Leo Peeraer is – tegen zijn eigen
wil in – in de loop der jaren uitgegroeid tot de grootste poëzie-uitgever in
Vlaanderen. Uitgeverij P heeft onderdak geboden aan heel wat (oudere) dakloos
geworden dichters. Tegelijk geeft de uitgever ook ruimte aan boeken met een
meer artistiek-visuele inslag. De ommeloze
is een boek dat beide componenten in zich verenigt. Op de kaft prijkt weliswaar enkel de naam van fotograaf
Carl Deseyn, maar in het boek zelf spelen ook de dichters Annie Reniers en
Claude van de Berge een prominente rol.
De ‘ommeloze’ is een
eeuwenoude boom in het dorpje Leupegem in de buurt van Oudenaarde. De esdoorn
staat er helemaal geïsoleerd in het landschap. Op die manier staat hij symbool
voor een vergaan verleden (dat in de vorm van een levend monument blijft
voortbestaan en ons met dat verleden confronteert), maar ook voor de natuur die
zich als het ware overeind houdt in een vermenselijkte (onderworpen) wereld.
En, niet te vergeten, als verticaal object in een horizontaal landschap vormt
de boom het symbool bij uitstek van de mythische ‘axis mundi’, de verbinding
van hemel en aarde (zelfs de onderaarde, via de wortels. Al die elementen krijgen
in deze fraaie uitgave hun plaats.
Fotograaf Deseyn schrijft enkele beschouwingen over de
esdoorn: biologische weetjes maar geschreven met een hart voor de natuur, maar
ook over de mythische verhalen die met bomen zijn verweven. Centraal staat
echter zijn fotografisch werk. Tientallen malen heeft hij die ene boom in dat
haast onveranderlijke landschap gefotografeerd. Dat resulteert in een lang
fresco dat de seizoenen subtiel laat zien. Belangrijker dan dat is echter de
vaststelling dat de fotograaf zich bij uitstek bewust is van zijn eigen focus.
De boom wordt uit allerlei hoeken gefotografeerd, met frappante detailopnamen
of integendeel als een detail in een grootse ruimte. Soms lijkt de boom in het
landschap te verdwijnen, elders staan zijn contouren haarscherp getekend, en in
het begin van het boek doemt hij sfeervol op in een beregende lens (of door een
raam). Het lijken wel uiteenlopende grafische technieken, van de ets tot het
impressionistische schilderij, die hier een fotografisch equivalent krijgen.
Die beeldroman
– om het maar zo te noemen – krijgt een omkadering door enkele gedichten van
Annie Reniers en Claude van de Berge. Dat is geen toeval. Ook zij zijn bij
uitstek geboeid door die filosofische kijk op de wereld en de mens, op de
manier waarop dingen in feite bezielde wezens worden, symbolen van een wereld
die wij als moderne mens grotendeels tot objecten hebben gereduceerd. In het
geval van Reniers leidt dat tot een reeks gedichten die duidelijk aansluiting zoeken
bij bepaalde foto’s. Sterren, seizoenen, de lucht wendt zij aan om haar visie
op de boom extra reliëf te geven. Vooral de verbondenheid wordt beklemtoond. De
boom symboliseert, net door zijn ogenschijnlijke eenzaamheid, de verwevenheid
met de aarde, met de lucht, met de kosmos maar ook met de mens. Mensen en bomen
zijn kinderen van dezelfde aarde. Van de Berge kiest voor enkele gedichten die
balanceren op de rand van prozateksten. In melodieuze zinnen, met veel gevoel
voor accenten en een spel van herhalingen, tonen en tegentonen, roept hij het
beeld op van de boom als een visioen, als een verwachting, als een plotse
epifanie. Op die manier vormen deze gedichten een prima introductie op het werk
van auteurs die vaak als hermetisch of moeilijk worden ervaren. Beeld en tekst
zijn hier meer dan twee bestanddelen, ze worden een geheel. De ommeloze zal
het, traag en bedachtzaam, graag horen.
Leuven Uitgeverij P. 2016, 120
p. ISBN 9789492339003
© 2025 | MappaLibri