10+ - Tijdens de zomervakantie zit de tienjarige,
gevoelige Ferris met een hoofd vol zorgen. Haar inwonende oma Charisse, Ferris’
lievelingspersoon, lijdt aan een hartkwaal en ze lijkt met de dag fragieler te
worden. Bovendien krijgt Charisse regelmatig bezoek van een verdrietige geest,
een vrouw, die alleen zij en de gezinshond Boomer kunnen zien. Ferris’
zesjarige zusje Pinky doet haar uiterste best om zich tot een gezochte schurk
te ontplooien. Wild als ze is, schrikt ze er ook niet voor terug om met een
gestolen nijptang twee van haar voortanden uit te trekken. Ze is de rest van
het boek moeilijk verstaanbaar, wat leidt tot uitspraken als ‘Fchiet op, we
gaan.’, ‘Forry’ en ‘Opfij, fukkelf!’
Oom Ted verlaat zijn vrouw
Shirley en komt bij het gezin in de kelder wonen om de geschiedenis van de
wereld te schilderen. Hij geraakt echter niet verder dan een vormeloze voet in
de linkerhoek beneden. En op zolder zet een dansende wasbeer de boel op stelten
volgens Ferris’ vader. Gelukkig is er Billy Jackson, haar serene, ietwat
dromerige vriend die altijd wel ergens op een piano zit te tokkelen. Hij vormt
voor Ferris een eiland van rust en begrip wanneer de eigenaardigheid van haar
gezinsleden haar dreigt te overspoelen.
‘Elk verhaal is een
liefdesverhaal.’ Het is een wijsheid die Charisse aan Ferris meegeeft en die
een soort van rode draad vormt door heen het boek. DiCamillo laat de bijzondere
band tussen grootmoeder en kleindochter teder tussen de regels door kabbelen.
Zo lezen we hoe een wonderlijke start hen voor altijd aan elkaar klonk. Charisse
ving haar kleindochter immers eigenhandig op toen ze onverwacht geboren werd in
het zand van het kermisterrein, aan de voet van het reuzenrad. Als geen ander
verstaat DiCamillo de kunst om betekenisvolle details te laten sprankelen.
Charisse zal Ferris altijd aanspreken met ‘schat’ en telkens opnieuw slaagt de
schrijfster erin zoveel liefde te laten doorklinken in dat ene woord. Wat me
het meest raakte, was de beschrijving van het innige spelletje met hun handen
wanneer ze naast elkaar aan tafel zaten. Ze legden hun handen op elkaar en speelden
een stille wedstrijd om hun eigen hand zo vaak mogelijk bovenaan te krijgen.
‘Altijd lag
een hand van een van hen beschermend bovenop, en de hand van de ander lag
eronder, beschermd.’
We weten ondertussen dat we van DiCamillo geen gedetailleerd uitgewerkte
verhaallijn, met alle losse eindjes netjes ingestopt, moeten verwachten. De schrijfster
laat de interpretatie over aan de lezer. Ook in dit boek zit haar grote sterkte
in de subtiel beschreven dynamieken tussen haar wonderlijke personages, die
onder hun eigenaardige, vaak humoristische bovenlaag verrassend veel wijsheid
bezitten. Ferris’ moeder presenteert zich als een erg praktisch ingestelde
wiskundelerares. Te midden van alle tumult plakt zij de ene na de andere
spaarkaart vol met zegels van de supermarkt voor een gratis tosti-ijzer. Wanneer
Ferris komt vertellen dat alle chaos haar bang maakt, blijkt dat haar moeder
toch dieper over het leven nadenkt dan de eerste kennismaking deed vermoeden. Op
een zachtaardige manier stelt ze haar dochter gerust:
‘Er is niets om bang voor te
zijn, Ferris. Dit is gewoon het leven. Dit is gewoon leren leven in deze
wereld.’
Het
motto van haar vader is ‘de honden blaffen maar de karavaan trekt verder.’ En
oom Ted haalt er een schrijver uit het verleden bij: “Beda schreef dat wij als
mussen zijn die door de grote feestzaal van een kasteel vliegen.’ En zo staat
het boek vol met prachtige uitspraken die aan het denken zetten. Wie tussen de
regels leest, voelt al snel aan dat DiCamillo ons iets wil vertellen over de
kunst van gelukkig zijn in dit onvoorspelbare leven.
Er staat duidelijk iets groots
te gebeuren en de onderhuidse spanning neemt toe naarmate het verhaal vordert.
Uiteindelijk vertelt de geest aan Charisse wat ze nodig heeft. Ze wil dat er voor
één keer veertig kaarsen branden in de antieke kroonluchter van de eetkamer,
zodat de geest van haar man haar kan vinden. De familie maakt voor deze
gelegenheid een chique diner klaar, waarvoor enkele verassende gasten mee aan
tafel schuiven. In de filmische scene die volgt zitten ze samen rond de tafel
die gedekt is met het mooiste servies en het familiebestek. De kaarsen flakkeren
in de kroonluchter. Een mysterieuze windvlaag trekt door het openstaande raam
en plots danst er een wolk van motten met witte vleugels rond de vlammen. Het
licht brengt troost en herstel, zonder dat je er als lezer precies de vinger op
kunt leggen. Na deze avond laat de geest zich niet meer zien en lijkt iedereen
in de familie de draad weer een beetje te kunnen oppakken. De positieve
evolutie voelt precies op zijn plaats, al lijkt de geboorte van een baby bij
Fred en Shirley net een tikkeltje té overhaast en kunstmatig.
Knap hoe DiCamillo op dit moment
in het verhaal het thema van dood en rouw weet te omringen met de heersende
positieve energie. Op haar sterfbed zegt Charisse op haar typische, hartelijke
manier tegen Ferris ‘Ik hoef helemaal niet terug te komen. Ik heb nergens spijt
van. Ik heb alles afgerond. Het is wondermooi geweest, schat. Wondermooi.’
Hiermee geeft ze haar kleindochter een krachtig handvat om haar overlijden te
accepteren en een plaats te geven, te midden van haar verdriet.
Kate DiCamillo:
Ferris, Querido, Amsterdam 2025, 176 p. : ill. ISBN 9789045130941. Vertaling
van Ferris door Annelies Jorna. Distributie L&M Books
deze pagina printen of opslaan