De laatste klanken van Icarus

‘Waar je de rest van je leven ook naartoe gaat, als je zo gelukkig bent geweest om in Parijs te hebben gewoond toen je jong was, dan blijft die stad bij je…’ (Mary Hemingway)  

Na het behalen van zijn middelbareschooldiploma bracht Arjen van Meijgaard (1973) een jaar in Parijs door voordat hij aan de Universiteit van Utrecht Nederlands en Frans ging studeren. De ervaringen die hij in dit tussenjaar als au pair (en straatmuzikant) opdeed, vormden de inspiratie voor het verhaal dat hij in De laatste klanken van Icarus vertelt.  
 
De roman is opgebouwd uit twee delen waarin het vertelperspectief de lezer in verwarring brengt. In het eerste deel wordt aan de hand van dagboekfragmenten het leven gereconstrueerd van een achttienjarige Nederlandse jongen die als au pair in de buurt van Parijs gaat werken. In notitieboekjes beschrijft hij zijn dagelijkse leven in het gastgezin en zijn verkenningstochten door de Franse hoofdstad. Op een van deze wandelingen maakt hij kennis met Milan, een straatmuzikant die voor het Musée d’Orsay fagot speelt. Dit brengt hem op het idee om in zijn vrije tijd op straat viool te spelen. Milan leert hem de kneepjes van het vak en deelt zijn standplaats voor het museum met hem. Hier ontmoet hij Julie, een studente aan de kunstacademie op wie hij verliefd wordt. Naar mate hij vaker op straat speelt, begint hij een onrust te voelen: hij wil geen vaste structuur meer hebben, maar vrij zijn. Hij zegt zijn baan als au pair op en wordt fulltime straatmuzikant. Langzaam verwatert zijn vriendschap met Milan en komt zijn relatie met Julie onder druk te staan, wanneer hij op zoveel mogelijk plaatsen in de stad wil spelen. Alleen op de Pont des Arts, waar hij de ik-verteller van het tweede deel ontmoet, verdwijnt zijn rusteloosheid.
 
De dagboekfragmenten worden onderbroken door intermezzo’s die zich vijfentwintig jaar later afspelen. De ik-verteller heeft een relatie met Sara die (evenals haar vrienden) op de hoogte is van zijn belevenissen in Parijs. Op een dag krijgt hij een ansichtkaart van Julie met een uitnodiging voor haar expositie in Rotterdam. Deze kaart roept spanning bij hem op, omdat hij zich afvraagt in hoeverre zijn herinneringen recht doen aan de werkelijke gebeurtenissen uit het verleden. Hij opent de schoenendoos waarin hij tastbare herinneringen heeft bewaard, opdat hij ‘de verschillende versies van het verleden’ in evenwicht kan brengen. Ondanks een schuldgevoel jegens Sara begint hij een zoektocht naar ‘Julie in het nu en in de aantekenboekjes van lang geleden’.
 
Het tweede deel begint met de zinnen: ‘Zo, daar verschijn ik zelf op het toneel. Dit is het punt dat ik in zijn leven kwam en hij in het mijne,’ waaruit af te leiden valt dat een tweede ik-verteller die niet bij naam genoemd wordt, aan het woord komt. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat zijn stem in de intermezzo’s te horen is: hij is degene die na zijn terugkomst in Nederland alles wat aan Brecht, de ik-verteller uit het eerste deel, deed denken in een schoenendoos opgeborgen heeft.
 
De tweede ik-verteller wordt opgenomen in de vriendenkring van Brecht. Vanwege de uiterlijke gelijkenis wordt hij geleidelijk de stand-in van Brecht: hij zit model voor Julie (én krijgt een verhouding met haar) en speelt in Brechts plaats viool als deze een opdracht aangenomen heeft waar hij bij nader inzien geen zin in heeft. Ondertussen vervreemdt Brecht steeds meer van zijn omgeving. Zijn tomeloze ambitie leidt uiteindelijk tot een dramatische gebeurtenis. Niet veel later keert de ik-verteller terug in Nederland, waar hij met zijn verhalen de herinneringen aan zijn Parijse periode probeert vast te houden. Nadat hij de uitnodiging van Julie heeft ontvangen, herleest hij de dagboekaantekeningen van Brecht en vraagt zich af in hoeverre hij zich diens leven heeft toegeëigend. Hij besluit naar Parijs te gaan om Julie te zoeken en deze vraag te beantwoorden.
 
De uitspraken van Lançon en Campert die als motto aan het verhaal voorafgaan, verwijzen naar het centrale thema van dit boek: de werking van het geheugen. Hoe ‘waar’ zijn onze herinneringen? Waar ligt de grens tussen verbeelding en herinnering aan de geleefde werkelijkheid? Hoe worden herinneringen beïnvloed door de woorden die gebruikt worden om erover te vertellen? Van Meijgaards ik-vertellers proberen in woorden te vangen wat zij beleven: de een doet verslag in zijn dagboeken, aan de hand waarvan de ander probeert het verhaal te verifiëren dat hij aan zijn vrienden heeft verteld. Wat zijn eigenlijk zijn eigen herinneringen? In hoeverre heeft hij gebruik gemaakt van de hoogtepunten in Brechts leven om het zijne betekenis te geven?
 
Daarnaast voert de auteur het dubbelgangermotief op. Hoewel de beide jongens uiterlijk op elkaar lijken, om dezelfde reden een jaar in het buitenland door brengen en niet onverdienstelijk viool spelen, leven ze toch in twee parallelle werelden. Brecht heeft het burgerlijk milieu verlaten en leeft als een solitaire, die net als de hoofdpersoon in Ionesco’s gelijknamige roman gedreven wordt door een existentiële angst. De tweede ik-verteller wordt weliswaar aangetrokken door het onconventionele kunstenaarsmilieu, maar hij blijft verbonden met het burgerlijk leven. Het is daarom betekenisvol dat hij tijdens zijn eerste ontmoeting met Brecht het boek Een zachte vernieling van Hugo Claus bij zich heeft. Immers, ook in deze roman wordt de hoofdpersoon geconfronteerd met onvervulde dromen en vervlogen illusies uit het verleden.
 
Dit is niet de enige vorm van intertekstualiteit die in de roman voorkomt. Daar muziek een belangrijke rol speelt, wordt vaak verwezen naar de stukken die de personages beluisteren of spelen. Daarenboven roept de naam ‘Icarus’ in de titel associaties op met het personage uit de Griekse mythe die door zijn overmoed zijn ondergang tegemoet gaat.
 
De laatste klanken van Icarus is een psychologische roman die een groot publiek verdient: er wordt een aantrekkelijk sfeerbeeld opgeroepen, waardoor de lezer als het ware met de personages door Parijs wandelt. Het aansprekende onderwerp en het heldere taalgebruik maken de roman ook geschikt voor de leeslijst van scholieren. Bovendien levert het verhaal mede dankzij het open einde voldoende gesprekstof voor leesclubs op.
 
Arjen van Meijgaard: De laatste klanken van Icarus, kleine Uil, Groningen 2022, 175 p. ISBN 9789493170858

© 2024 | MappaLibri