Beschouwingen

Een eigen verhaal, exuberant en zacht : * Sebastiaan Van Doninck, laureaat van de Picturale Prijs 2015

door Jen de Groeve

‘Een goede tekenaar alleen maakt nog geen illustrator. Niets is bovendien zo relatief als een goede tekening.’ Dat meent Sebastiaan Van Doninck (Gierle, 1979) en hij kan het weten. Hij is docent illustratie aan het Sint Lucas in Antwerpen, maakte prenten voor zo’n vijfentwintig boeken en illustreert onder meer voor De Morgen en Knack. En hoewel zijn werk ook in Amerika en Groot-Brittannië goed gesmaakt wordt, prefereert hij wat zijn Vlaamse uitgever en de Vlaamse markt hem in de eerste plaats bieden: vrijheid. Vrijheid, zo blijkt, is een belangrijk goed voor deze verteller.

 
Een eigen verhaal
Sebastiaan Van Doninck debuteerde in 2003 met Oink (tekst Geert De Kockere) en Het woei (tekst Edward Van de Vendel). De recensenten waren geïntrigeerd, zij het ietwat aarzelend in hun beoordeling. Zijn prenten werden voorzichtig ‘persoonlijk’ genoemd, ‘gedurfd’ of ‘ongewoon’. Zijn kleurgebruik was ‘opvallend’. Geen superlatieven, maar de aankomende illustrator sprak op een wat dubbelzinnige manier aan door zijn directheid. De lezers behagen met mooie prenten is overigens niet iets wat hij nastreeft: ‘Een mooie tekening is vaak te gepolijst.’ Pas wanneer een illustratie raakt, om welke reden dan ook, is ze voor Van Doninck geslaagd.
 
Raken doet Van Doninck overtuigend met zijn derde boek, Lied voor een girafje (2004, tekst Edward Van de Vendel). Het boekje gaat over de emoties van een kersverse vader giraf bij de geboorte van zijn eigen ‘girafje, klein onafje’. De tekenaar blijkt net als Van de Vendel feilloos in staat te zijn humor en emotie te laten harmoniëren. Lied voor een girafje werd breed gewaardeerd en de illustraties werden bekroond met een Boekenpluim. Van Doninck heeft een jaar na zijn debuut al duidelijk zijn plaats gemarkeerd op de kinderboekenmarkt. Dat betekent heel wat, want Vlaanderen staat op vlak van illustratie internationaal hoog gerangschikt. In een gesprek naar aanleiding van dit artikel blijkt dan ook dat Van Doninck mooie ambities koestert:
 
Een goede illustrator is ook vooral iemand die vertelt, die tussen de lijnen van de tekst zijn eigen verhaal weet te brengen. Iemand die in dialoog gaat met de auteur en zijn visie op de wereld of het verhaal durft te laten doorschemeren. Iemand die niet bang is voor zijn eigen schriftuur. Een goede illustrator is iemand die - los van verwachtingen of trends - zijn eigen manier van werken heeft gecultiveerd en hiermee inhoudelijk aan de slag gaat.’
 
Van Doninck vertelt in elk boek weer een eigen verhaal. Zijn vierde maakt hij opnieuw met Van de Vendel: Hagedissie, het bijzonderwonder (2006). In het dierenbos is koning Leeuw met zijn hele familie verdwenen en de dieren vragen zich af hoe het nu verder moet. Voor een dergelijke noodsituatie is er immers niet gewoon een wonder, maar een bijzonderwonder nodig. De ritmische, inventieve vertelling wordt met eenzelfde ferm elan verder gedragen door de illustraties. Niet alleen bepaalt Van Doninck mee de dynamiek van het boek, zijn situatieschetsen evoceren los van de tekst nevenverhaaltjes. Zo moeten er -- zo gaat de tekst --  vliegjes worden vangen voor Hagedissie. Maar hoe je zoiets doet is een vraag die alleen in de prenten wordt gesteld. Vang je vliegjes met een vogelnetje? Vind je ze misschien ook onder een boom? Muis licht er even eentje op om te kijken. En wat zou er gebeuren als een klein meisje de krokodil een vlieg afvangt...? De illustraties zijn knap humoristisch met een warme toon. De tweedimensionale figuurtjes in naïeve stijl en de druk bevolkte landschappen vol kleine, parallelle tafereeltjes doen wat aan het werk van Kristien Aertssen denken.  
 
Exuberant en zacht
Van Doninck evolueert snel van hoofdzakelijk getekende prenten naar beelden met gemengde techniek. In een reeks boekjes met Ianka Fleerackers over Uil (Groot van liefde, Uil plus Leeuwerik en Zwaan – 2006-2010) tekent die evolutie zich duidelijk af. Humor en sfeer gaan opnieuw mooi samen, en de tekenaar contrasteert warme zachte kleuren met pittige tinten. De combinatie van digitaal en ambachtelijk tekenen opent duidelijk perspectieven voor Van Doninck. Hij beschikt er mee over een zeer gevarieerd palet en slaagt erin zijn beelden meer gewicht te geven.  
 
Waar zijn eerste boeken vooral frapperen door de intuïtieve prenten, slaagt de tekenaar er gaandeweg steeds beter in ‘doorwerkte’ beelden te maken. De kunst is, zo zegt hij zelf, om het frisse van de eerste inspiratie daarbij te behouden. Hij evolueert niet alleen sterk in technisch opzicht, maar hij eist ook inhoudelijk steeds meer zijn plaats op. En daar vindt hij gaandeweg steeds nieuwe en verfijndere vormen voor. In zijn materiaalkeuze en stijl bijvoorbeeld. Billy The Kid & de sheriff (Siska Goeminne, 2012) is een luisterverhaal op muziek, over bandieten die elkaar afknallen in het wetteloze wilde westen. Van Doninck kiest hier voor een gladde, cartooneske stijl, de coverprent lijkt op een beeld uit een wildwestaffiche. De toon is gezet, het showgehalte en het vertoon van indianenverhalen zoals Buffalo Bill ze placht op te dissen, stralen van de prenten af: schaduwtekeningen, dramatische, overdreven gestes en smoking guns overal. De westernclichés zijn ten top gevoerd en de ironische toon van de prenten matcht perfect met de theatrale, soms absurde tekst, vol hyperbolen en dwaze uithalen. Maar temidden van heel veel actie en herrie brengt Van Doninck een paar prenten in met een opmerkelijke stilering: het lijk van een man van wie Billy hield, en Billy die in de regen aan zijn graf staat. Het is natuurlijk erg delicaat om een stoer verhaal brengen met een gevoelige inslag, want er is nauwelijks een groter cliché denkbaar dan dat van de koude killer met een soft spot. Makkelijk sentiment en uitvergrote tegenstellingen liggen voor de hand. Van Doninck past er echter voor om de contrasten aan te zetten, hij geeft de beelden daarentegen iets abstracts en daarmee verleent hij ze een zekere esthetiek. De karikatuur krijgt een afgemeten vleugje tristesse. Knap gedaan van Van Doninck, want hij brengt reliëf en nuance aan in een licht en snel verhaal. De tekst, daar ben je zo doorheen, maar aan de beelden blijft je blik haken.

Van Doninck kan dus zeer goed zachte nuance en sfeer in zijn beelden te leggen, maar desondanks blijven exuberante en vrolijke ritmiek kernwoorden in zijn werk. Van Doninck heeft behalve verhalen ook nogal wat informatieve boeken geïllustreerd. Je kunt je afvragen of zo’n fantasievolle aanpak wel werkt wanneer de waarheidsgetrouwheid bewaakt moet worden. Maar Van Doninck houdt fantasie en feiten op een heel eigen wijze in balans.
 
Van Wolf tot Watje (2008, tekst Jan Paul Schutten) is een informatief boek over huisdieren. Hoe zijn ze geëvolueerd van wild dier tot het aaibare beestje dat we in huis halen? Schutten is een creatief verteller die houdt van humorvolle, snedige verhalen, maar hij blijft ook een man van de feiten. Van Doninck is een perfecte match, want zijn vrolijke interpretaties spelen een boeiend spel met die wetenschappelijke feiten. Hij gaat speels en creatief om met de typering van de dieren en met het verwachtingspatroon, en hij fantaseert met een grote vanzelfsprekendheid. In de illustratie van de huiskat die doortastend haar slaapplek verdedigt met prikkeldaad, zie je voldoende aspecten geïllustreerd van het territoriumdier dat de poes van nature is. Net zoals je ook in de uitbeelding van een school vissen in de vorm van een monster, die zo een grote roofvis op de vlucht drijft, natuurlijk gedrag herkent. Meerduidiger zijn prenten als die van de slang, keurig op een stoeltje en uitgedost met een gedomesticeerde strik, maar die door een boograam naar de appelboom zit te gluren. Je kunt daaruit om te beginnen besluiten dat dit dus een ‘huisdier’ is om weloverdacht mee om te gaan. Bovendien trekt de ludieke referentie naar kerk en Bijbels paradijsverhaal het thema helemaal open. Van Doninck heeft het niet alleen over biologie en gedrag, maar ook over onze kijk op dieren die cultureel-historisch is overgeleverd.
 
De steelse commentaren van de illustrator op zijn onderwerp, zijn overigens bijzonder amusant. De fret, een kleine pittige jager in het wild, wordt afgebeeld in jagerspak achter het raam. De wilde jager is een huiselijke brave borst geworden. En wat te denken van het konijn in geruite jurk met kanten kraagje dat een koekje sopt? Van Doninck draagt niet alleen de boodschap van het verhaal verder, hij voegt er in alle vrijheid en met veel pit zijn eigen kijk aan toe.  
 
Perspectief en compositie
Bovengenoemde bijdragen van de illustrator aan het verhaal zijn wellicht vooral besteed aan wat oudere lezers, maar in Metromonsters (2008, tekst Pieter van Oudheusden) bijvoorbeeld spreekt Van Doninck kinderen vanaf een jaar of vijf heel concreet aan in zijn beelden. Hij doet dat door voor een groot stuk het perspectief van de kleine Mimi in te nemen. Zo is Mimi’s mama, die het veel te druk heeft om aandacht te hebben voor haar kind, nooit helemaal in beeld. Haar hoofd wordt niet afgebeeld, wat heel direct illustreert dat er hoegenaamd geen aansluiting is tussen moeder en dochter.  
 
Ook in de reeks over Magnus (2013-2015, tekst Kim Crabeels) maakt Van Doninck voor jonge kleuters vanaf vier jaar betekenis en gevoel direct zichtbaar. In Magnus en zijn superkat (2015), waarin buurjongen Bull komt snoeven met zijn hamster die truukjes kan,  laat hij met perspectief en schaduwwerking duidelijk zien hoe dominerend die figuur voor Magnus is. En hoe kleintjes Magnus zich voelt als zijn ‘superkat’ hem in verlegenheid brengt tegenover Bull. Zeer goed afgewogen is de slotprent, waarin die lieve poes haar aard laat zien. Ze is afgebeeld op een witte achtergrond, zonder decor, en ook Magnus is niet te zien. Het is immers de vraag of de jongen kan delen in de triomf van superkat, die Bulls hamster smakelijk naar binnen werkt. Van Doninck creëert een open plek, laat dubbelheid en gemengde gevoelens toe in het slot van een verhaal.
 
In het voorleesboek Kat: met hoofdletter K (2014, tekst Siska Goeminne), een vrije variatie op het sprookje van de Gelaarsde Kat, verrast Van Doninck met knappe geschilderde taferelen. De skyline van New York is een constante, de kleuren van de stad (rode baksteen, groen glas en metaal) vormen de hoofdtonen. Stadsgewoel vult de bladzijden. De perspectiefwissels en de gevarieerde composities zorgen voor een grote dynamiek. Van Doninck schildert hier met zeer veel zwier en een naturel dat we nog niet eerder in zijn werk zagen. Sprekende en evocatieve prenten met kleurrijke taferelen die elke bladzijde tot een feest maken. Kat: met hoofdletter K boeit zowel de voorlezer als het jonge kind met beelden die beiden op hun begripsniveau aanspreken. Redenen te over dus om de  illustraties uit dit boek in 2015 te bekronen met de tweejaarlijkse Picturale Prijs.  
 
Sebastiaan Van Doninck heeft zich sinds het begin van zijn carrière een avontuurlijke illustrator getoond en met Kat: met hoofdletter K bewijst hij nog maar eens dat hij de mogelijkheden van zijn beeldtaal vrijelijk verder exploreert. Hij  intrigeert en inspireert keer op keer met zijn wonderlijke wereld, een mix van verbeelding en realisme, van uitbundige clownerie en waarachtige emoties. Momenteel werkt hij aan een verhaal waarvoor hij niet alleen tekent, maar ook de tekst schrijft. De verwachtingen zijn hooggespannen.
 
Oorspronkelijk gepubliceerd door Picturale 

deze pagina printen of opslaan



ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri