Vanaf twaalf jaar

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2019

Hans Hagen, Monique Hagen, Maartje Kuiper (ill.): Poëzie hardop

door Jan Van Coillie

12+ - ‘KIP … Ik kan lezen.’ Daarmee begint Poëzie hardop van het schrijversduo Hans en Monique Hagen, met het wonder dat zich voltrekt wanneer een kind leert lezen. Het belang van lezen en dan vooral van gedichten lezen loopt als een rode draad door deze bundel columns. Het begint bij: ‘En zo is het. Op het moment dat je kunt lezen, begint er een prachtige reis die je leven lang duurt.’ En het eindigt met: ‘En, we zeggen het nog één keer: lezers zijn gezonder en gelukkiger dan niet-lezers. Vergeet dat nooit’. Af en toe ondersteunen ze hun betoog zelfs met gegevens uit wetenschappelijk onderzoek van Jette van den Eijnden (Wat doet het boek. Een onderzoek naar de opbrengsten van lezen, Stichting Lezen 2017). Dat is prima natuurlijk, maar het had overtuigender gekund hadden ze ook verwezen naar andere, internationale onderzoeken.  
 
De kracht van hun pleidooi steekt echter veel meer in het enthousiasme waarmee ze hun columns verwoorden. Overigens is die verwoording heel eenvoudig en no-nonsense, waardoor ze zowel volwassenen als kinderen kunnen aanspreken. Soms vertrekken ze vanuit een persoonlijke anekdote, maar vaker vanuit een uitspraak of vraag over poëzie. En in meerdere stukjes combineren ze beide, zoals in ‘Wat doet de wind’. De column opent met de vraag ‘Hoe weet je of een tekst een gedicht is?’, waarmee ze vaak de poëzielessen beginnen die ze aan kinderen geven. Een sluitend antwoord hebben ze nog nooit gevonden, zo stellen ze. Dan benaderen ze dat antwoord maar door poëtische kenmerken te geven, wat ze doen via anekdotes. Aan de hand van het eerste gedicht dat ze publiceerden (‘Tijger’) verduidelijken ze het belang van de versschikking. En het belang van klank en beeldspraak leggen ze uit aan de hand van een gedicht over de wind dat ze samen met kinderen schreven. Ze verwijzen wel vaker naar hun poëzieworkshops en optredens. Daar heeft overigens de titel van de bundel mee te maken: ze lezen veel gedichten hardop. In het boek doen ze ook geregeld een oproep aan ouders om hetzelfde te doen.
 
De anekdotes en uitspraken over poëzie vormen in de columns slechts een introductie tot de bijna honderd gedichten. Die komen zowel uit bundels die gepubliceerd werden voor volwassenen als uit bundels voor kinderen. Heel geregeld vormen ze verrassende combinaties, met de introducties of ‘aanloopjes’ als bindmiddel. Bindmiddel is hier het gepaste woord, de auteurs leggen de gedichten immers nooit uit. Dat hoeft ook niet, ze kozen immers voor heldere, doorzichtige of ‘sprekende’ gedichten. Poëzie hardop dus. Als ze het al over ‘onbegrijpelijke’ gedichten hebben, citeren ze Joke van Leeuwen die het voorbeeld geeft van ‘Ozewiezewoze wiezewalle kristalla’, een nonsensversje waar het niet gaat om gelaagde of meerduidige poëzie. Wat mij betreft hadden ze in hun columns toch af en toe ook zo’n gedicht mogen opnemen. Het had het geheel rijker kunnen maken.
 
Dat de combinaties van de gedichten verrassen, heeft ook te maken met de ogenschijnlijk spontane gedachtesprongen en de onverwachte verbanden die ontstaan. Via het tussenwerpsel ‘eh’ komen ze bij het mysterieuze woord ‘orewoet’, dat voorkomt in een Middelnederlands gedicht van Hadewijch en ‘heftig, brandend verlangen’ betekent. Van een eigen gedicht over (niet) bang zijn in het donker belanden ze bij het oorlogsgedicht ‘Zoveel doden bergt de aarde’ van Hagar Peeters en ten slotte bij het prachtig intieme liefdesgedicht ‘Al het nodige’ van Leo Vroman, waarin hij zijn vrouw bezweert dat ze niet bang hoeft te zijn als hij er niet meer is. Angst is niet gebonden aan leeftijd, inderdaad. ‘Een gedicht begint met een vonk’, zo opent ‘In den beginne’. Dan volgt zomaar een sprong naar de schepping, waarna gedichten volgen over schepping en evolutie van Bette Westera, J. Slauerhoff en Leendert Witvliet, met als conclusie: ‘Gelukkig zijn er dichters die zich van alles voor kunnen stellen.’ Zo eenvoudig is het om de schotten tussen poëzie voor kinderen, jongeren en volwassenen op te heffen.
 
Als je eenmaal in de ban raakt van deze cursiefjes en gedichten zou je de illustraties in het boek vergeten. Die blijven dan ook bescheiden op de achtergrond, alleen al doordat Maartje Kuijper enkel gebruikmaakt van tinten blauw, en verder zwart en het wit van het blad. Ze beperkt zich bovendien tot een soort vignet boven de titel en kleine illustraties in de marge. Als je echter op die tekeningen gaat letten en ze aandachtiger bekijkt, bevatten ze al evenveel verrassingen als de teksten. Neem de tekening boven de titel ‘Tegenslag’. Geïnspireerd door de vraag ‘Wat is wijsheid: blijven koesteren of de kooi wijd openzetten?’ tekent ze de romp van een vrouw als een kooi, met daarin een meisje. Het geheel lijkt te zweven, wat mee de twijfel in de vraag verbeeldt.
 
Poëzie hardop is geen boek om in een ruk uit te lezen, maar wel of en toe van te proeven. Zonder twijfel werken de stukjes het beste als je ze als volwassene en kind samen degusteert. Dan is het een idee om met het boek te doen wat de auteurs hopen dat er met dichtbundels gebeurt, ze laten rondslingeren ‘op keukentafels, wc’s en nachtkastjes.’
 
Hans & Monique Hagen, Maartje Kuiper: Poëzie hardop, Querido, Amsterdam 2019, 128 p. : ill. ISBN 9789045122885. Distributie L&M Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2019

De grote verkilling

Geert van Istendael

Kamers antikamers

Niña Weijers

Verlaten

Jane Harper

Verwondering

Aharon Appelfeld

Winterlaken

Micha Andriessen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2019

Adres onbekend

Susin Nielsen

Mag je haaien aaien?

Katrijn De wit, Inge Rylant (ill.), Laura Bergans (design)

Niet te stoppen

Angie Thomas

Ploef

Espen Dekko, Mari Kanstad Johnsen (ill.)

Zo slapen dieren

Jiří Dvořák, Marie Štumpfová (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri