Ogentroost

De teloorgang van de tover  

De jongste roman van A.H.J. Dautzenberg, Ogentroost, werd op dinsdag 4 oktober in Tilburg gepresenteerd. Het was die dag Werelddierendag en dat was geen toeval. Het boek gaat over Ef, een eigenzinnige vrouw die in een stacaravan woont en die in de geest van Franciscus van Assisi met de flora en fauna in haar tuin praat en samen met hen een paradijs probeert te scheppen.
 
Althans, zo begínt het boek, want min of meer halverwege ontaardt de roman in… iets heel anders. Wie het boek uitleest en dichtslaat, blijft aanvankelijk nogal verbluft achter. Het werk doet wat chaotisch aan, zodanig dat de lezer haast concludeert dat Dautzenbergs fameuze experimenteerdrift deze keer toch echt te ver is doorgeschoten, en dat de geëngageerde auteur met deze roman te veel stellingen wil verdedigen.
 
Maar wie moeite doet, zal in dit boek juist een hechte eenheid en vernuftige structuur ontdekken. Ondanks de experimenten blijft de inhoud bijvoorbeeld dicht bij de titel. Het primaire thema is namelijk het kijken, meer specifiek de troost die de binnenwereld kan ervaren door zich via de ogen te verliezen in bewondering voor de bonte buitenwereld. De schoonheid van de natuur, de wolken- en sterrenhemel, de vrouw, de man, het dier, de literatuur, de filmkunst; stuk voor stuk (en min of meer in die volgorde) komen ze aan bod, als visuele bronnen van schoonheid en zingeving.
 
En zo leidt het eerste thema naar een tweede thema, dat vooral wordt verwerkt middels het Franciscusmotief, namelijk de ontoereikendheid van de menselijke taal, die ons niet in staat stelt om onze (extatische) ervaringen adequaat in woorden te vangen, maar ons wel een heel eind op weg kan helpen. Ef spreekt met de dieren en planten en symboliseert zowel de verbondenheid als de kloof tussen mens en dier. De dieren en planten spreken ook terug, maar langzaamaan wordt duidelijk dat dat zich wellicht vooral in het hoofd van hun verwarde gastvrouw afspeelt. De mens moet wel maar kan tegelijkertijd niet samenvallen met de natuur, zo lijkt de roman te suggereren, en de taal vormt in dat opzicht paradoxaal genoeg zowel een barrière als een hulpmiddel.
 
Het boek is bovendien opgebouwd volgens een tot in minutieus detail uitgewerkt spiegeleffect. De fundamentele dichotomie tussen buiten- en binnenwereld staat nadrukkelijk op de voorgrond, maar wordt verkend met behulp van tientallen andere tegenstellingen. Geen van die tegenstellingen wordt echter herleid tot een van twee uitersten, of tot een zogenaamd onderliggend kernbegrip. Integendeel, contrasterende begrippenparen worden gretig en zonder al te veel duiding getoond: verleden/heden, licht/donker, klinkers/medeklinkers, Nederlands/Engels, progressief/conservatief, man/vrouw, jong/oud, leven/dood, het aardse leven/het hiernamaals, bewustzijn/geheugen, betekenis/onzin, water/vuur, ouder/kind, eenzaamheid/liefde, rationaliteit/irrationaliteit.
 
Ook personages en passages hebben elders in de roman hun spiegelbeeld: de roman Ogentroost wordt gespiegeld door een filmscript; de verteller wordt gespiegeld door een filmregisseur; Ef wordt gespiegeld door twee beroemde actrices en door Emily Dickinson; de relatie tussen de verteller en Efs verhaal (die wordt beschreven in de flaptekst) wordt gespiegeld door die tussen de filmregisseur en de roman; het eerste hoofdstuk wordt gespiegeld door het laatste, net zoals de openingsscène van het filmscript wordt gespiegeld door de slotscène; de motto’s voorin, geleend van drie auteurs wiens initialen H.M. zijn, worden gespiegeld door het motto achterin over de Heilige Maagd.
 
Kortom, Dautzenberg opteert rigoureus voor een levenshouding waarbij tegenstellingen niet worden weggewerkt maar juist worden gevierd. Laat er zo veel mogelijk verschillen, tegenstellingen, ongerijmdheden en variaties bestaan, zo lijkt deze roman te zeggen, want daarin bestaan nu juist de kracht en heerlijkheid, amen.
 
Daarmee komen we bij het derde en belangrijkste thema van het boek (en wellicht van Dautzenbergs oeuvre), namelijk de teloorgang van de tover, het bedroevende onvermogen van de moderne mens om het Mysterie, inclusief al haar aberraties, te bewonderen en loven, haar te vieren omwille van het vieren zelf, zonder de drang om te duiden en tegenstellingen weg te werken. Ef vlucht weg uit een wereld waarin er voor spontane verwondering geen plaats is: de kleurenpracht van de natuur wordt misbruikt om mensen op te delen in soorten; iemand is een man of vrouw en daartussen bestaat niets; atypische mensen zijn gevaarlijke ‘gekkies’; kunstwerken zijn etalages van ijdelheid; confronterende beelden belanden in de bak met deleted scenes en moeten plaatsmaken voor een QR-code met een link naar een make-up-video; tv-presentatoren zijn luie praatpoppen; kunstenaars zijn knuffelberen en kijkcijferkansen; vrouwen zijn lustobjecten die je aan de lopende band kunt (re)produceren… Welke vrouw zou niet haar neus ophalen voor zo’n werkelijkheid?
 
Ef is psychotisch en wekt onbegrip in haar omgeving, maar de roman neemt het voor haar op en draait het verwijt om: is een samenleving waarin kleurrijke maar afwijkende geesten het ‘per definitie afleggen tegen de ijdelheid’ niet veel zieker dan eender welke van haar zogenaamd geesteszieke burgers? Of zoals een van de personages het verwoordt: ‘Wie is er niet beschadigd? Dat is het hele punt. We lijken allemaal in bepaalde mate op Ef. Ook wij proberen een paradijs te creëren, ons leven zin te geven.’
 
Tegen het einde van het boek wordt de lezer verrast door een prachtig citaat van Gerard Reve, een van Dautzenbergs meest geliefde schrijvers. Het citaat zal kenners überhaupt niet verbazen, want Ogentroost doet bij vlagen denken aan Reves roman Bezorgde ouders, waarin de alcoholistische dichter Hugo Treger een wereldlied probeert te componeren, en ook de novelle Werther Nieland, met de typische reviaanse ritueeltjes met dieren, lijkt deze roman sterk te hebben geïnspireerd.
 
Ergens doet het boek ook denken aan de film Als in een donkere spiegel van Ingmar Bergman uit 1961, die eveneens over een psychotische vrouw gaat, en waarvan de Nieuwtestamentische titel perfect boven deze roman had gepast, als beklemtoning van de mystieke sfeer en het alomtegenwoordige spiegeleffect.
 
Het boek barst überhaupt van de christelijke symboliek en Bijbelse verwijzingen: een brandende braamstruik, een kruisgang, Ef(a) in haar paradijs. Betreft dat laatste: net als de Bijbel begint dit boek in het paradijs, maar ditmaal heerst daar een vrouw. Je zou dan ook kunnen zeggen dat feminisme, of in bredere zin de waardigheid van de vrouw, een thema van het boek vormt. Dat is bijvoorbeeld ook te zien aan hoe de beroemde actrices als personages uit de verf komen: de verteller behandelt ze duidelijk met respect.
 
In sommige passages slaagt Dautzenberg er wonderbaarlijk goed in om de onmacht van de taal auditief en visueel voelbaar te maken. Met name de overgang van p.145-146 behoort wellicht tot een van de indrukwekkendste passages in de recente Nederlandse literatuurgeschiedenis. Tot dan toe is de wereld van de roman kalmpjes geëvolueerd van een veilige tuin naar een licht sadistisch universum, maar hier escaleert het verhaal. Plotseling laat Dautzenberg zien dat hij het meent wanneer hij pleit voor verdraagzaamheid voor afwijkingen en dat ‘de natuur liefhebben’ vele connotaties naast de christelijke heeft. De lezer voelt dat hij moet reageren, begint al te malen terwijl hij de pagina omslaat en wordt dan op geniale wijze gefopt. Wat resteert is het besef dat je in ronkende zinnen kan beginnen reageren, maar dat de werkelijkheid, nog voor je een eerste woord hebt gesproken, overal ter wereld al voortraast, ons altijd voor is. De taal mag nog zo heilig zijn, voor de buitenwereld is ze niet meer dan vliegengezoem.
 
Ogentroost is een zeer originele roman, met een ijzersterk gevoel voor urgentie en een vleugje jongensdromerij, een verfijning van Dautzenbergs technieken, een logische ontwikkeling binnen zijn oeuvre, een tweelingbroer van zijn roman Wie zoet is (Atlas/Contact 2015), een boek dat qua sfeer verrassend goed zou passen in zijn debuut Vogels met zwarte poten kun je niet vreten (Atlas/Contact 2011). Het blijft lonen om Dautzenberg te volgen. Boeken als Ogentroost zijn zeldzaam, veel te zeldzaam, in het hedendaagse Nederlandstalige literaire landschap.  
 
A.H.J. Dautzenberg: Ogentroost, Atlas/Contact, Amsterdam 2022, 335 p. ISBN 9789025469115. Distributie VBK België

© 2022 | MappaLibri