Septemberzee

In Septemberzee gaat Willem Jan Otten verder met zijn poëtische mijmeringen. Gebeurtenissen en ervaringen uit zijn eigen leven worden steevast vertolkt op een persoonlijke maar tegelijk universele wijze. In dit concrete geval valt op hoe de bundel geheel in het licht staat van het einde: het woord ‘laatste’ duikt voortdurend op, als een soort van subtiel leidmotief. Dat vindt zijn aanleiding allereerst bij de ouder wordende dichter, die blijkbaar recent te maken heeft met zijn lichamelijke falen: een van de reeksen in deze bundel verwijst naar een hartoperatie, die het lyrische ik intens confronteert met de grens tussen leven en dood. Op de voorgrond speelt ook mee dat tal van bekenden uit de kring van Otten de jongste jaren zijn overleden: zijn bundel bevat een aantal in memoriamgedichten voor bevriende dichters, muzikanten, toneelregisseurs.  

Het is echter typerend hoe in de bundel nauwelijks sprake is van een tragisch verlies, van panische angst voor de dood. Integendeel, voortdurend is iemand aan het woord die weliswaar twijfelt maar die tegelijk vol vertrouwen zijn levenseinde onder ogen tracht te zien. Dat heeft uiteraard veel te maken met de bekering van Otten, waardoor hij het menselijke leven steevast plaatst in het perspectief van de eeuwigheid, met God als een permanente liefhebbende (zij het voor de mens niet te vatten) aanwezigheid. Dat religieuze perspectief wordt hier eigentijds als een dragende kracht ervaren, eerder dan als een ouderwets geloof in de hemel en de hel. Het is geen toeval dat Otten in Septemberzee herhaaldelijk verwijzingen verwerkt naar het werk van de Oosterse mysticus Rumi. Ottens eigen geloof berust evenzeer in een soort van subtiele mystieke ervaring, een aanvoelen eerder dan het zich onderwerpen aan een strakke geloofsleer.
 
Bovenal is de dichter zich bewust van de mogelijkheden die de poëzie hem biedt om op zoek te gaan naar het oneindige in wat doorgaans als eindig en nietig wordt ervaren. De natuur krijgt in deze bundel opnieuw de symboliek van krachten die de mens te boven en te buiten gaan maar die intens met het menselijke bestaan zijn verbonden: vooral het water en de wind zijn belangrijke motieven. Ze vallen nauwelijks op, maar reiken verder dan wat wij kunnen zien of aanvoelen. Het water, een centraal symbool vanaf Ottens allereerste bundels, is daarbij duidelijk allegorisch voor het leven van de mens, net zoals september verwijst naar de aftakeling en het geleidelijke verdwijnen. Tegenover dat besef kan de mens zich enkel staande houden door aanvaarding en loutering, niet enkel passief maar actief; de dichter kijkt die tijdelijkheid intens onder ogen, en de spanning tussen verleden, heden en toekomst wordt in veel van de gedichten beeldend uitgespeeld.
 
Otten is inderdaad meesterlijk in het uitvergroten van details, in het transformeren van een ochtendlijke zwempartij in zee tot een magistraal beeld van oneindigheid (zoals in het titelvers gebeurt). Daarenboven gelooft hij dat ieder bestaan sporen nalaat: er is uiteraard de productie van een kunstenaar, maar ook andere mensen blijven voortbestaan in de mensen die aan hen denken en de voorwerpen die ze hebben gekoesterd. De kleine blokfluit van de overleden vader wekt hem na vele jaren terug tot leven, de muziek brengt ons in vervoering, de herinnering doet het verleden even herleven. Het menselijke bewustzijn weet in deze gedichten door te klinken op een aangrijpende en bijzonder leerzame manier. Otten is niet alleen een begenadigd lyricus, hij is ook een ingrijpend denker, die van de broosheid een artistieke sterkte weet te maken.
 
Willem Jan Otten: Septemberzee, Van Oorschot, Amsterdam 2024, 74 p. ISBN 9789028242135. Distributie New Book Collective 

© 2026 | MappaLibri