Nederlands proza

BOEKEN NR. 8, SEPTEMBER 2018

Loekie Zvonik: Hoe heette de hoedenmaker?

door Laurent De Maertelaer

Lied van liefde en dood
 
Begin dit jaar lanceerde uitgeverij Cossee een heruitgave van Hoe heette de hoedenmaker van Loekie Zvonik (1935-2000), een knappe en aangrijpende roman met enige cultstatus die voor het eerst verscheen in 1975. Hoewel het boek in die tijd erg postief onthaald werd, een jaar later zelfs de gegeerde debuutprijs van de Vereniging ter Bevordering van het Vlaamse Boekwezen (VBVB) in de wacht sleepte en ondanks enkele herdrukken (de laatste in 1994), raakte Hoe heette de hoedenmaker? in de vergetelheid. Dat deze in de Vlaamse letteren unieke sleutelroman nu een tweede leven kreeg, is te danken aan het enthousiasme en de inspanningen van literair criticus Wout Vlaeminck (1989), die niet alleen het werk van jonge debutanten met veel belangstelling volgt, maar het ook opneemt voor sinds decennia vergeten auteurs.
 
Loekie Zvonik was het pseudoniem van Hermine Louise Marie Zvonicek. Ze werd geboren in Gent, haar moeder was een Limburgse van Vlaams-Waalse afkomst, haar vader had Tsjechische roots. In de jaren 1950 studeerde Zvonik Germaanse filologie aan de Gentse universiteit. Daar beleefde ze een kortstondige maar intense liefdesaffaire met Dirk De Witte, een zwartgallige maar intrigerende  studiegenoot die geobsedeerd was door zelfmoord en later een bescheiden carrière uitbouwde als auteur. Na hun studies verloren de twee elkaar uit het oog. Tot wanneer het toeval hen twaalf jaar later terug samenbracht op een congres in Wenen. Met de jaren was hun vroegere verliefdheid weggedeemsterd door een volwassen leven met nieuwe geliefdes, maar De Witte bombardeerde Zvonik desalniettemin tot zijn muze. Verscheurd tussen zijn geldingsdrang, afgeknotte ambities en ontketend doodsverlangen kwam hij in een fatale, neerwaartse spiraal terecht. In december 1970 sloeg De Witte de hand aan zichzelf, op dezelfde manier als een van zijn idolen Stig Dagerman.  
 
In het autobiografische Hoe heette de hoedenmaker? reconstrueert Zvonik (als het personage Hermine) haar tot mislukken gedoemde relatie met de monomane De Witte, die hier optreedt onder de naam Didier. De roman is een neerslag van Hermines calvarietocht, van de prille zorgeloze dagen aan de universiteit tot aan de onhoudbare aanloop naar Didiers zelfdoding. Op een pad dat Hermine nooit eerder diende in te slaan, gaat ze op zoek naar antwoorden. Voor Wout Vlaeminck is Hoe heette de hoedenmaker? nog steeds een indringend en noodzakelijk boek:  
 
‘De combinatie van Zvoniks literair vernuft en haar meeslepende, elegante schrijfstijl maken van haar roman een verrassend modern boek. Het stemt tot herlezen. Literatuur mag naar de keel grijpen en niet meer loslaten. Daar zijn veel auteurs tegenwoordig helaas niet meer op uit.’
 
Vlaeminck leerde Hoe heette de hoedenmaker? kennen in zijn studententijd, via een vriend die later zelfmoord pleegde:  
 
‘Net als Didier in De hoedenmaker had hij zijn leven uit literatuur opgetrokken. In onze gesprekken hadden we het vaak over onze favoriete schrijvers en nieuwe literaire ontdekkingen. We trokken er geregeld samen op uit om in tweedehands boekenwinkels te grasduinen. Enkele maanden na het overlijden van mijn vriend kreeg ik zijn exemplaar van Hoe heette de hoedenmaker? in handen. Hij had het boek gekocht tijdens een van onze literaire uitstapjes, maar zelf had ik de roman nog niet gelezen. De vreemde titel en de exotisch klinkende naam van de schrijfster trokken me meteen aan. Bovendien herkende ik heel wat van wat mijn vriend en mij overkomen was in Zvoniks verhaal, en ook de beschrijvingen van het Gentse studentenleven waren bijzonder herkenbaar.’
 
De roman en het verhaal van Zvonik en Dirk De Witte zouden Vlaeminck niet gauw meer loslaten. De figuur van Dirk De Witte intrigeerde Vlaeminck zodanig dat hij in 2011 begon aan een De Witte-biografie:  
 
‘Ik heb me een drietal jaar met het schrijven van die biografie beziggehouden: primaire en secundaire literatuur lezen, vrienden en familie interviewen, recensies verzamelen, archieven uitpluizen, alles ordenen en dan maar schrijven. Maar toen ben ik me meer en meer op het werk van Zvonik gaan focussen, en werd ik gevraagd om voor het online magazine Indruk recent verschenen proza te recenseren. Die biografie is steeds verder naar de achtergrond geschoven, tot het uiteindelijk letterlijk in de prullenbak verdween. Wie weet onderneem ik ooit een tweede poging.’
 
Voor de huidige heruitgave was Hoe heette de hoedenmaker? lange tijd enkel nog antiquarisch te krijgen. Een laatste herdruk was er in 1994, maar nadien was het heel stil rond Zvonik. Vlaeminck bracht veel tijd door in universiteitsbibliotheken en archieven op zoek naar alles wat hij rond Loekie Zvonik en Dirk De Witte kon vinden. Hij wilde meer doen dan enkel vrienden en sympathisanten adviseren om het boek te lezen en schoot in actie: ‘Pas toen ik voor het online literair platform Indruk begon te schrijven, had ik ineens een grotere ‘afzetmarkt’ voor het boek.’
 
Voor Indruk schreef Vlaeminck een uitgebreid essay over Zvonik en stuurde zijn tekst samen met een begeleidende mail naar enkele uitgevers:  
 
‘Van enkele kreeg ik nooit antwoord, anderen zagen niet meteen de noodzaak om de roman opnieuw uit te geven. Polis bijvoorbeeld wil zich vooral op de klassiekers richten, wat gek genoeg niet evident is: zelfs díe boeken nog aan de man brengen is vaak een hele uitdaging. Ook de redactie van De Bezige Bij toonde enige interesse nadat ik hen het essay had opgestuurd, maar dat kreeg geen vervolg. De Vlaamse uitgeverij Vrijdag was wellicht ook mogelijk geweest, die hebben ook een boontje voor eigenzinnig werk. Hoewel Zvonik ook in Nederland enige bekendheid verwierf, werd haar werk vooral in Vlaanderen gelezen en gevierd.’
 
Het taalgebruik in De hoedenmaker doet hier en daar inderdaad erg Vlaams aan, soms zelfs verouderd. Zo komt er een aantal keer een voorwaardelijk gebruik van ‘moest’ voor, alsook ‘weeral’ in plaats van ‘alweer’ (taalgebruik waarvan Germanisten-alumni van de universiteit Gent koude rillingen krijgen). Vlaeminck vindt die Vlaamse uitdrukkingen niet storend, integendeel:  
 
‘Of dat een bewuste keuze is geweest, weet ik niet. Misschien eerder een slordigheid van de toenmalige redactie. Maar ik vind het wel mooi. Het maakt voor mij van De hoedenmaker een Vlaamse oerklassieker. De taal is sappig, de beschrijvingen van Gent erg herkenbaar. De hoedenmaker was trouwens een geliefd boek in tolkenscholen: ijverige studenten vertaalden het boek in het Duits, Frans en Engels als eindverhandeling. Momenteel wordt er in opdracht aan een Duitse vertaling van het boek gewerkt. Het boek wordt nu voor het eerst ook in het buitenland op de markt gebracht, wat ik geweldig vind.’
 
Uiteindelijk hapte de Amsterdamse uitgeverij Cossee toe om het boek opnieuw uit te brengen. Met graagte, vol vertrouwen en zonder aarzelen, aangezien de uitgeverij niet aan zijn proefstuk toe was. Cossee publiceerde immers eerder al werk van vergeten, eigenzinnige schrijfsters zoals Ida Simons, Dola de Jong en Josepha Mendels. Loekie Zvonik past zeker in dit rijtje en de expertise was in huis. De beslissing was snel genomen en begin januari van dit jaar lag het boek al in de winkelrekken. Vlaemincks essay werd vreemd genoeg niet opgenomen in de herdruk. Het essay is enkel te downloaden op de website van de uitgeverij en werd apart gedrukt als gratis mee te nemen brochure in de boekhandel.  
 
Wél opgenomen is een uitvoerig nawoord van bijna dertig pagina’s geschreven door niemand minder dan Jeroen Brouwers. Dat was anders dan afgesproken: de bedoeling was immers dat Brouwers een voorwoord zou schrijven en dat Vlaemincks essay als nawoord zou komen. Het draaide anders uit, maar Vlaeminck had geen zin in ego-spelletjes en legde zich neer bij Brouwers’ eis dat enkel zijn tekst in de heruitgave zou worden opgenomen. Vlaeminck had nochtans al zijn tekst klaar, paste die zelfs nog aan om overlappingen met Brouwers’ nawoord weg te werken, maar het was finaal de Nederlandse schrijver die aan het langste eind trok. ‘Brouwers meent het alleenrecht op het werk van Zvonik en De Witte te hebben’, aldus Vlaeminck.
 
Dat Brouwers een oeuvre opeist, komt niet volledig uit het luchtledige. Brouwers had wel degelijk een geprivilegieerde band met Hoe heette de hoedenmaker?, met Zvonik én met De Witte. Als redacteur bij de Brusselse uitgeverij Manteau — waar de boeken van De Witte uitkwamen — was hij een van de eerste lezers van De hoedenmaker. Brouwers’ secretaresse was toentertijd Anneke Hoegaerts, de echtgenote van De Witte (Anna in de roman) en Zvonik en haar man ontmoette hij ook diverse keren. In Brouwers’ bekende zelfmoordboek De laatste deur staat een vrij lang hoofdstuk over De Witte (die had zelf overigens eveneens plannen voor een dergelijk boek). Tot slot stond er tussen Brouwers en De Witte enige tijd een vermeende plagiaatkwestie.  
 
Hoe het zij, Brouwers’ nawoord in de heruitgave is instructief en revelerend, maar tegelijk erg persoonlijk. Brouwers speelt meer dan eens de man. Zo zegt hij in zijn nawoord dat tijdens zijn eerste lezing het personage Didier hem in toenemende mate begon te irriteren. ‘De mythe van Didier/ Dirk De Witte bestond uit zijn geloof dat hij gepredestineerd was om in alle facetten van zijn bestaan te mislukken, maar dat hij in geen geval zou mislukken in zijn zelfmoord.’, klinkt het. Verder noemt Brouwers De Witte een ‘geobsedeerde drammer, daarnaast een poseur die met zijn eigen voorgenomen, zelfs ophanden zijnde zelfmoord, koketteerde.’  
 
Bij Vlaeminck roept Brouwers’ nawoord — ondanks de kwaliteiten — een dubbel gevoel op:  
 
‘Het is een boeiende en sterk geschreven tekst, maar ook zelfingenomen. Zo suggereert Brouwers dat Zvonik het idee kreeg haar herinneringen aan Dirk De Witte neer te schrijven na een gesprek tussen de twee over die laatste. Brouwers eist de geestelijke nalatenschap van figuren als Zvonik en De Witte op omdat hij vindt daar als enige recht op te hebben. Dat merk je ook aan de manier waarop hij over De Witte schrijft. Brouwers laat geen kans liggen om het schrijverschap van De Witte neer te sabelen, meer nog: het zou enkel aan Brouwers te danken zijn dat De Witte nog niet helemaal vergeten is.’
 
Voor Vlaeminck is De Witte een beter auteur dan Brouwers in zijn nawoord wil doen geloven:  
 
‘De Witte had een opvallend goed inlevingsvermogen voor ouderdom en dood, zeker voor iemand van zijn leeftijd. Het weinige werk dat De Witte heeft nagelaten is naar mijn gevoel van een veel betere kwaliteit dan het meeste van Brouwers’ oeuvre, waar vaak geen leven in zit en waar de barokke schrijfstijl dodelijk vermoeit.’
 
De irritatie die het personage Didier bij Brouwers oproept kan Vlaeminck moeilijk begrijpen:  
 
‘Je kan De hoedenmaker op vele manier lezen — vanuit de belevingswereld van Didier die geen kant meer op kan en vanuit de belevingswereld van Hermine, die vasthoudt aan het kleine geluk en kiest om het leven ten volle te ondergaan — en je kan Didier op vele manieren benaderen. Hij is hopeloos mythomaan, egocentrisch, apathisch, hij toont geen interesse in het denken en de gevoelens van anderen. Maar dat alles vloeit voort uit de psychoses waaraan hij lijdt. Tegenwoordig zou De Witte wellicht de diagnose schizofrenie of bipolariteit opgeplakt krijgen, en zou hij kunnen terugvallen op psychologische bijstand. Vanuit die benadering kan je als lezer meer begrip opbrengen voor een figuur als Didier.’
 
Helaas is er geen kans dat werk van De Witte opnieuw wordt uitgebracht: hij liet testamentair vastleggen dat na zijn dood geen van zijn boeken ooit nog herdrukt mocht worden. Vlaeminck: ‘Het was De Wittes uitdrukkelijke wens met boeken en al vergeten te worden.’
 
In Hoe heette de hoedenmaker verweeft Zvonik een groot aantal literaire citaten en verwijzingen tot een organisch geheel, een liefdesverhaal dat er eigenlijk geen is. Citaten uit of verwijzingen naar het werk van een aantal auteurs — die Hermine en Didier leerden kennen tijdens de begeesterende colleges van hun favoriete professor Herman — komen geregeld terug en fungeren als een soort motieven. Zelfmoord en de dood zijn nooit ver weg. De citaten komen stuk voor stuk uit boeken die Didier bewondert of verwijzen naar auteurs die in verband staan met suïcide en de dood. Het zijn boeken of auteurs waaraan Didier zich als een morbide romanticus spiegelt.  
 
Zo vergelijkt Didier Hermine met de Hermine uit Hesses De steppenwolf (1927), een roman waar zelfdoding en flirten met de dood centraal staan. Er zijn allusies op de beroemde dubbelzelfmoord van Henriette Vogel en Heinrich von Kleist, en Didier noemt Hermine zijn ‘zusje’ met wie hij incest pleegt, zoals in enkele gedichten van de vermeende zelfmoordenaar Georg Trakl (de Oostenrijkse schrijver insinueerde in zijn poëzie meer dan eens een incestueuze relatie met zijn zuster, de pianiste Grete; Zvonik haalt incest ook aan via Luchino Visconti’s film Vaghe stelle dell’Orsa uit 1965). Didier citeert voortdurend en tot vervelens toe uit Cesare Paveses beroemde zelfmoorddagboek Leven als ambacht (1952), dat hij leest in een Duitse vertaling en volkrabbelt met commentaren.  
 
Te pas en te onpas duikt er in Zvoniks roman een citaat op. Heel vaak is dat geslaagd, maar soms geeft het De hoedenmaker de allure van een hyper-literaire constructie. Brouwers schrijft over het veelvoud aan literaire verwijzingen, citaten en anekdotes in zijn nawoord: ‘Enige onderlegdheid in de Duitstalige letteren strekt tot aanbeveling’. Vlaeminck nuanceert:
 
‘Zvonik blaast constanten als ‘liefde’ en ‘dood’ nieuw leven in door ze letterlijk tegenover de literatuurgeschiedenis te plaatsen. Dat doet ze om de door literatuur geobsedeerde Didier gestalte te geven. Je kan het boek gerust lezen zonder enige kennis van het werk van Hesse en Pavese. De vele citaten en verwijzingen ondersteunen het verhaal, maar je hoeft echt geen studie literatuurgeschiedenis achter de rug te hebben om er wat van te begrijpen. Wie wél bekend is met het werk van de door Zvonik genoemde auteurs, heeft natuurlijk een rijkere leeservaring: via allerhande associaties knoopt de schrijfster ogenschijnlijk banale details tot een nauwsluitend geheel waarbij je versteld staat van Zvoniks kunde. Zo kan Hoe heette de hoedenmaker? een mooie springplank vormen naar een nog bredere leescultuur. Wie nog nooit wat van Kafka of Pavese gelezen heeft, wil na het lezen van Zvoniks debuut meteen op zoek naar een exemplaar van Het slot of Leven als ambacht.’
 
Zvoniks stijl is associatief, draait rond enkele krachtige metaforen en roept een veelheid aan beelden op. Aan de hand van enkele subtiel terugkerende motieven (zoals talloze referenties naar het getal 27 of de witte Ford Anglia waarin Didier zelfmoord pleegt) verleent Zvonik schijnbaar moeiteloos een grote coherentie en authenticiteit aan haar verhaal. Enerzijds schrijft Zvonik helder, ingetogen en met een zekere gereserveerdheid, anderzijds legt ze enkele minder voor de hand liggende kwesties letterlijk aan de lezer uit. Zo doet Zvonik helemaal uit de doeken wat de voor- en bijnamen van Hermine allemaal betekenen: in haar studententijd heet Hermine gewoon Hermine, later wordt dat ‘Louise’, haar vader wilde haar Slavka noemen, in Wenen wordt haar ‘Diebin’, of dievegge, nageroepen door een bestolen winkelier. Hermine vindt haar eigen naam maar niets, ze had zowel ‘Kweepeer’ kunnen heten, grapt ze, naar de kweeperenjam die ze steeds van haar tantes kreeg. Dit grapje wordt dan (overbodig en uitvoerig) uitgelegd: in het Frans is kweepeer ‘coing’, wat etymologisch afkomstig is van ‘coïtus’. De ideale voorzet tot een freudiaanse analyse, zeg maar.
 
‘Niets blijft onuitgelegd in Hoedenmaker’, zegt Brouwers hierover in zijn nawoord. Vlaeminck vindt een dergelijke op zichzelf gerichte literaire hermeneutiek juist een pluspunt van De hoedenmaker:  
 
‘Wie zijn leven optrekt uit literatuur, kan haast niet anders dan via allerhande associaties betekenis in het leven vinden. Literatuur is een heilige mystiek met eigen symbolen. Wanneer je je leven uit literatuur opbouwt, kom je vaak niet enkel tot de eigen kern, maar ook tot de kern van de ander.’
 
De literaire verwijzingen hebben voor Vlaeminck een gelijkaardige functie en werken volgens hem versterkend:
 
‘Hoewel Didier geen interesse lijkt te hebben in de gevoels -en denkwereld van Hermine, blijft Hermine toch op zoek gaan naar de mens Didier achter de figuren waaraan hij zichzelf wil meten: Pavese, Rilke, Kafka, Dagerman… Dat doet ze door verbanden te leggen en het lijden van een individu, van wie ze niet steeds weet of hij haar vertrouwen en vriendschap verdient, in een groter kader te plaatsen. In die zin kan literatuur troost en betekenis bieden, en troost biedt kans op leven.’
 
Hoe heette de hoedenmaker? is een autobiografische sleutelroman: de grens tussen fictie en documentaire werkelijkheid is flinterdun. Zvonik zei ooit zelf: ‘Louter fictie schrijven kan ik niet.’ Brouwers onderschrijft dit en stelt in zijn nawoord dat er in De hoedenmaker geen fictie voorkomt. De roman is historisch exact, maar heeft hij een even grote literaire als documentaire waarde? Vlaeminck:
 
‘Zvonik zei hierover dat hoewel De hoedenmaker op echt gebeurde feiten berust, ze omwille van de structuur van het verhaal enkele aanpassingen heeft aangebracht. Het blijft een geromantiseerd verhaal. Bovendien was ze ervan overtuigd dat je iemand nooit helemaal kan doorgronden: zelfs wanneer je jaren aan iemand gebonden bent, kan je die persoon nooit werkelijk helemaal kennen. Ook moet je enig voorbehoud maken op hoe De Witte zelf alles wat in het boek beschreven staat, heeft ervaren. Daar heb je, ondanks zijn nagelaten dagboekfragmenten en de teruggevonden notities die hier en daar in De hoedenmaker opduiken, het raden naar. Wat zijn ervaringen aangaat is het boek volledig fictief, een roman.’
 
Ondanks het sombere thema is er veel ruimte voor speelsheid en fantasie in Hoe heette de hoedenmaker? Op het einde van het tweede hoofdstuk schrijft Hermine dat het moeilijk is ‘afscheid te nemen van iets dat had kunnen worden.’ Didier en zij  beginnen vanaf dan ‘in het hart van andere mensen te leven, hij in dat van X en ik in dat van Y.’ Aan deze niet verder uitgewerkte studiegenoten X en Y heeft Zvonik haar roman opgedragen, net als aan ‘de wondere Hannes,’ een soort saltimbanco, een losbollige pierewaaier die hier en daar cameo-gewijs opduikt in de roman (een beetje zoals ‘the man in macintosh’ in Joyce’s Ulysses). In een sprekende scène tikt de wondere Hannes al dartelend en zingend de hoed van het hoofd van een voorbijganger. Wie zijn deze mysterieuze figuren voor Vlaeminck, wie zijn X, Y en de wondere Hannes?
 
‘In zijn nawoord schrijft Brouwers dat het personage ‘de wondere Hannes’ symbool staat voor een bepaalde levenshouding, een filosofie: het woord gehannes laat zich ook definiëren als ‘gedoe’, ‘gepruts’, ‘geslungel’, ‘gesol’. En dat is wat de wondere Hannes in De hoedenmaker ook doet: klungelen, knoeien, sollen met zichzelf en met anderen. Maar het knoeien kan natuurlijk ook slaan op het zoekende karakter van zowel Hermine (Zvonik) als Didier (De Witte). Een vroegere kennis van Zvonik vertelde me echter dat de wondere Hannes gemodelleerd werd naar Zvoniks echtgenoot, Rudy Strybol, die ze tijdens haar universiteitsjaren in Gent had leren kennen. Het blijft speculatie natuurlijk. De schrijfster is er niet meer en De hoedenmaker is zo’n gelaagd boek, dat er verschillende interpretatiemogelijkheden zijn.’
 
Met wat historisch speurwerk kom je iets verder, maar ook in het boek zelf zitten natuurlijk heel wat aanwijzingen, het is niet voor niets een sleutelroman:
 
‘Als je De hoedenmaker en De Witte’s leven naast elkaar legt, kan je wel concluderen dat het personage X in het boek (met wie Didier huwt), eigenlijk Anneke Hoegaerts, De Wittes echtgenote, was. De Witte leerde Hoegaerts kennen kort nadat zijn beide ouders overleden waren. Nog tijdens zijn studentenjaren huwden ze. In Zvoniks roman krijgt Anna pas aan het eind van het boek een naam, wat niet toevallig is. Naar Y blijft het hoe dan ook gissen; vast staat dat ze met dit personage niet haar eigen echtgenoot (en dus Hermines echtgenoot) voor ogen had. Voor mij persoonlijk symboliseren de wondere Hannes, X en Y diegenen die als bij toeval je leven komen binnengewaaid om even snel opnieuw te verdwijnen. Misschien laten ze iets achter, een noodzakelijk inzicht of een kostbare herinnering, maar verder blijven ze ongrijpbaar, zoals tijd die onder bruggen stroomt om nooit nog terug te keren.’
 
Zvonik publiceerde na Hoe heette de hoedenmaker?, haar debuut uit 1975, nog slechts twee romans. In 1979 verscheen bij de Standaard Uitgeverij Duizend jaar Thomas, dat met de Yangprijs en de Mathias Kempprijs werd bekroond, en in 1983 gaf Manteau De eerbied en de angst van Uri en Ima Bosch uit. Beide boeken konden rekenen op bijval, maar het succes van Hoe heette de hoedenmaker? zou Zvonik nooit meer evenaren. Verspreid over diverse tijdschriften verschenen nog zeven verhalen en één gedicht, ‘Het zout van de aarde’, gepubliceerd in Roepen om de dag (1983), een uitgave van Amnesty International. Na 1984 trekt Zvonik zich definitief terug uit het literaire leven. Zijn er voornemens om nog ander werk van Zvonik opnieuw op de markt te brengen? Vlaeminck:
 
‘Of Cossee plannen heeft ander werk van Zvonik opnieuw uit te geven, weet ik niet. In elk geval is iedereen bij de uitgeverij erg enthousiast over het boek. De roman doet het goed in de pers en kent goede verkoopcijfers. Volgens mij komt het dus wel goed met Zvoniks twee latere boeken, althans dat hoop ik. Naast drie romans schreef Zvonik ook nog enkele kortverhalen, waarvan er slechts enkele in boekvorm zijn verschenen. Het zou mooi zijn als ook die teksten opnieuw gepubliceerd werden, als verhalenbundel bijvoorbeeld.’
 
De mooie reacties op de herdruk van Hoe heette de hoedenmaker? moedigen Vlaeminck alvast aan om nog meer vergeten auteurs een nieuw lezerspubliek te bezorgen:  
 
‘Bij uitgeverij Vrijdag verschijnt in het voorjaar of de zomer van 2019 een herdruk van een andere vergeten schrijver. Ik zond hen een exemplaar van het boek op, en ten huize Vrijdag reageerden ze erg enthousiast op de roman. Als alles goed gaat, verschijnt er deze keer wel een nawoord van mijn hand in de herdruk. Verder kan en mag ik er momenteel nog niets over prijsgeven. Andere auteurs die volgens mij ook een herdruk verdienen zijn, zonder aarzelen, Rita Demeester, Patricia de Martelaere en Wim Neetens.’
 
Loekie Zvonik: Hoe heette de hoedenmaker?, Cossee, Amsterdam 2018, 221 p. ISBN 9789059367548. Distributie Pelckmans Uitgevers 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri