jeugd - fictie

Matthew Dicks: Herinneringen van een denkbeeldig vriendje

door Kyra Fastenau

- Het nieuwe boek van Matthew Dicks heeft een bijzondere verteller. In Herinneringen van een denkbeeldig vriendje beschrijft de vijfjarige Budo zijn kortstondige bestaan als fantasievriend van de achtjarige autistische Max. De keuze voor een denkbeeldig vriendje als verteller is een variatie op een literaire trend die al een tijdje gaande is, waarbij auteurs traumatische gebeurtenissen beschrijven vanuit het standpunt van een kind of kinderlijk personage. Op zich is deze techniek niet nieuw, integendeel, ze werd al eerder gebruikt in literaire klassiekers als Wat Maisie wist (Henry James, 1897) en Spaar de spotvogel (Harper Lee, 1960). De afgelopen tien jaar duikt het kinderperspectief echter steeds vaker op in romans voor volwassenen, wellicht als gevolg van de vervagende grens tussen jeugd- en volwassenenliteratuur. Een boek dat vaak in verband wordt gebracht met deze cross-over hype is Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht. Mark Haddons roman wordt verteld door de vijftienjarige autistische Christopher, en die perspectiefkeuze sloeg aan. Het boek werd een bestseller, evenals enkele latere romans met een kinderperspectief: Extreem luid & ongelooflijk dichtbij (Jonathan Safran Foer, 2005), De jongen in de gestreepte pyjama (John Boyne, 2006) en Kamer (Emma Donoghue, 2010), om er maar een paar te noemen. Stuk voor stuk boeken die weinig luchtige onderwerpen aankaarten: van collectieve trauma’s als de Holocaust en 9/11 tot ingrijpende ervaringen als dood, geweld en verkrachting. Ook Herinneringen van een denkbeeldig vriendje bevat enkele heftige gebeurtenissen.
Maar na het lezen van bovengenoemde en andere romans met een kinderperspectief dacht ik bij Herinneringen van een denkbeeldig vriendje toch regelmatig: dit trucje ken ik nu wel. Dicks hanteert verteltechnieken die vaker gebruikt worden in romans met een kinderperspectief. Zo speelt hij subtiel informatie door aan de volwassen lezer via een dialoog tussen volwassen personages: uit de gesprekken tussen Max’ ouders kun je bijvoorbeeld opmaken dat ze over een vruchtbaarheidsonderzoek of een verzekeringskwestie praten, terwijl Budo niet begrijpt waar het over gaat. Ook andere verhaalaspecten lijken sterk geïnspireerd door wat er al is: zo roept Budo’s karakterisering van de autistische Max herinneringen op aan Christopher uit Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht, en doen de eerste stappen die het denkbeeldige vriendje Oswald buiten het ziekenhuis zet, sterk denken aan de entree in de buitenwereld van Jack uit Emma Donoghue's Kamer.
Hoewel de verteltechnieken niet bijster origineel zijn, is de keuze voor het standpunt van het denkbeeldige vriendje dat wel: tot dusver zijn er geen vermeldenswaardige boeken verschenen met zo’n opmerkelijke verteller. Budo’s niet-menselijke positie doet enigszins denken aan die van de Dood in De boekendief, met het verschil dat Budo in beperkte mate in staat is tot interactie met andere personages. Hij kan praten met Max en ook met andere denkbeeldige vriendjes, maar niet met andere mensen. Daarnaast kan hij niets aanraken en is zijn levensduur geheel afhankelijk van hoe lang Max in hem blijft geloven. Budo baalt behoorlijk van die tussenpositie. Pinokkio, vindt hij, was in vergelijking met hem een bofkont. Tot slot trekt Budo lering uit zijn eigen kritiek op Pinokkio: hij droomt niet langer van een ongebonden identiteit, maar berust erin dat hij als denkbeeldig vriendje zijn identiteit ontleent aan het helpen van een ander.
Die mierzoete moraal ligt er wel erg dik bovenop en het stoort dat Dicks zich niet beter verdiept heeft in de psychologische achtergrond van dit fenomeen: het cliché dat een denkbeeldig vriendje automatisch verdwijnt wanneer een kind ‘echte’ vrienden maakt, wordt inmiddels door veel onderzoekers tegengesproken. Andere details zijn dan weer goed gevonden: zo missen veel denkbeeldige vriendjes oren of een nek — lichaamsdelen die jonge kinderen ook vaak weglaten bij het maken van een tekening. Ook had ik graag wat meer interactie tussen Budo en Max gezien. Ik vind het nogal vreemd dat Budo, die zich doorheen de roman beklaagt over zijn gebrek aan onafhankelijkheid, behoorlijk autonoom overkomt. De focus ligt ook te veel op Budo, wat een eenzijdig beeld schept van de situatie.
Al met al is Herinneringen van een denkbeeldig vriendje niet meer dan een fantasievol verhaal, geschreven vanuit een origineel standpunt. Qua thematiek blijft de roman te veel aan de oppervlakte. De zwakste schakel in het geheel vind ik echter de vertelstem: die is te veel een kopie van andere kindervertellers. Het lijkt erop dat het Budo ook op dit vlak ontbreekt aan een eigen identiteit. En uitgaande van Mieke Bals stelling dat de vertelstem een tekst zijn specifieke karakter verleent, zie ik dit toch wel als een groot minpunt.

Matthew Dicks, Herinneringen van een denkbeeldig vriendje, Mistral & Moon Amsterdam, 2012, 384 p., € 16,95. ISBN 9789049952426. Vert. van: Memoirs of an imaginary friend door Ineke Van Bronswijk. Distributie: Agora Uitgeverscentrum

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswelp 2012

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2021

2050. Gedichten

Peter Verhelst

Het bekroonde proza van Jesmyn Ward

Black Lives Matter

Het huis van de dichter

Herman Leenders

Het leven van de geest

Hannah Arendt

Stemvorken

A.F.Th. van der Heijden

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2021

Brons / Onder de golven

Linda Dielemans, Sanne te Loo (ill), Djenné Fila (ill.)

De nacht van Ronke

Jef Aerts, Marit Törnqvist (ill.)

De roos uit het beton

Angie Thomas

Groot Biegel sprookjesboek

Paul Biegel, Charlotte Dematons (ill.)

Zonder titel

Erna Sassen, Martijn van der Linden (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri