Het souterrain van Mance Post

Door het raam naar binnen in de wereld van Mance Post 

Mance Post (1925-2013) was een grootheid in de Nederlandse illustratiekunst. Ze was groot in vakkennis en groot in bescheidenheid.  Met personages als Madelief (Guus Kuijer) en de

 verbeelding van Toon Tellegens dierenuniversum schreef ze geschiedenis. Ze woonde en werkte in een souterrain, waar je door het raam naar binnen ging. Een nederige woonst, die ze ten tijde van de woningnood van een vriend ter beschikking kreeg, en Mance heeft nooit willen verhuizen. Ze leefde er sober en in alle onafhankelijkheid. Ze is nooit getrouwd, het idee alleen al benauwde haar; dat haar carrière dan op de tweede plaats zou komen, was ondenkbaar. Een ongehuwde vrouw, daar werd in die tijd wat meewarig over gedaan, maar ze trok zich weinig aan van wat anderen over haar dachten. Ze was alom bekend voor haar gastvrijheid. Truska Bast kon er bij het schrijven van deze biografie niet omheen: in alle gesprekken met mensen die Mance Post gekend hebben, kwam het gesprek vroeg of laat uit bij het souterrain. 

Mance is altijd al een eenling geweest. Het gezin Post met vijf kinderen woonde in een bovenwoning in Amsterdam en dat moet behoorlijk druk geweest zijn. Te druk voor Mance, die zich in haar eigen wereld terugtrok. In haar autobiografische prentenboek Ik woonde in een leunstoel uit 1979 komen haar broertje en zussen niet voor, ze heeft ze gewoon weggedacht. Op de middelbare school was Mance aanvankelijk geen succes, tot ze naar een Montessori-lyceum mocht, daar bloeide ze helemaal open. De kinderen leerden er verantwoordelijkheid dragen en men streefde naar zoveel mogelijk vrijheid. Ook al deed de omgeving er een beetje meewarig over ‘dat Mansje een beetje een raar kind was dat naar een rare school moest’, het deerde haar niet.
 
Twee gebeurtenissen uit haar jeugd hebben een grote invloed gehad op haar leven. Toen ze veertien was, stierf haar vader, naar wie ze geweldig opkeek, en een jaar later begon de Tweede Wereldoorlog. In 1944 werd Mance samen met haar vriendin Annelies Romein, opgepakt en gevangengezet door de SD. Het echtpaar Romein was lid van de communistische partij en zat in het verzet. Iemand moet hen verraden hebben, Truska Bast suggereert dat Mance Post wist wie dat was, maar het haar hele leven geheim hield. Het hele boek door blijft Bast de aandacht op deze gebeurtenissen trekken en nagaan hoe ze Mances verdere leven beïnvloed hebben.
 
Posts illustratiecarrière nam niet meteen een hoge vlucht. Hoewel ze uitstekende connecties had (Piet Klaasse, Simon Carmiggelt, om maar deze te noemen), zou ze nooit tot de succesrijke groep illustratoren behoren die in de jaren 1960 grotendeels de dienst uitmaakten, die behoorden tot de vaste illustratorengroep van Het Parool – o.w. Fiep Westendorp en Wim Bijmoer. Was Mances werk kwalitatief nog niet op punt? Was ze te onzeker? Haar werk bezat niet de luchtige humoristische inslag van dat van Fiep Westendorp en het was niet experimenteel genoeg om tot de Haagse school gerekend te worden. Mances werk miste nog een eigen signatuur en het ging haar in die tijd financieel niet voor de wind.  
 
Bast is een zorgvuldige beschouwer. Ze gaat soms gedetailleerd in op bepaalde illustraties en maakt onderbouwde afwegingen over de kwaliteit ervan – waarom zijn bepaalde prenten uitzonderlijk goed en waarom werken andere niet -- en het belang in haar loopbaan. Ze argumenteert en visualiseert en maakt overtuigende analyses van het hoe en waarom van Posts artistieke evolutie. Het is in het perspectief van haar latere carrière boeiend om de illustraties uit die beginjaren te bekijken. In een variatie van tekenstijlen, van minutieus uitgewerkte potloodtekeningen, knip-, plak- en scheurwerk, vrij ruwe schetsen in houtskool waarin de illustratrice haar weg zocht, wijst Bast op tekeningen waarin de krachtige, expressieve lijnen opvallen, waarmee ze in haar latere werk voor Toon Tellegen schitterde.
 
Nochtans zijn het zachte, ronde potloodtekeningen, welbekend van Guus Kuijers Madelief-boeken die haar doorbraak betekenen. Dat begon met Kuijers Met de poppen gooien uit 1975 en deze stijl zou al haar eerdere werk overvleugelen – er ontstond zoiets als een ‘vintage Mance Post’. Niet dat een illustrator in die tijd veel aandacht kreeg, als in een recensie de illustraties vermeld werden, was het al veel. Maar gewaardeerd werden ze wel. Guus Kuijer kreeg een Gouden Griffel voor het boek en hij zei: ‘Als ik de griffel in tweeën kon breken, kreeg Mance er de helft van.’  
 
Niettemin noemde kunsthistorica Saskia De Bodt de illustraties uit die tijd niet meer dan ‘streepjes onder de woorden’. Baanbrekend was Post volgens De Bodt, die het visuele en technische experiment uit de jaren 1970 zeer waardeert, beslist niet in die tijd. Ze noemde haar illustraties tussen aanhalingstekens ‘klassiek’, waarmee ze wellicht ouderwets bedoelde. Het experiment was bij Mance op dat moment ver weg, dat beaamt Bast, haar kwaliteiten toonde ze op een andere manier. Bast verklaart dat aan de hand van een prent uit Met de poppen gooien. Ze toont daarbij een scherp oog voor het detail en betoogt overtuigend waarin de kwaliteit van de Madelief-illustraties ligt en wat ze klassiek in de ware zin van het woord maakt.
 
‘Hele generaties weten nog precies hoe Madelief, Roos en Jan-Willem eruitzien, zoals ze ook voor altijd zullen weten hoe Nijntje, Kikker en Pluk eruitzien. De tekeningen van Mance kunnen dus gerust klassiek worden genoemd, daar zijn geen aanhalingstekens voor nodig.’
 
Bast had meteen aan het begin van haar integere en weloverwogen verhaal eigenlijk al op de kwintessens van Posts werk gewezen: ‘De illustraties van Mance Post hebben het vermogen kinderen op te tillen en mee te voeren naar alle hoeken van hun verbeelding’.
 
In 1979 maakte Post haar meest persoonlijke werk: Ik woonde in een leunstoel, haar getekende memoires als het ware, die Guus Kuijer van tekst voorzag. Wat Bast hierbij noteert, is frappant en tekent Mance Post als illustrator en als mens heel mooi uit:  
 
‘En toch is het of er, vergeleken met haar andere boeken, iets ontbreekt. In andermans boeken stond het Mance vrij om de personages een eigen gezicht, een eigen karakter te geven. Ook voegde ze details toe waarmee ze de kijker deelgenoot maakt van de emotie en gebeurtenissen […] Dergelijke details voegt ze in Ik woonde in een leunstoel ook wel toe […] maar ze lijkt de beschouwer tegelijkertijd op afstand te willen houden. Dat komt vooral omdat de hoofdrolspelers nergens contact met ons, kijkers, maken. […] ‘De leunstoel’ is weliswaar Mances meest persoonlijke boek, maar als ze ergens overduidelijk haar gereserveerde, wat terughoudende kant laat zien, is het hier.’
 
Sinds haar illustratiewerk bij Guus Kuijers verhalen, ging het Mance Post voor de wind maar de kinderboekenjury’s achtten haar werk niet prijzenswaardig. En dan veranderde Mance van stijl, voor een stuk uit noodzaak. Voor Toon Tellegens Toen niemand iets te doen had (1987) maakte ze wonderlijke taferelen in linosneden. Dat was nogal een ommekeer na de voorzichtige potloodtekeningen, maar we weten uit haar vroege werk dat een stevige lijnvoering en sterke contrasten niet echt nieuw zijn voor haar. Voor het eerst besteedden de critici in hun recensies volop aandacht aan haar illustraties. ‘Ouderdom maakt roekeloos’ zei ze eens in een interview met NRC, en in haar werk voor Tellegen experimenteerde ze er op los. Fysiek kon ze het fijne tekenwerk niet meer aan, vooral omdat haar ogen haar in de steek lieten, maar de linosneden brachten uitkomst en in haar techniek met uitgeknipte en gescheurde vormen, Japans papier en rudimentaire lijnen maakte ze weergaloze prenten.  
 
Ze moest er 81 voor worden, maar uiteindelijk werd haar werk dan toch met een belangrijke Nederlandse prijs bekroond. Voor Middenin de nacht (2005, met Toon Tellegen) kreeg ze een Zilveren Penseel en daarmee behoorde ze tot een exclusief clubje van groten in de illustratie (onder wie Fiep Westendorp) die bijna een carrière lang naast de prijzen vielen. Een Zilveren Penseel, had dat niet de Gouden moeten zijn? Mance Post kreeg van het publiek in elk geval een minutenlange staande ovatie voor haar tweede prijs, alsof het oordeel van de jury gecompenseerd moest worden…
 
Het heeft haar wel gestoken, dat haar werk bij de kinderboekenjury’s niet voldoende in de smaak viel, maar ze praatte daar niet over. Haar vreugde bij de toekenning van de eerste Max Velthuijs-prijs in 2007 liegt er echter niet om. Ze leefde op een wolkje in de periode daarna. Ter gelegenheid van die oeuvrebekroning maakte ze een keuze uit Tellegens dierenverhalen die haar het dierbaarst zijn in Post voor iedereen. Het boek bevat van het mooiste dat ze ooit maakte. En een ander mooi eerbetoon kwam er in 2012, kort voor haar dood, met Een lied voor de maan. Op voorplat en titelpagina staat Mance Post als eerste genoemd (het verhaal was naar een idee van haar), dan pas de schrijver: ‘Met woorden van Toon Tellegen’.  
 
Het probleem met tekenaars, stelt Bast, is dat ze tekenen, niet schrijven. Posts complete werk wordt bewaard in het Literatuurmuseum in Den Haag, wat een gigantische schatkamer was voor Bast – en die ze grondig geëxploreerd heeft, want ze schrijft met veel kennis van zaken over haar werk. Maar op wat brieven na zijn er dus geen egodocumenten van haar en derhalve steunt dit levensverhaal sterk op verhalen van mensen die Mance Post gekend hebben. Uiteenlopende ervaringen soms met een vrouw die ‘lief’ was en ‘sociaal én heel onderhoudend, maar ook een beetje gesloten, afstandelijk’. Zorgzaam en meelevend, kon ze ook betuttelend zijn (Roefke Carmiggelt: ‘Onze moeders kregen er een punthoofd van’), was ze teruggetrokken met een afkeer van opsmuk en extraversie. Mance was geliefd bij velen, anderen vonden haar gedecideerde vasthoudendheid best wel lastig, wat de ene als ‘verlegenheid’ beschouwde, vond de ander ‘arrogant’.
 
Het is dus een zeer geschakeerd beeld dat Truska Bast hier schetst en het overtuigt. Dat is omdat Bast best diep graaft. Ze legt de verhalen naast elkaar, interpreteert en suggereert, verbindt het persoonlijke leven met de carrière. Commentaren van collega-illustratoren bieden een kijk vanuit persoonlijk en artistiek perspectief. Bast gaat vaak uitgebreid in op Mances vrienden- en kennissenkring, de Carmiggelts bijvoorbeeld waar ze kind aan huis was en ook op Anton Koolhaas, met wie ze naar alle waarschijnlijkheid een lange liefdesaffaire heeft gehad – hoewel, zeker is dat niet, want Mance gaf geen inkijk in haar liefdesleven. Bast zoekt uit wat de beiden in elkaar aangetrokken kan hebben, ze leeft zich in de mens als geheel in en schept zo een zeer invoelbaar beeld van een teruggetrokken, uniek persoon.
 
Het souterrain van Mance Post is met veel liefde geschreven, mooi en adequaat geïllustreerd met foto’s en vooral tekeningen uit dat geweldige oeuvre. Een gedagtekend overzicht van het werk, personenregister en uitgebreide verantwoording, sluiten af.
 
Truska Bast: het souterrain van Mance Post, Querido, Amsterdam 2022, 312 p. : ill. ISBN 9789021460277. Distributie L&M Books

© 2022 | MappaLibri