Non-fictie

BOEKEN NR. 5, MEI 2019

Anne Adriaens-Pannier : Léon Spilliaert from the Depths of the Soul

door Christophe Van Eecke

De doorwrochte Spilliaert
 
In een van zijn lichtvoeterigere gedichten beschrijft Hugo Claus twee dames op de dijk van Oostende die zich rap uit de voeten maken omdat ze de schilder Léon Spilliaert zien aankomen, die het portret van hun ruggen dreigt te gaan maken. Ik heb mijn verzamelde gedichten van Claus niet bij de hand (de bundel zit ergens verdoold in één van de vele dozen boeken waarvoor geen plaats meer is op de boekenrekken), maar ik meen me te herinneren dat het een knitteldicht was uit de bundel Almanak (1982). In elk geval, het korte vers vat heel precies één van de meest fascinerende dualiteiten in het werk van Spilliaert: de kunstenaar observeerde vaak heel alledaagse scènes (vissersvrouwen, de dijk, duistere interieurs…) maar schilderde die op een manier die vaak verontrustend en beklemmend was, waardoor het alledaagse unheimlich wordt. Op die manier heeft hij ongetwijfeld mee vorm gegeven aan de manier waarop Oostende in het Belgisch collectief onbewuste leeft. Het Oostende waar Claus’ roman De verwondering (1962) zich afspeelt, lijkt in zijn groteskere aspecten bijvoorbeeld zeer Spilliaens.
 
In die zin kan men zeggen dat de werkelijkheid van Spilliaert ten diepste gepsychologiseerd is, wat van hem meteen ook een duidelijk symbolistisch kunstenaar maakt. Het is die Unheimlichkeit die een centraal object van analyse is in Anne Adriaens-Panniers massieve studie van Spilliaert, die tevens de eerste alomvattende synthese van het oeuvre vormt. De huidige uitgave, Léon Spilliaert from the Depths of the Soul, is een (soms wat onhandige) Engelse vertaling van een oorspronkelijk Nederlandstalige studie, Spilliaert. De bezielde blik (Ludion 2006), de neerslag van het doctoraatsonderzoek van de auteur. Zij is op dit moment vermoedelijk de grootste Spilliaert-kenner ter wereld, met ruim twintig jaar onderzoek op het oeuvre achter de kiezen. Een dergelijke publicatie is bij definitie belangwekkend, al was het maar omdat Spilliaert, geheel ten onrechte, nog niet de internationale reputatie geniet die hem op grond van de kwaliteit van zijn oeuvre toekomt. Bovendien is het boek voor de bewonderaars van de kunstenaar een evenement omdat nooit eerder zoveel werken, en vooral zoveel weinig bekende werken, in prachige reproducties binnen één band werden samengebracht èn exhaustief geduid.

Het boek heeft twee onderzoekslijnen die met elkaar verbonden zijn: het onderneemt een gedetailleerde iconografische en cultuurhistorische duiding van het oeuvre en brengt, om dat doel te bereiken, ook een hele reeks artistieke, culturele en intellectuele invloeden van de kunstenaar in kaart. Daarbij wordt een en ander ook aan de biografie gelinkt, al gebeurt dat laatste eerder sporadisch omdat de uiteenzetting geen biografie in de strikte zin wil zijn (er is een uitgebreide biografische schets voorzien aan het einde van het boek). Jammer genoeg heeft de auteur echter nagelaten een inleiding te schrijven waarin opzet en methodiek van de studie worden toegelicht. Hierdoor belandt men bij het eerste hoofdstuk meteen in medias res. En dat betekent dat de auteur ons meeneemt op een associatieve tocht doorheen talloze aquarellen en schilderijen die, soms op basis van vrij vage iconografische verbanden, worden samengebracht.
 
De auteur doet zichzelf hiermee geen plezier, want de eerste, exploratieve hoofdstukjes vormen de zwakste schakel van het boek omdat de auteur haar eigen associaties tussen de werken hier soms de bovenhand laat krijgen over het onderzoek. Een op zich onschuldig portret van een jongeman (1901-1903; ill. 34) wordt in de tekst bijvoorbeeld gelinkt aan een mogelijke seksuele onderwereld door te suggereren dat hij wel eens de loopjongen zou kunnen zijn van een norse bordeelhoudster in een andere aquarel die Mademoiselle Blanche (1901-1903; ill. 35) heet. ‘Hoe onschuldig is deze jongen?’ vraagt de tekst, zonder dat er redenen worden gegeven om deze twee werken op zo’n narratieve manier met elkaar te verbinden of zelfs nog maar te suggereren dat ze iets met elkaar te maken hebben. In dit soort passages laat Adriaens-Pannier zich verleiden door het spook van de Hineininterpretierung, waarbij de interpretatie van het werk soms voorbijgaat aan wat er feitelijk te zien is. Zo wordt over een schilderij van een Adam gezegd dat zijn ogen glimmen met een vuur dat heel mooi in Adriaens-Panniers filosofisch-theologische interpretatie van het schilderij past (en doorheen het boek gaat de auteur omstandig in op de spirituele dimensies in Spilliaerts werk), terwijl de ogen van de Adam in het eigenlijke schilderij donker en dof zijn en helemaal niet glimmen.
 
Het is duidelijk dat de auteur in deze eerste (sub-)hoofdstukjes meteen probeert te illustreren hoe we in het oeuvre de in de titel van haar boek aangekondigde diepste zielenroerselen van de kunstenaar (filosofisch, psychologisch, emotioneel) kunnen zien. De auteur benadert het oeuvre daarbij als een soort stafkaart van het psychologisch zelfportret dat ze erin heeft gezien, gestuurd door haar intieme kennis van het werk. Daarbij gaat haar enthousiasme echter een paar keer met haar methodologische rigueur aan de haal, waardoor dit soort ongelukkige schoonheidsfoutjes haar betoog onnodig ontsieren. Het boek komt in dat opzicht dus enigszins hortend en struikelend uit de startblokken.
 
Adriaens-Pannier maakt gelukkig een veel betere beurt wanneer ze Spilliaert in zijn artistieke context plaatst, met omstandige hoofdstukken over de relatie tot onder meer Munch, Ensor en Permeke. Hier kan de auteur ook haar formidabel gedetailleerde kennis van leven en werk volledig uitbuiten om de context van het oeuvre te schetsen. Verder zijn er mooie duidingen van bijvoorbeeld tendensen in Spilliaerts reeks buitengewone zelfportretten, of zijn gebruik van het spiegelmotief. Maar dergelijke thema’s zijn concreter en blijven de schilderijen dichter op de huid zitten dan filosofische speculaties over het mensbeeld of de levensvisie die door de kunstenaar worden uitgedrukt. Wanneer Adriaens-Pannier zich verdiept in de verschillende terugkerende motieven in het oeuvre (zoals de vissersvrouw, landschappen en bomen, maar ook ogenschijnlijk onopmerkelijke details als opwaaiende haarlokken en jurken) bevindt ze zich op veel vastere bodem en laat haar fenomenale kennis van het oeuvre haar toe om de eenheid in de veelheid toe te lichten, belangrijke nuances te laten oplichten, of ons gewoon op sprekende details te wijzen die ons anders zouden zijn ontgaan.
 
Visueel is het boek formidabel. Het brengt een buitengewone rijkdom aan vaak weinig bekende werken van Spilliaert samen in reproducties van fenomenale topkwaliteit. Na het doorkijken van dit boek kan er geen twijfel over bestaan dat Spilliaert een meester van internationaal niveau is die de reputatie van een Rops of een Ensor zou moeten genieten. Hij verdient dan ook een massief boek zoals dit, waarin met aandacht voor de context en de subtiele iconografische nuances van zijn werk precies duidelijk wordt gemaakt waarom hij zo buitengewoon is. De massiviteit van het boek, dat een geheel eigen gewicht geeft aan het idee van een exhaustieve analyse, betekent ten slotte ook dat lineair van begin tot eind lezen niet noodzakelijk de beste manier is om het boek te benaderen, al loont die aanpak wel voor de volharders. Minder stoutmoedige lezers kunnen zich laten verleiden door de verschillende thematische (sub-)hoofdstukjes waarin telkens weer specifieke facetten van het oeuvre worden toegelicht. Ook die aanpak is zeer vruchtbaar, met name omdat de vele afbeeldingen zeer strategisch doorheen de tekst zijn gestrooid om de argumentatie ter plaatse toe te lichten, zodat de tekst soms uit heel veel met elkaar verbonden mini-essays lijkt te bestaan. Dat alles maakt van deze studie een boek dat men zeer graag steeds opnieuw ter hand neemt om almaar nieuwe werken en nieuwe lijnen te ontdekken. Dit boek leent zich dus zowel tot diepgravende studie als tot grasduinen, en is bovendien een pronkstuk voor de salontafel van wie van coffee-table books houdt.
 
Uiteindelijk biedt dit boek een spectrum aan sleutels om vanuit steeds andere (maar toch met elkaar verbonden) invalshoeken dit bijzondere oeuvre te ontsluiten. En dat laatste is dan toch wel de allergrootste verdienste van deze studie: de combinatie van zeer gedetailleerde analyse (inclusief het uitputtend duiden van motieven, invloeden en tendensen) met een onverzadigbare overdaad aan werkelijk zeer hoogwaardige reproducties zorgt ervoor dat men het oeuvre hier te zien krijgt zoals men het nooit eerder zag. We wisten natuurlijk al langer dat Spilliaert een formidabel kunstenaar was, maar dit boek laat ons toe om ons, in tekst en beeld, te vergewissen van de buitengewone complexiteit van dit oeuvre, dat verontrust, behekst, beduvelt en fascineert.
 
Anne Adriaens-Pannier: Léon Spilliaert from the Depths of the Soul, Ludion, s.l. 2019, 336 p. : ill. Vertaling van Spilliaert. De bezielde blik door Helen Simpson, Vicky Morrisson en Donald Pistolesi. ISBN 9789491819902. Distributie Exhibitions International 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2019

Brutopia. De dromen van Brussel

Pascal Verbeken

De literatuur draait door

Sander Bax

De patiënten van dokter García

Almudena Grandes

Meneer Janeu

Georges Bernanos

Otmars Zonen

Peter Buwalda

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2019

De dader

Antonia Michaelis

De geschiedenis van Jane Doe

Michael Belanger

Farwest

Peter Elliott, Kitty Crowther (ill.)

Konijn & Egel. Er komt geen einde aan het einde

Paul Verrept, Nils Pieters (ill.)

Mevrouw Wervelwind

Rindert Kromhout, Jan Jutte

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri