Non-fictie

BOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2019

Etienne Vermeersch, Johan Braeckman (sam.), Dirk Verhofstadt (sam.): Nagelaten geschriften

door Christophe Van Eecke

Begin 2019 overleed de Gentse filosoof Etienne Vermeersch, een man die, naast zijn reputatie als een begeesterend docent vooral bekend werd voor zijn interventies in het publieke debat rond hete morele hangijzers als abortus, euthanasie en de hoofddoekendiscussie. Hij was vaak ook zeer zichtbaar in belangrijke commissies rond ethische onderwerpen. Daarnaast toonde hij ook een grote betrokkenheid bij het ecologisch debat, waarin hij met De ogen van de panda (1988) een klassieke tekst schreef die helaas niet buiten de taalgrenzen bekend is geworden.
 
Door zijn vele optredens in de publieke sfeer heeft Vermeersch heel wat teksten geschreven waarin hij als ethicus over eigentijdse problemen nadacht. Een aantal daarvan werd eerder gebundeld in Van Antigone tot Dolly (1997), maar lang niet alles was in boekvorm te verkrijgen. Vermeersch’ belangrijkste ongebundelde teksten zijn nu, samen met een selectie interviews, opiniestukken en ongepubliceerd materiaal, gebundeld door Johan Braeckman en Dirk Verhofstadt, die eveneens een (soms wat hagiografisch getinte) inleiding schreven. De essays zelf zijn uitstekend en diepgravend. De lezer laat zich dan ook best niet misleiden door de titel Nagelaten geschriften: het gaat hier niet om een samenraapsel van verspreide snippers. Hoewel er ook een aantal kortere opiniestukken in gebundeld zijn, bestaat de kern van het boek uit vlijmscherpe analyses waarin Vermeersch genadeloos de vloer aanveegt met alle opvattingen die de rationaliteit tarten.
 
Een centrale ethische as in Vermeersch’ denken is de autonomie van de mens – een verlichtingsgedachte die hij in zijn volle rijkdom weet open te vouwen en toe te passen op heikele discussies zoals het euthanasiedebat of doping in de sport. Autonomie is voor Vermeersch gebaseerd op een paradoxale vrijheid. Die vrijheid is paradoxaal omdat echte vrijheid niet absoluut is en evenmin het ontbreken van regels of beperkingen veronderstelt. ‘Er is helemaal niets fout aan gedetermineerd zijn,’ schrijft hij. ‘Het hangt er alleen van af waardoor men wordt gedetermineerd. Vrij zijn, in de authentiek waardevolle zin van dat woord, betekent niet dat we door niets worden bepaald, maar dat we bepaald zijn door onszelf en wel door wat we als de hoogste instantie in onszelf beschouwen. Wie echt autonoom is, wordt niet gedreven door willekeurige beslissingen, maar stelt zichzelf wetten en wordt door niets anders dan door zichzelf bepaald.’ Dat laatste is trouwens niets anders dan een etymologische explicatie van het begrip autonomie: zichzelf de wet stellen.
 
Autonomie is ook de ethische sleutel tot Vermeersch’ beschouwingen (uit 1998) over het toen nog relatief nieuwe fenomeen van stalking. Veel van wat hij schrijft, laat zich nu lezen als een bijna profetische voorafschaduwing van het publieke debat over MeToo. Stalking draait immers om het inspireren van angst in het slachtoffer, dat daardoor de autonome controle over zijn of haar leven verliest. Het is evenwel een trieste ironie van de MeToo-discussie dat ze op haar beurt een identiteitspolitiek denken heeft aangezwengeld dat eveneens drijft op angst en morele terreur (door bijvoorbeeld speech codes en andere morele dictaten uit te vaardigen die mensen ervan moeten weerhouden te zeggen wat ze werkelijk denken uit angst voor repercussies). Bijgevolg lijkt Vermeersch ook het debat over de afrekencultuur die we vandaag kennen te hebben voorvoeld. Een afrekencultuur is immers evenzeer een angstcultuur: iedereen moet vandaag vrezen dat een fout woord of een verkeerd begrepen gedrag absolute karaktermoord op de sociale media of het einde van een carrière kan betekenen.
 
In de tekst over stalking is Vermeersch trouwens ook bijzonder sterk wanneer hij ingaat op het belang van Spinoza als inspirator voor zijn autonomiedenken. Spinoza is in veel opzichten even radicaal als Nietzsche, maar geniet door omstandigheden (hij leefde in een minder hippe eeuw dan Nietzsches late negentiende; hij wordt geassocieerd met religie; zijn teksten zijn soms onwaarschijnlijk moeilijk waar Nietzsche de bedrieglijke schijneenvoud van het aforisme kiest) niet dezelfde populariteit. Vermeersch’ bewondering voor Spinoza is evenwel pikant omdat Vermeersch’ belangrijkste filosofische nemesis in de beperkte arena van het Vlaamse publieke debat zo vaak de conservatieve Leuvense filosoof Herman De Dijn was, die zelf een Spinoza-specialist is.
 
Bijzonder actueel blijft ook Vermeersch’ opstel over multiculturalisme. Daarin maakt hij een onderscheid tussen racisme en rootisme (ook het onderwerp van verschillende opiniestukken). Als racisme mensen in hokjes steekt en discrimineert (of erger) op basis van hun biologische afstamming, dan is rootisme de tegengestelde beweging waarbij mensen zich als groep organiseren en verbonden voelen door hun biologische afstamming – vaak als respons op een afwijzende (racistische) tendens binnen een autochtone gemeenschap. Wat Vermeersch over rootisme schrijft, is brandend actueel in de huidige discussie rond identiteitspolitiek zoals die onder meer wordt bekritiseerd door Elma Drayer in haar eveneens zopas verschenen boek Witte schuld. Zowel racisme als rootisme zijn duidelijk vormen van identiteitspolitiek: het inzetten van de eigen identiteit als moreel wapen tegen de ander. In dit opzicht bevatten de Nagelaten geschriften ook een bijzonder exhaustieve ongepubliceerde analyse van de hoofddoekendiscussie waarin Vermeersch betoogt dat het gebruik van de hoofddoek als symbool van een identiteit uiteindelijk deel uitmaakt van een poging om zich buiten de westerse maatschappij te stellen. Hij ziet de compromisloze strijdvaardigheid rond de hoofddoek in bepaalde moslimkringen heel duidelijk als een vorm van gevaarlijke en radicale identiteitspolitiek die als enig oogmerk heeft de sociale vrede te verstoren.
 
Als het boek een aantal zeer sterke essays bevat, dan biedt het de lezer daarnaast ook de gelegenheid om her en der, ook in de minder omstandige stukken, prachtig geformuleerde observaties en inzichten te vinden. Vermeersch had de reputatie zeer analytisch en didactisch te zijn, en die kwaliteiten komen in dit boek zeer nadrukkelijk naar voren. Steeds weer weet hij complexe gedachten en subtiele inzichten scherp, helder en begrijpelijk te formuleren. Die inzichten zijn niet noodzakelijk nieuw of origineel, maar ze maken indruk door de helderheid waarmee Vermeersch ze uitdrukt – een luciditeit die er een zekere intellectuele finaliteit aan geeft. In een tekst over het medisch beroepsgeheim (uit 1989) vinden we bijvoorbeeld het volgende over de essentie van ethisch handelen: ‘Het wezenlijke is niet dat men geen vergissingen maakt of dat men aantoont een voorschrift te hebben gevolgd. Men is waarlijk een ethisch mens wanneer men een beslissing neemt die men bereid is te verdedigen met verwijzing naar alle waarden die in het geding zijn’.
 
Hier, zoals in zoveel andere bijdragen, geeft Vermeersch blijk van de complexiteit van het menselijk bestaan, dat zich onmogelijk in vaste regels laat vatten, en dat integendeel eist dat wij als autonome wezens zelf tot verdedigbare besluiten en handelingen komen. Het vergt intellectuele en ethische lenigheid veeleer dan vastheid in de leer om op zo’n manier ethisch in het leven te staan. De teksten in dit boek onderwijzen stuk voor stuk een dergelijke ethische houding door in de praktische denkoefening het goede voorbeeld te geven.
 
Etienne Vermeersch, Johan Braeckman en Dirk Verhofstadt (sam.): Nagelaten geschriften, Houtekiet, Antwerpen 2019, 480 p. ISBN 9789089247520. Distributie VBK België 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri