‘Ik ben geboren in een woud zonder grenzen, oud en woest als de schepping zelf, waar de bizon zwierf en de bomen ouder waren dan alles wat leefde.’
Deze feeërieke setting vormt het begin van Marcel Mörings recentste roman Eden. Aan het woord is Niekas, wat niemand betekent, een veelbetekenende naam voor een jongen van wie het door zijn zwakke aard was voorbestemd dat hij zijn kindertijd niet zou overleven.
Tegen alle verwachtingen groeit Niekas
voorspoedig op, maar omdat hij openstaat voor verandering en de wereld buiten
zijn dorp beter wil leren kennen, bestempelen de anderen hem als een
buitenbeentje en laten ze hem liever links liggen. Enkel de oude wijze Jakub
bekommert zich om Niekas. Aan de hand van vele verhalen uit zijn persoonlijke
verleden leert Jakub Niekas de wereld kennen. Hij brengt hem eveneens bij hoe
hij moet lezen en schrijven, iets wat Niekas in zijn latere omzwervingen van
pas zal komen.
Aan die sprookjesachtige vertelling
komt op pagina 60 van Eden een abrupt
einde, wanneer Möring een tweede grote verhaallijn introduceert, met name die
van psychiater Mendel Adenauer. Vanaf dan zal Möring afwisselen tussen beide
verhalen. In dat van Adenauer komen we meer te weten over enkele van Adenauers
opvallende patiënten, maar ook krijgen we inzicht in zijn eigen leven dat her
en der op de voorgrond wordt geplaatst. In dat van Niekas reizen we met dit
mysterieus personage door de tijd heen: in wisselende gedaanten onder de namen
van onder meer Schwarz en Zwart komt hij in diverse contexten terecht: hij
zwerft in donkere wouden, gaat in opdracht op zoek naar het mysterieuze Boek
van Raziël, werkt als kopiist in een middeleeuws klooster en houdt de
boekhouding van een landbouwer bij.
Möring werkt zich
bij het afwisselen van de twee verhaallijnen in de kijker als een
meesterverteller. Zijn schrijfstijl wijzigt al naargelang het stofcomplex: de
poëtische manier van vertellen die hij in de beginpagina’s van Eden hanteert,
ruilt hij bij het verslag van Adenauers wedervaren in voor een zakelijke, zelfs
steriele stijl. Dat is ook zichtbaar in de lay-out: Möring heeft ervoor
geopteerd om beide verhalen in een verschillend lettertype te laten zetten. Ook
de verscheidene avonturen van Niekas zijn op een aparte wijze gemarkeerd:
telkens Niekas in een andere tijdszone terechtkomt, wordt dit aan het begin van
een hoofdstuk met een nieuw symbooltje aangegeven. Zo staat bijvoorbeeld de
boom voor zijn tijd in het dorp in het woud en wijst de initiaal op de periode
waarin hij als kopiist en klerk aan de bak komt. Daarnaast voegt Möring ook
binnen zijn twee uiteengezette verhaallijnen verschillende genres en
onderliggende verhalen toe, zoals de avonturenverhalen van Jakub of de
wetenschappelijke papers die Adenauer van Benthe toegestuurd krijgt.
Eden is doorspekt van
de religieuze referenties, zonder dat die voor de lezer storend of aanmatigend
overkomen. Daarbij is het bewonderenswaardig hoe Möring twee religieuze bekende
denkbeelden subtiel heeft verenigd en als de grondlaag van zijn roman heeft
verwerkt: de ballingschap van de mens uit het paradijselijke Eden en de
veroordeling van Ahasverus, de jood die Christus op weg naar het kruis zou
hebben geslagen, om tot aan de Dag des Oordeels over de aarde rond te zwerven.
Niekas kan zich niet tevreden stellen met zijn persoonlijke leefwereld en
verwerft via Jakub nieuwe kennis en vaardigheden. Die zorgen ervoor dat hij
uiteindelijk zijn geboorteplek verlaat en aan de lokroep van het vreemde gehoorzaamt
door van de ene naar de andere plek te trekken. Niekas kondigt dit al impliciet
aan bij het begin van het verhaal:
‘Ik leefde in de tuin van Eden, maar was als
Adam hongerig naar de vrucht die kennis heet en zou erin bijten als mij die
werd aangeboden. Ik was hier, maar op weg naar daar, ook al had ik nog geen
stap gezet.’
Die rusteloosheid vinden we eveneens
terug in het verhaal van Adenauer. In feite lijkt de psychiater niet ingrijpend
van zijn patiënten te verschillen. Ook hij valt aan zijn eigen agitaties ten
prooi:
‘En ik
begin nu zoveel in mijn patiënten te herkennen dat ik mij soms afvraag wie wie
behandelt.’
De Wandelend Jood is een herhaaldelijk
gebruikt motief in Mörings oeuvre: ook in de roman In Babylon (1997) staat dit thema centraal. Een ander parallel met
zijn oeuvre vormt het personage Adenauer. In Mörings debuut Mendel of Mendels erfenis (1990) wordt deze figuur al als hoofdpersonage
opgevoerd. Eden zelf is dan weer het
sluitstuk van de trilogie waarvan Dis
(2006) en Louteringsberg (2011) de
eerste twee boeken vormen.
Mörings bijnaam zou wel
eens Caerostris darwini kunnen zijn, een spin wiens web uitermate uitgestrekt
en stevig is: Möring heeft niet alleen aandacht voor parallellen tussen zijn
verschillende boeken, maar ook in Eden
zelf heeft hij een duizelingwekkend web van verschillende taalregisters, genres
en verhaallijnen gesponnen. De gedaanteverwisselingen van Niekas, de dolende
patiënten van Adenauer en diens eigen zwerftochten zijn op uiteenlopende, en
soms wel verstikkende, wijzen aan elkaar verbonden via linken die niet altijd
even geslaagd of duidelijk zijn. Eden kan als een veeleer hermetische roman
worden gekwalificeerd die uiterst geschikt is voor een lezer die zich niet door
een indrukwekkende hoeveelheid aan details, mysterieuze zwarte gaten of
onverwachte verhaalwendingen laat afschrikken. Niet elke lezer zal echter even
bereid zijn om mee te gaan in de talrijke omzwervingen die Möring op papier
heeft gezet.
Amsterdam
: De Bezige Bij 2017, 400 p. ISBN 9789023496144. Distributie WPG Uitgevers
Meer besprekingen over Marcel Möring
© 2025 | MappaLibri