paul Biegel is een sprookjesverteller. Zijn verhalen spelen vaak in een grensgebied, een mistig, drassig landschap op de grens van de bewoonde wereld, zoals in ‘De nevelkindertjes’. De volgende zinnen verwoorden mooi de overgang naar het rijk van de fantasie: ‘Op een late avond, toen de maan met helder licht op de witte dwarrel-dampen scheen en de boer Japik al lang naar bed was gegaan, gebeurde er iets wonderlijks.’ Met dergelijke zinnen hangen de luisteraars aan de lippen van de voorlezer. Het verhaal over de boer Japik is mijn favoriet: Biegel legt zoveel warmte in dit koude nevelverhaal, waarin het onvoorwaardelijke geloof in de verbeelding zelfs de dood een zacht randje geeft. De dood speelt ook een rol in ‘De zoute goudvis’, een sprookje in de traditie van Grimms ‘De visser en zijn vrouw’, dat eindigt in een triomf van de lach. Humor vormt de basis van ‘De ondeugende schoenen’, waarin Biegel elementen uit ‘De rattenvanger van Hamelen’ verwerkt. Het verhaal begint tegendraads: ‘De hele dag moet ik lopen waar die vader heen wil. Ik ga in mijn eentje lopen. Lekker de andere kant op.’ Die beslissing van een schoen zorgt voor een toenemende carnavaleske chaos. ‘Het verdwaalde konijntje’ speelt het duidelijkst in op herkenbare gevoelens voor kinderen. ‘Jacob Kikker’ heeft dan weer iets van een fabel, maar dan wel met een anti-fabelachtig slot: de bazige kikker Wassili krijgt helemaal geen lesje. Zo speelt Biegel meesterlijk een spel met genres en motieven en ook dat maakt zijn verhalen blijvend verfrissend.
Mies van Hout toont zich een waardig opvolgster van Babs van Wely, die de uitgaven uit de jaren zestig en zeventig illustreerde met sobere pentekeningen. Van Hout maakt expressionistische schilderijen in felle kleuren, met expressieve borstelstreken. Ze concentreert zich niet zozeer op de uitbeelding van de verhalen, maar probeert vooral de sfeer weer te geven en dat doet ze met verve. Pakkend is de verlorenheid van het kleine konijn in een witte vlek tussen de grillige takken in een cirkel van rood en oranje. Al even expressief is de eenzaamheid van de kikker op een plompenblad in de grote, groene vijver. Mooi is ook het contrast tussen de schonkige boer Japik en de ijle nevelkindertjes. En hoe krachtig is het beeld van de zoute goudvis met de visser op zijn rug, gevangen in een eindeloze golf.
De sprankelende taal en de spetterende illustraties maken dat De zoute goudvis goud waard is. 

Rotterdam: Lemniscaat, 2015,  62 p. : ill. ISBN 9789047704973
 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Baksteen

Femke Vindevogel

Brandingen

Paul Verrept

de Lach van de Sfinx

Frans Kuipers

Onder buren

Juli Zeh

Ons deel van de nacht

Mariana Enriquez

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Een leven vol kleur. Alles is kunst, als je maar goed kijkt

Cara Manes, Fatinha Ramos (ill.)

Ik wil een hond (en het maakt niet uit welke)

Kitty Crowther

Ik wil een wiegje worden zei de wilg

Bette Westera, Henriëtte Boerendans (ill.)

Vanaf hier kun je de hele wereld zien

Enne Koens, Maartje Kuiper (ill.)

Victorine

Jet van Overeem, Annemarie van Haeringen (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri