Vertaald proza

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2016

Karl Ove Knausgård: Vrouw

door Freek Adriaens

Het laatste deel van Knausgårds romanreeks ‘Mijn strijd’ is meteen het lijvigste. Bijna elfhonderd pagina’s telt de Nederlandse vertaling, wat doet vermoeden dat de schrijver ons het belangrijkste van zijn literaire autobiografie nog moest meegeven, of de indruk bevestigt dat hij te veel ter plaatse was blijven trappelen in de vijf voorafgaande delen. Anders dan de andere volumes in de reeks kan Vrouw niet als afzonderlijke roman gelezen worden. De voor de hand liggende verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat het zesde deel een synthese is, een sluitstuk waarin de auteur te kennen geeft nu wel genoeg van zich afgeschreven te hebben. Maar dat zou een soort orde impliceren in Knausgårds project, haaks op het gevoel van zijn lezers altijd en overal in de romanreeks in medias res beland te zijn. Het was de kronkelige gedachtestroom van de auteur die vorm gaf aan zijn relaas van onverwerkte pijn en zelfvernedering. In Zoon en Nacht was die stroom in dat relaas ingebed, wat de romans daarom net iets leesbaarder maakte dan de rest van ‘Mijn strijd’. In Vrouw haalt Knausgårds stream of consciousness weer de overhand, waaruit de ‘verhalen’, om ze maar zo te noemen, wel logisch voortvloeien, maar niet zonder veel omhaal.

Er is het verhaal van Gunnar, de oom van Knausgård die in krankzinnige mails met een rechtszaak dreigt nog voor het eerste deel van ‘Mijn strijd’ is uitgegeven. Er is het verhaal van Linda, de echtgenote van de schrijver, die eerst thuis, en dan in een instelling manisch zit te wezen. Als een soort naïef tragediekoor laat Knausgård zijn drie kinderen opdraven, die de chaos en de spanning becommentariëren om ze snel te kunnen verwerken (‘Mama leert slapen in de kliniek’ of ‘Schrijf je over ons papa?’). In die verhalen is Knausgård op zijn best. Hij hanteert het meeslepende proza dat we in de overige delen van zijn werk hebben leren kennen. Hoe lang hij zijn zinnen ook maakt, het taalgebruik blijft zakelijk, to the point, soms wat op het uitleggerige af. Diezelfde stijl gebruikt hij ook in het vierhonderd pagina’s lange essay ‘De naam en het getal’ dat tussen de hoofdstukken over Gunnar en Linda in zit. In dat essay analyseert Knausgård een gedicht van Paul Celan én probeert hij ons een beeld te geven van hoe Adolf Hitler in zijn relatief onbeschreven jonge jaren verwerd tot de dictator die de geschiedenis van de vorige eeuw ging beheersen. Het verhaal van de jonge Hitler is interessant, maar als lezer blijf je toch met de vraag zitten waarom het per se hier verteld moet worden. Het verband met de rest van de roman is het conflict tussen ‘wij’ en ‘zij’ waarnaar Knausgård ook in zijn analyse van Celan verwijst. Hitler stond buiten het ‘wij’, maar voelde het daarom des te beter aan. Hij kon het op die manier ook opzetten tegen een denkbeeldig ‘zij’. Heel terloops vermeldt Knausgård hoe ook hij zich vaak buiten het ‘wij’ gevoeld heeft, en hoe geïnteresseerd hij daarom raakte in personen als Hitler, van wie hij Mein Kampf een aantal keer gelezen heeft. Die bekentenis heeft echter niet het gewenste samenhangende effect. Het essay hakt de roman in twee, en pas echt boeien doet Knausgård weer als hij in de laatste driehonderd pagina’s van Vrouw beschrijft hoe zwaar de psychische toestand van zijn vrouw op zijn gezinsleven weegt, hoeveel waarheid hij verwerkt heeft in ‘Mijn strijd’ en tot wat voor spanningen dat leidt met zijn innerlijke zelf en zijn omgeving.
 
Vrouw is ten dele een synthese, maar dan wel een fragmentarische, en ten dele bekentenisproza over bekentenisproza, wat de roman een interessante plek in dat genre kan opleveren. De veel te wijdlopige zelfanalyse die ook in dit volume overheerst, doet de lezer een narcist vermoeden in Knausgård, maar dat vermoeden is hij voor omdat hij ons ook zijn dagdagelijkse nederlagen niet bespaart – wat op zich, zoals hij zelf ook wel aangeeft, een literaire techniek kan zijn om toch maar weer te imponeren. Waarom hij meer dan drieduizend bladzijden vroeg en kreeg om zijn verhaal te vertellen, wordt niet duidelijk, maar het is nu in elk geval neergeschreven, met alle inhoudelijke en stilistische hoogtes en laagtes van dien. Hij moest het vertellen, ook al bezorgde hem dat nog meer pijnlijke situaties, zoals een berucht interview waarin hij in huilen uitbarst met een Zweedse camera op zijn neus gericht.  
 
Knausgård kondigt in de laatste zin van Vrouw aan nu te kunnen ophouden met schrijven, maar zal dat uiteraard niet doen, daarvoor heeft hij te veel talent als verteller. Tenzij hij dat talent de volgende keer weer bedelft onder ellenlang gelamenteer en veel te lang uitgesponnen gefilosofeer, want dan bestaat het risico dat we ons van Knausgård over een jaar of tien niet veel meer zullen herinneren dan het stof dat hij - niet onbedoeld - met zijn experiment deed opwaaien.
 
Breda : De Geus 2015, 1081 p. Vert van: Min kamp : sjette bok door Marianne Molenaar. ISBN 9789044532272

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2019

De grote verkilling

Geert van Istendael

Kamers antikamers

Niña Weijers

Verlaten

Jane Harper

Verwondering

Aharon Appelfeld

Winterlaken

Micha Andriessen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2019

Adres onbekend

Susin Nielsen

Mag je haaien aaien?

Katrijn De wit, Inge Rylant (ill.), Laura Bergans (design)

Niet te stoppen

Angie Thomas

Ploef

Espen Dekko, Mari Kanstad Johnsen (ill.)

Zo slapen dieren

Jiří Dvořák, Marie Štumpfová (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri