Vanaf negen jaar

JEUGDBOEKEN NR. 8, OKTOBER 2025

Bette Westera, Sylvia Weve: Er vloog een vliegje in de vla. Gedichten en gedachten over eten

door Jan Van Coillie

9+ - Eten is razend populair in kinderboeken. Er zijn zelfs wetenschappelijke artikelen en boeken over geschreven en congressen over gehouden. Op een poëziebundel over eten was het nog wachten tot het duo Westera-Weve zich erover boog. Zoals in hun vorige boeken valt meteen de verbluffende technische vaardigheid op van zowel dichter als illustrator, die hun metier tot in de puntjes beheersen.  
De bundel telt vijf afdelingen en een ‘zo zit dat’ op het eind. Uit elke afdeling belicht ik er een of meer opvallende gedichten. ‘Smaken verschillen’ bevat gedichten over divers smaken, van zout en zoet tot zuur en bitter. Het openingsgedicht is al meteen typerend voor Westera’s dichtkunst: met vanzelfsprekend lijkende rijmen en een perfect metrische cadans zet ze een meeslepende opsomming neer met vaak verrassende combinaties:
 
‘Smaken verschillen. De een houdt van zoet,
de ander van zuur of van bitter.
Koos kiest voor Fanta, een vampier voor bloed.
Janet houdt van glamour en glitter.’
 
Weves illustratie is een wervelende zoekprent waarop je de personages die in het gedicht genoemd worden kunt zoeken.
 
In de tweede afdeling ‘Eten en gegeten worden’ wordt een mix van humor en horror geserveerd met als ingrediënten allerlei dieren die door mensen gegeten worden of zelf in mensen bijten zoals muggen en teken. De illustratie van Sylvia Weve op de titelpagina maakt de insteek meteen duidelijk: tegen een gele achtergrond tekent ze twee zwarte schimmen: een klein mannetje dat een visje eet, met een enorme, hongerige vis achter zijn rug. ‘Viooltjes’ is een uitzonderlijk teder gedicht in het geheel van de bundel, over de dood van een huisdier. De ‘Aaseters’ zijn bij Westera geen gieren, maar wel mensen, waardoor ze fijne, onderhuidse kritiek geeft op het eten van vlees. ‘Broodje Aap’ legt met een voorbeeld uit wat een broodje-aapverhaal is, een speelse noot bij de informatieve tekstjes die tussen de gedichten door staan, met daarbij vaak de vraag of het om een verzonnen verhaal gaat of niet.
 
De afdeling ‘Geen vis en geen vlees’ serveert gedichten over groenten, vegetariërs en veganisten. Hier valt beslist ‘Demonstratie’ op, gepresenteerd als een nieuwsbericht uit het jeugdjournaal over een protestmars door bespoten fruit. Het gedicht is nog maar eens een staaltje van Westera’s vormtechnische beheersing, met sprankelende rijmen en een meeslepend ritme. Ook ‘Het familiediner’ valt op, al is het maar als langste gedicht. De beschrijving van het gekibbel tussen vegetariërs, veganisten en vleesfanaten is hilarisch, en dat zonder te oordelen.
 
‘Broodje gezond’ gaat over gezond eten, dik, ziek of gezond zijn. ‘Anorexia’ is een tweede gevoelig gedicht in de bundel, geschreven vanuit het standpunt van een jongen die doodongerust is over zijn zus die veel te weinig eet. Van deze gevoelige gedichten hadden er voor mij meer in de bundel mogen staan. Deze bundel vol kolder is natuurlijk van een heel ander genre dan de klassieker Dood-gewoon (Gottmer 2014), maar bevat daardoor veel minder beklijvende, dieper gravende gedichten. Ook ‘Te dik’ is me bijgebleven door de verfrissende manier waarop het vooroordelen over dik zijn ontkracht.
De slotafdeling ‘Smakelijk eten’ gaat over allerlei onsmakelijke gerechten als ‘koeienvlaai met paardenvijgen’ of ‘muktuk’ en over vieze eetgeluiden als boeren en slurpen. Heel erg ‘meeslepend’ is ‘Van kop tot kont’. Het begint met ‘Ik ga of reis en ik neem mee’ en beschrijft vervolgens de ‘reis’ van het eten door het hele spijsverteringsstelsel. Je glibbert als het ware door rijm en ritme met dat eten mee:
 
‘Dan glibber ik het keelgat in.
De luchtpijp nemen heeft geen zin,
daar wordt ik toch, na veel gehoest
en ademnood weer uitgeproest.
Het moet en zal de slokdarm zijn.
Die slikt me in en knijpt me fijn,
waarna ik in de maag beland.’
 
De voorbeelden hierboven maken al duidelijk hoe vanzelfsprekend en meeslepend Westera’s rijmcombinaties zijn. Zelf aan een cliché als de rijmcombinatie ‘grapje – dat snap je’, weet ze een nieuwe glans te geven. ‘Broodje Aap’ gaat over de kannibaal van Amerongen, die kinderen en hun oppas verorbert: ‘Hij neemt ze mee naar huis en maakt ze klaar / met zout en peper. Nee, dit is geen grapje. / Het jongetje is in een uurtje gaar, / de oppas vraagt iets langer tijd, dat snap je.’ Nog meer dan het rijm laat het ritme je over de regels huppelen. Als er al eens een afwijking van het metrum te bespeuren valt, is die gewild, zoals in ‘Iedereen moet eten’, waarin die antimetrie de klemtoon doet vallen op de laatste woorden. ‘Van de worm die wordt verorberd door de kluut of de kanoet/ tot de mug die zich tegoed doet aan jouw bloed.’ Let ook op de vele assonanties en alliteraties die ál Westera’s verzen doen klinken.
 
Opvallend vaak werkt de dichter met opsommingen, waarin ze telkens verrassende, ‘ongerijmde’ combinaties verwerkt, die de kern vormen van humor, zoals in ‘Fastfoodrace’:
 
‘De laatste tussentijd is voor de Pasta Bolognese.
De durum knalt door rood en wordt gediskwalificeerd.
De vegaburger Plus lijkt vooralsnog het snelst te wezen.
Een pittabroodje kaas-tomaat maakt tempo en probeert…’
 
Westera is gefascineerd door bijzondere, ongewone, klankrijke of meerduidige woorden en uitdrukkingen. Ze speelt er overvloedig mee: van ‘tweesmaakpapillen’ over ‘keutelkoek’ tot ‘krekelkweker’ en van ‘geraffineerd’ over ‘vogeltrek’ en ‘uitje’ tot ‘kraak noch smaak’ of ‘naar de maan lopen’. De vele, verrassende woordspelingen kunnen de (jonge) lezers ongetwijfeld zin doen krijgen in taalspel voor fijnproevers.
 
Ten slotte zorgt Westera voor afwisseling in de bundel, met langere gedichten (in de traditie van Annie M.G. Schmidt) en kortere gedichten (in het spoor van Kees Stip en De Schoolmeester), met gedichten en informatieve stukjes (met achteraan de waarheid over de Broodje-aapverhalen en stukjes ‘meer weten over’) en met wisselende perspectieven, soms door een alwetende verteller, soms door een kind of dier in de ik-vorm en soms ook in de wij-vorm, door tomaten, bananen of teken.
 
Op de illustraties van Sylvia Weve raak je zoals altijd niet uitgekeken. Zowel de uitbundige, nonsensicale combinaties als de zwarte humor en zelfs sommige woordspelingen brengt ze feilloos in beeld. Kijk maar naar de overdreven voorstelling van het darmenstelsel bij ‘Van kop tot kont’ of de grappig-griezelige prent bij ‘Zwarte weduwe’ of nog de visuele overdrijving bij ‘Wakker dier’, waarbij het, door het vertekende perspectief, lijkt alsof de biggen echt opeengestapeld liggen in de stal.
 
Het is zonder twijfel smullen van de verzen in dit boek, zelfs al dacht je geen poëzie te lusten.  
 
Bette Westera, Sylvia Weve: Er vloog een vliegje in de vla. Gedichten en gedachten over eten, Gottmer, Haarlem 2025, 89 p. : ill. ISBN 9789025781163. Distributie L&M Books


deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, DECEMBER 2025

De zwarte poel

Jan Vantoortelboom

Engelenbrood

Patti Smith

Het Nachtlicht

Erik Vlaminck

Sodomiet

Alexandre Vidal Porto

Wie is bang voor vrouwelijke kunstenaars? Belgische kunstenaressen van 1880 tot nu

Christiane Struyven

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, DECEMBER 2025

De geheime bibliotheek. Wie redt de magische boeken?

Nina George, Jens J. Kramer, Hauke Kock (ill.)

Kiki & ik

Leo Timmers

Peter Pan

J.M. Berrie, Floor Rieder (ill.)

Plassen op schrikdraad

Simon van der Geest, Karst-Janneke Rogaar (ill.)

Properzia

Jean-Claude Van Rijckeghem

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri