Baron Roderick Ponto da Ponte krijgt het warm noch koud, wanneer
hij in zijn palazzo op Sicilië verneemt dat zijn groottante aan moederskant in
het verre Meetjesland de geest heeft gegeven. Pas wanneer de aan roesmiddelen
verslaafde zoon van een mislukte Vlaamse filmactrice en een aan alcohol
bezweken Siciliaanse edelman door een anonieme briefschrijver wordt aangepord om
de omstandigheden van het sterfgeval te komen onderzoeken, zet hij meteen koers
naar het ‘liederlijk donkere land der Coburgers’. Daar aangekomen trekt de
vrijgezel in bij zijn moeder en haar bijzit.
Zijn moeders mosselhuis is een
van de levendigste plekken in het oer-Vlaamse dorp waar de dagen worden gevuld
met kwaadspreken, kletsen, eten, drinken, en hofmakerij. De tijd lijkt er ruim
vijftig jaar stil te hebben gestaan, een indruk die in de hand wordt gewerkt
door het slag van dorpelingen dat voor het voetlicht wordt gehaald. Maken onder
meer hun opwachting: een veldwachter die geregeld op pad is met een pedofiele
handelaar in beestenvellen, een door hartenpijn verscheurde caféhoudster, een
melkmeisje, meerdere keukenmeiden, een prediker die tevergeefs zijn volgelingen
op het rechte pad probeert te houden.
Het gevoel dat de tijd is
teruggedraaid wordt nog versterkt door Roobjees archaïsche taal. De Gentse
schrijver/beeldend kunstenaar/theatermaker (1945) bedient zich royaal van in
onbruik geraakte verbuigingsvormen en vervoegingen. Van zijn van onder het stof
gehaalde woorden, komen er wel nog heel wat voor in het dialect van de regio,
dus wie daar voeling mee heeft, zal minder vaak struikelen over de acrobatische
zinnen. In dit retrodecor komen actuele verwijzingen en modewoorden - het
verhaal speelt zich wel degelijk af in de eenentwintigste eeuw -
anachronistisch over. Opvallend aan Roobjee’s stijl is ook zijn eigenzinnige
beeldspraak, die onder meer bijzondere eenheden van lengtemaat oplevert, zoals
de lengte ‘van drie kinderneuzen’ of ‘van een opgeschoten knapenelleboog’.
Een stukje
Roobjee proeven en tegelijk kennismaken met de dorpsgigolo Delmar Swyngedau?
‘Zijn lichaam, dat uit taankleurig marmer leek gehouwen,
hoefde in volmaaktheid niet voor de mooite zijner wezenstrekken onder te doen.
[…] ‘Ik ben het slachtoffer van mijn schoonheid,’ zei hij dikwijls schertsend
en het is waar wat hij oppert en dus niet gelogen. Nu, op de weg die het dorp
met madame Elvire haar spijshuis verbindt, fazelt de betaalde minnaar van
razend gulle, overrijpe en zeer dwaze wijven: ‘In de wolken en uit de wind,
alles voor de show en de centjes, schaverdijn ik uitdagend verzaligd door mijn
dagen, gelukskind dat ik ben.’
De personages die uit Roobjees taaie taalklei verrijzen,
zijn regelrechte karikaturen, wat niet hoeft te verbazen, want zijn romans zijn
in de eerste plaats kluchtige taalfestijnen. Voor de liefhebbers is zijn
verheven woordenkramerij zwelgen in genot, koelere minnaars van zo’n barokke
overdaad hoeden zich best voor een indigestie.
Amsterdam : Querido 2016, 271 p.
ISBN 9789021402024
© 2025 | MappaLibri