Vanaf twaalf jaar

JEUGDBOEKEN NR. 1, JANUARI 2016

Peter Verhelst, Carll Cneut (ill.): De jongen, de neushoornvogel, de olifant, de tijger en het meisje

door Frauke Pauwels

Een ingetogen explosie 
 
12+ - Kort voor ik De jongen, de neushoornvogel, de olifant, de tijger en het meisje lees, hoor ik een interview met illustrator Carll Cneut waarin hij opmerkt hoe hij uren en dagen op zoek kan zijn naar precies de juiste kleur, en hoe erg het zou zijn als zou blijken dat niet iedereen die kleur waarneemt zoals hij ze heeft bedoeld. Zijn opmerking zindert nog na als ik het boek met mondjesmaat savoureer – ja, precies, ‘savoureren’, als in ‘aandachtig tot zich nemen om de smaak ervan ten volle te genieten’. 
De jongen, de neushoornvogel, de olifant, de tijger en het meisje is een boek om traag te lezen. Dat kondigt het werk duidelijk aan: een titel die niet snel gelezen kàn worden, een cover die ‘zwart’ openbreekt in een ongezien palet, en in contrast daarmee het krachtige geel van de titel en op de snee. Peter Verhelst had als romanschrijver al langer een patent op prachtig vormgegeven boeken. Denk aan de streelzachte kaft van Memoires van een luipaard, de dieppaarse, auberginekleurige cover en druk van Zwellend fruit of de oranje kaft en schutbladen van Geschiedenis van een berg. Toen hij met Carll Cneut een prentenboek creëerde, gingen ze op dat elan voort. Ook Het geheim van de keel van de nachtegaal werd zo’n pareltje: het oblongformaat met goud op snee, de linnen rug en de overweldigende kleurenpracht van de illustraties bezorgden het boek, naast een indrukwekkende reeks literaire bekroningen, ook de Plantin Moretus Publieksprijs voor beste boekomslag. Het juryverslag van de Woutertje Pieterse Prijs had het over ‘een volmaakte symbiose van beeld, tekst en vormgeving’.

Dat is bij De jongen, de neushoornvogel, de olifant, de tijger en het meisje niet anders. Wil in de gastronomie een prachtig gedresseerd bord de smaak nog wel eens verbloemen, dan zitten vorm en inhoud mekaar hier als gegoten. De zinnelijke stijl van Peter Verhelst komt thuis in deze registrerende vertelling van een Afrikaans overgangsritueel. Ook Carll Cneut overtreft zich met dit boek andermaal – het klinkt al te makkelijk om dat bij een gelauwerd illustrator als hij (alweer) te stellen, maar de prenten overschrijden werkelijk elke mogelijke grens met schilderkunst en trekken door de plaatsing net zoveel aandacht naar zich toe als een schilderij in een verder lege museumzaal. De vormgeving van De jongen, de neushoornvogel, de olifant, de tijger en het meisje is dan ook goed doordacht. Mooi is bijvoorbeeld hoe ‘Het boek van de jongen’ ook in tekstschikking en kleurgebruik verschilt van ‘Het boek van het meisje’. Net als het overgangsritueel van de jongen is het boek strak geregisseerd en blijven prenten binnen hun kader, zodat de enkele overtredingen erop des te sterker op de lezer inwerken.
 
‘Minstens een hoofd gegroeid’
‘Ik ken de eerste vier woorden van de geheime taal van de mannen. Ik ben sinds vanmorgen minstens een hoofd gegroeid.’ In wat ogenschijnlijk een neutrale weergave is van een overgangsritueel legt Verhelst het groeiproces van een jongen bloot. Daarbij vormt de natuur een spiegel voor het man worden: niet alleen moet de jongen, ik-verteller in het eerste deel, alles kennen over de natuur (van sporen herkennen, vuur aanmaken, dieren villen en versnijden tot kruidengebruik…), de natuur is ook een metafoor voor het gewenste gedrag, zoals blijkt uit de inzet van het totemdier.

Het opvallende gebruik van de tegenwoordige tijd springt in het oog wanneer de jongen wacht op de laatste fase van het ritueel. De beschrijving van wat hij hoort, wordt voortdurend afgewisseld met de wetenschap dat hij de hut niet mag verlaten, tot de crisissituatie acuut wordt en een groter lettertype keelt: ‘Het geschreeuw komt uit mijn dorp!’ Op dat moment kantelt de weergave naar herinnering – de taal van het trauma, waarbij de ‘ik’ vervreemdt van de gebeurtenis.
 
Opvallend: waar in het ons vertrouwde coming of age-verhaal de crisis bijdraagt tot de groei, stelt die de jongen hier buiten het vertrouwde patroon. Wanneer zijn overgangsritueel abrupt verstoord wordt door een inval in het dorp, komt de jongen in actie. Daardoor behoort hij, zoals zijn zus de lezer vertelt, nu tot ‘zij-waar-we-niet-mee-praten. […] Of het zijn schuld is of niet – het gaat niet over schuld, maar het gaat over wat gebeurd is: de vloek van de hut. Hij heeft zonder toelating en voor hij een man was zijn hut verlaten’.
 
Erg geslaagd is de overgang tussen het figuurlijke en metaforische gat waarin hij daardoor valt, en de kopermijn. Dat deze ruimte als het ware buiten de wereld valt, krijgt overtuigend vorm in woord en beeld. Het is een wereld die voor de vertelstem letterlijk niet is ingekleurd: in de prenten lopen schetsmatige potloodtekeningen in paarsblauw buiten de strakke aflijning van een witgrijze achtergrond. De chaotische structuur van de ‘stad’ vormt echter een nieuwe overgangsruimte voor de jongen. Hij krijgt er nieuwe ‘familie’, een nieuwe naam als symbool voor zijn nieuwe identiteit – ‘Ikroti Elikhulu: Grote Krijger’, en de kans om via een omweg alsnog tot de voltooiing van zijn overgangsritueel te komen, waarop hij de weg terug naar huis inzet – en zo ook zijn overleden zus kan loslaten.
 
De taal van de mannen
Overgangsrituelen en groeiverhalen uit andere culturen kregen in de Vlaamse jeugdliteratuur vooral dankzij Marita de Sterck een stem. Waar zij kiest voor de mondelinge vertelvorm en het daar bijhorende taalgebruik van volksverhalen, zweert Verhelst trouw aan zijn typische, zintuiglijke taalgebruik. Sommige beelden zijn stevig verankerd in zijn woordenschat en echoën eerder werk, zoals ‘de oksel’ als ruimte van veiligheid en vertrouwen, de vermenselijkte ‘wolk’, hier gevormd door een zwerm bijen ‘die zeurt als een groep kinderen’, of een boomkruin die ‘ontploft’. Meer nog dan de sprookjeswereld uit Het geheim van de keel van de nachtegaal leent de setting van De jongen, de neushoornvogel, de olifant, de tijger en het meisje zich voor de zinnelijke taal van Verhelst.

Toch houdt hij ook daar de teugels strak: de schrijver kiest voor een sterk geritmeerd taalgebruik waarin observerende, bijna neutraal registrerende zinnen doorprikt worden met synesthetisch woordgebruik dat sterke beelden oproept. Zo al in de tweede zin: ‘Het geluid is zo groot dat het alleen maar de tijgers kunnen zijn die vlak naast mijn bed aan de muur krabben.’ Of even verderop: ‘Het vel wordt van het dier getrokken – een nat geluid dat ik nooit zal vergeten.’
 
Die fascinatie voor stilte en geluid is opvallend. Het lijkt soms alsof het tempo en het ritme van de zinnen de soundtrack vormen bij het verhaal, zoals in de scène waarbij de jongen bedreigd wordt en de beschrijving van geluid het geweld suggereert – ‘Ze kloppen op de flank van mijn olifant. Ze klakken met hun tong’ – of zoals bij de oorlogsdans waar het steeds herhaalde ‘(Kijk) hoe’ de spanning opdrijft en het tromgeroffel suggereert.
 
Een andere cultuur authentiek portretteren is niet makkelijk. Het is dan ook knap hoe de tekst typische elementen registreert en weergeeft zonder het perspectief van de buitenstaander aan te nemen. Het animistische wereldbeeld klinkt bijna vanzelfsprekend uit de taal, zoals in de beschrijving van het vuur, waarbij de ik-verteller leert om ‘de vlam eten te geven’ en hij erover moet waken ‘dat het vuur lucht heeft, anders sterft het’. Die vanzelfsprekende toon raakt helaas wat verloren bij de beginalinea’s van ‘het boek van het meisje’, waarin de zus aan het woord is. Zij heeft het bijvoorbeeld over ‘Volgens de verhalen van ons volk moet de zus – ik dus - …’, waardoor het verhaal even iets uitleggerigs krijgt. De situering van het verhaalverloop ten opzichte van rituelen en elementen uit de cultuur, is in dit deel minder organisch en een wij-zij-tegenstelling speelt hier sterk op, enerzijds tussen levenden en doden – ‘Verhalen die jullie, levende mensen, niet kunnen horen, omdat jullie oren niet slim genoeg zijn’, anderzijds tussen de eigen en een andere cultuur – ‘Onze wereld is duidelijk. […] In onze wereld heb je vier soorten mensen: …’
 
Eens de pionnen duidelijk zijn uitgezet, hervindt de vertelstem het evenwicht. Dit haperende scharnierstuk en wat (schijnbare?) slordigheden verderop, waar niet altijd duidelijk is waarom gehinkeld wordt tussen ‘mijn olifant’, ‘zijn olifant’ en ‘Olifant’, laten de (kritische) lezer met het spijtige gevoel achter dat een tikje meer rijpingstijd of een goede redactionele hand dit had kunnen verhelpen.
 
Maar ach, alles daarrond is zo sterk dat ik dit graag vergeet – en wordt in sommige culturen een schoonheidsfout niet aangebracht juist om het boze oog af te schrikken? Mij blijven vooral de prachtige beelden bij, de vijgenhand, vingers die zich openen ‘zo traag als een bloem die opengaat’, het overweldigende donker en diepgroene van het woud, waarin bloemen, bladeren, dieren en gezichten zich pennentrek na pennentrek openvouwen, zoals wanneer je ogen langzaam wennen aan het donker en je steeds meer van de ruimte ziet. Dàt, en het krachtige verhaal.

De jongen, de neushoornvogel, de olifant, de tijger en het meisje verscheen in de plooien van het eindejaar. Te laat voor vele ‘beste van’- en wellicht ook geschenkenlijstjes, maar beslist niet te laat om door velen te worden gelezen – en opnieuw, en opnieuw. Een parel.
 
Wielsbeke : De Eenhoorn 2015, 86 p. : ill. ISBN 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri