‘Verhalen’: zo staat het op het omslag van De zomer van 197’
van Stijn Tormans. Of het hier gaat om verhalen in de
literaire betekenis van het woord - fictieve bedenkingen binnen een
beperkte tekst ruimte - , doet er in wezen weinig toe: de journalist die
Tormans is (hij schrijft voor Knack),
gaat in zijn bijdragen die hier worden verzameld, op zoek naar het nieuws
achter het nieuws. Een boek over ‘vergeten mensen die plots op de grond vielen’,
een uitspraak die hem wordt ingegeven door het lot van een zekere Noel
Laquiere, die in de hete zomer van ’76 ‘even wereldberoemd was’ en in het
centrum van Antwerpen na een hartfalen drie uur lang op de grond lag voordat
iemand aandacht aan hem besteedde. Tormans:
‘Vandaag zou dat zelfs geen fait
divcrs meer zijn. Er liggen zoveel Noel Laquieres op de grond dat ze niet meer
opvallen.’
In
die zin ook is de titel van het boek enigszins misleidend: Stijn Tormans mag
dan wel geboren zijn in 1976, de figuren die hij in zijn reportages postuum een
stem geeft, hebben doorgaans niets, of toch alleszins heel weinig, te maken met
het jaar ’76 zelf. Of het moet metaforisch zijn:
‘ze hebben allemaal hun
tropische storm meegemaakt. Hun zomer van 1976, ook al klopte het jaartal niet
altijd.’
De
verhalen uit De zomer van 1976 meanderen
in tijd en ruimte. Tormans bezoekt Plains om er gewezen VS-president
Jimmy Carter te ontmoeten, hij trekt naar Positano, een dorpje dat zo’n twee
uur rijden van Napels verwijderd ligt, om er de sporen terug te vinden van Vali
Myers, die na de breuk met fotograaf Ed van Elskens (1925-1990) met haar
geliefde een kluizenaarsbestaan leidde in het woud van Positano. Ook een aantal-dicht-bij-huis-verhalen
weten de lezer in hun directheid en door de zorgvuldig gekozen invalshoek te
raken.
Niet de
sensatie van het nieuws-van-het-moment weegt hier door, wel de manier waarop
mensen die een en ander schokkend feit in de marge hebben meegemaakt, krijgen
hier een stem: hoe hebben de vrienden van weleer in Loksbergen de leemte
opgevuld die in hun leven is ontstaan toen bekend raakte dat Ronald Janssen een
seriemoordenaar was? Hoe was en is het gesteld met de laatste bewoners van
de ‘vergeten straat’ rond de Brusselse Ring, die uiteindelijk – ‘ze werden
ingehaald door het leven’ – ook werden onteigend? Er zijn verder in het boek de
kleine geschiedenissen van kleine mensen die hun droom moesten loslaten:
de eigenaars van de mooiste schelpenwinkel in Oostende die ook al moeten plaats
maken voor projectontwikkelaars; er is het West-Vlaamse koppel dat bij
Route 66 een motel ging runnen, maar daar geconfronteerd werd met het failliet
van hun liefde; er is het verhaal van de kerkdief met wie Tormans een
correspondentie opzet terwijl hij zijn gevangenisstraf uitzit…
Uit zowat alle
gevallen die Tormans aan het grote vergeten ontrukt, spreekt een tragisch
geladen dynamiek die de lezer tot nadenken stemt. Waarom bijvoorbeeld hebben de
overlevenden van de brand in het college van Berkenbos, waarbij 23 jongens het
leven lieten, het zo moeilijk om er echt over te praten? Veelzeggend hier – en
daar moet Tormans zich bij neerleggen – is de bemerking van een de jongens van
toen: ‘Soms is stilte ook goed.’ Dat is wat rest voor de lezer die voor de duur
van het relaas dat Tormans wijdt aan vergeten mensen: even stil worden, even
los komen te staan van de waan van de dag. Alleen al daarom verdient De zomer van 1976 een groot lezerspubliek.
Antwerpen : Polis 2016, 260 p. ISBN 9789463101158
© 2025 | MappaLibri