9+ - Eten is razend populair in kinderboeken. Er zijn zelfs wetenschappelijke artikelen en boeken over geschreven en congressen over gehouden. Op een poëziebundel over eten was het nog wachten tot het duo Westera-Weve zich erover boog. Zoals in hun vorige boeken valt meteen de verbluffende technische vaardigheid op van zowel dichter
als illustrator, die hun metier tot in de puntjes beheersen.
De bundel telt vijf afdelingen
en een ‘zo zit dat’ op het eind. Uit elke afdeling belicht ik er een of meer
opvallende gedichten. ‘Smaken verschillen’ bevat gedichten over divers smaken,
van zout en zoet tot zuur en bitter. Het openingsgedicht is al meteen typerend
voor Westera’s dichtkunst: met vanzelfsprekend lijkende rijmen en een perfect
metrische cadans zet ze een meeslepende opsomming neer met vaak verrassende
combinaties:
‘Smaken
verschillen. De een houdt van zoet,
de ander van zuur of van
bitter.
Koos kiest voor Fanta, een vampier voor bloed.
Janet houdt van glamour en glitter.’
Weves illustratie is een
wervelende zoekprent waarop je de personages die in het gedicht genoemd worden
kunt zoeken.
In
de tweede afdeling ‘Eten en gegeten worden’ wordt een mix van humor en horror
geserveerd met als ingrediënten allerlei dieren die door mensen gegeten worden
of zelf in mensen bijten zoals muggen en teken. De illustratie van Sylvia Weve
op de titelpagina maakt de insteek meteen duidelijk: tegen een gele achtergrond
tekent ze twee zwarte schimmen: een klein mannetje dat een visje eet, met een
enorme, hongerige vis achter zijn rug. ‘Viooltjes’ is een uitzonderlijk teder
gedicht in het geheel van de bundel, over de dood van een huisdier. De
‘Aaseters’ zijn bij Westera geen gieren, maar wel mensen, waardoor ze fijne,
onderhuidse kritiek geeft op het eten van vlees. ‘Broodje Aap’ legt met een
voorbeeld uit wat een broodje-aapverhaal is, een speelse noot bij de
informatieve tekstjes die tussen de gedichten door staan, met daarbij vaak de
vraag of het om een verzonnen verhaal gaat of niet.
De afdeling ‘Geen vis en geen
vlees’ serveert gedichten over groenten, vegetariërs en veganisten. Hier valt
beslist ‘Demonstratie’ op, gepresenteerd als een nieuwsbericht uit het
jeugdjournaal over een protestmars door bespoten fruit. Het gedicht is nog maar
eens een staaltje van Westera’s vormtechnische beheersing, met sprankelende
rijmen en een meeslepend ritme. Ook ‘Het familiediner’ valt op, al is het maar als
langste gedicht. De beschrijving van het gekibbel tussen vegetariërs,
veganisten en vleesfanaten is hilarisch, en dat zonder te oordelen.
‘Broodje gezond’ gaat
over gezond eten, dik, ziek of gezond zijn. ‘Anorexia’ is een tweede gevoelig
gedicht in de bundel, geschreven vanuit het standpunt van een jongen die
doodongerust is over zijn zus die veel te weinig eet. Van deze gevoelige
gedichten hadden er voor mij meer in de bundel mogen staan. Deze bundel vol kolder
is natuurlijk van een heel ander genre dan de klassieker Dood-gewoon (Gottmer
2014), maar bevat daardoor veel minder beklijvende, dieper gravende gedichten.
Ook ‘Te dik’ is me bijgebleven door de verfrissende manier waarop het
vooroordelen over dik zijn ontkracht.
De slotafdeling ‘Smakelijk
eten’ gaat over allerlei onsmakelijke gerechten als ‘koeienvlaai met
paardenvijgen’ of ‘muktuk’ en over vieze eetgeluiden als boeren en slurpen.
Heel erg ‘meeslepend’ is ‘Van kop tot kont’. Het begint met ‘Ik ga of reis en
ik neem mee’ en beschrijft vervolgens de ‘reis’ van het eten door het hele
spijsverteringsstelsel. Je glibbert als het ware door rijm en ritme met dat
eten mee:
‘Dan
glibber ik het keelgat in.
De luchtpijp nemen heeft geen zin,
daar wordt ik toch, na veel gehoest
en ademnood weer
uitgeproest.
Het moet en zal de slokdarm zijn.
Die
slikt me in en knijpt me fijn,
waarna ik in de maag beland.’
De
voorbeelden hierboven maken al duidelijk hoe vanzelfsprekend en meeslepend
Westera’s rijmcombinaties zijn. Zelf aan een cliché als de rijmcombinatie ‘grapje
– dat snap je’, weet ze een nieuwe glans te geven. ‘Broodje Aap’ gaat over de kannibaal
van Amerongen, die kinderen en hun oppas verorbert: ‘Hij neemt ze mee naar huis
en maakt ze klaar / met zout en peper. Nee, dit is geen grapje. / Het jongetje
is in een uurtje gaar, / de oppas vraagt iets langer tijd, dat snap je.’ Nog
meer dan het rijm laat het ritme je over de regels huppelen. Als er al eens een
afwijking van het metrum te bespeuren valt, is die gewild, zoals in ‘Iedereen
moet eten’, waarin die antimetrie de klemtoon doet vallen op de laatste
woorden. ‘Van de worm die wordt verorberd door de kluut of de kanoet/ tot de
mug die zich tegoed doet aan jouw bloed.’ Let ook op de vele assonanties en
alliteraties die ál Westera’s verzen doen klinken.
Opvallend vaak werkt de dichter
met opsommingen, waarin ze telkens verrassende, ‘ongerijmde’ combinaties
verwerkt, die de kern vormen van humor, zoals in ‘Fastfoodrace’:
‘De laatste
tussentijd is voor de Pasta Bolognese.
De durum knalt door rood en
wordt gediskwalificeerd.
De vegaburger Plus lijkt vooralsnog het
snelst te wezen.
Een pittabroodje kaas-tomaat maakt tempo en
probeert…’
Westera
is gefascineerd door bijzondere, ongewone, klankrijke of meerduidige woorden en
uitdrukkingen. Ze speelt er overvloedig mee: van ‘tweesmaakpapillen’ over
‘keutelkoek’ tot ‘krekelkweker’ en van ‘geraffineerd’ over ‘vogeltrek’ en
‘uitje’ tot ‘kraak noch smaak’ of ‘naar de maan lopen’. De vele, verrassende
woordspelingen kunnen de (jonge) lezers ongetwijfeld zin doen krijgen in
taalspel voor fijnproevers.
Ten slotte zorgt Westera voor afwisseling in de bundel, met
langere gedichten (in de traditie van Annie M.G. Schmidt) en kortere gedichten
(in het spoor van Kees Stip en De Schoolmeester), met gedichten en informatieve
stukjes (met achteraan de waarheid over de Broodje-aapverhalen en stukjes ‘meer
weten over’) en met wisselende perspectieven, soms door een alwetende
verteller, soms door een kind of dier in de ik-vorm en soms ook in de wij-vorm,
door tomaten, bananen of teken.
Op de illustraties van Sylvia Weve raak je zoals altijd
niet uitgekeken. Zowel de uitbundige, nonsensicale combinaties als de zwarte
humor en zelfs sommige woordspelingen brengt ze feilloos in beeld. Kijk maar
naar de overdreven voorstelling van het darmenstelsel bij ‘Van kop tot kont’ of
de grappig-griezelige prent bij ‘Zwarte weduwe’ of nog de visuele overdrijving
bij ‘Wakker dier’, waarbij het, door het vertekende perspectief, lijkt alsof de
biggen echt opeengestapeld liggen in de stal.
Het is zonder twijfel smullen
van de verzen in dit boek, zelfs al dacht je geen poëzie te lusten.
Bette Westera, Sylvia Weve: Er vloog een vliegje in de vla.
Gedichten en gedachten over eten, Gottmer, Haarlem 2025, 89 p. : ill. ISBN 9789025781163. Distributie L&M Books
deze pagina printen of opslaan