Peuters en kleuters

JEUGDBOEKEN NR. 12, NOVEMBER 2016

Koos Meinderts, Annette Fienieg (ill.): Kak! Zei de ezel. 101 nonsensversjes van Humptie Dumptie tot Orkie Porkie

door Jan van Coillie

3+ - Eeuwenoude bakerrijmen vertalen, het lijkt een onmogelijke opdracht. ‘Humpty Dumpty’, ‘Incey Wincey’ en ‘Georgie Porgie’ zijn zo heel en al Brits dat je je ze nauwelijks kunt voorstellen in het Nederlands. Toch heeft Koos Meinderts de proef met verve doorstaan. Daarbij heeft hij er terecht voor gekozen de gedichten vrij te vertalen en over te brengen naar een Nederlandse context. Het levert een bundel sprankelende rijmen op die extra glans krijgen door de schitterende illustraties van Annette Fienieg.   
De bundel komt nochtans moeizaam op dreef, het lijkt alsof Meinderts zijn ritme nog moet vinden. ‘De dichter en de ganzenveer’ mist de vaart en de associatieve nonsens van het originele ‘Goose feathers’. Ook de herhaling van de klanknabootsing en het dubbelrijm (‘pretty fellow’/ ‘fill a pillow’) zijn verdwenen. Alleen al bij de eerste regels merk je het verschil. ‘Moeder Gans, ik vraag beleefd / of u een veertje voor me heeft’ heeft nog weinig van de magie van ‘Cackle, cackle, Mother Goose, / have you any feathers loose?’ Ook verder in de bundel verliezen enkele bewerkingen te veel van de klankrijkdom, het ritme of de ongerijmde absurditeit van het origineel, zoals ‘Pat-a-cake’ of ‘Jemmy Dawson’.
 
Gelukkig zijn dit uitzonderingen. Meestal slaagt Meinderts er uitstekend in om de fascinerende combinatie van rijm, metrum en nonsens te bewaren of zelfs te overtreffen. Je kunt je vaak zo voorstellen dat zijn vertalingen een eigen leven gaan leiden als Nederlandstalige bakerrijmen, waardoor ze na verloop van tijd beroemder worden dan hun maker en van generatie op generatie worden overgeleverd. Neem de volgende strofe uit ‘Three jovial Welshmen’, door Meinderts bewerkt tot ‘Drie bijziende Belgen’:

‘One said it was a shop,
the other he said: nay.
The third said it was a house
with the chimney blown away.’
 
Meinderts behoudt het ritme en de kern van de inhoud, maar voegt wat zeemansgevoel toe:
 
‘De eerste zei: het is een boot.
De tweede zei: welnee
De derde zei: het is een huis
met heimwee naar de zee.’
 
Hij vernederlandst niet alleen personen en plaatsen, maar voegt ook verwijzingen toe naar zijn grote voorbeeld Annie M.G. Schmidt: zowel de Krullevaar als de spin Sebastiaan duiken op.
 
Zo steken de gedichten vol bijzondere vondsten. ‘Under a hill’ wordt ‘languit in een trog’, wat niet alleen prettig klinkt, maar ook voor extra humor zorgt. ‘Welkrom thuis’ klinkt het uit de mond van de kromme man. De verliefde kikker zegt niet langer ‘Heigh ho!’, maar wel ‘Zoenen is lekker, spinazie gezond’, wat lekker rijmt op ‘leve de liefde, de wereld is rond.’ Mister Rusticap wordt omgetoverd in de zusjes Speldenkussen, met een spitsvondige woordspeling op het eind: ‘Zusjes, waarheen gaat de reis?/ Pinnig zeiden ze: Parijs!’ Het geluidenversje ‘Bow-wow’ krijgt een verrassend rijm aan het slot:

‘De muis die zegt piep
en de uil zegt oehoe.
De kraai zegt kra-kas,
maar wat zegt een gnoe?’

Annette Fienieg voegt een extra grapje toe in haar illustratie, waarop de gnoe een bordje met ‘hallo!’ tussen de horens draagt.
 
Fienieg voegt overigens wel vaker grapjes toe. Op het finale schutblad komt de koningin net uit bad, gewikkeld in een handdoek, een verwijzing naar het ondeugende gedicht waarin de majoor ‘in zijn nakie’ bij haar in bad zit. Typerend voor Fienieg zijn de vele grappige en tegelijk gezellige figuren. Of het nu kinderen zijn, dieren of volwassenen, altijd hebben ze een hoog knuffelgehalte. Omaatjes krijgen een rode wipneus en vriendelijk uilenbrilletje, heertjes lijken op tuinkabouters en zelfs de zeereus heeft iets schattigs. De verliefde kikker draagt een hoed met veer en de muis laarsjes en een alpinomuts. Van de slotprent krijg je het helemaal warm: een blank en een bruin kindje liggen samen in een bed vol knuffels. Een meisje zit, duim in de mond, op het bed. Alle drie luisteren ze naar de volwassen verteller in pyjama op een schommelstoel. Op het bed zit een uil en erboven hangt een lamp met een lachend gezicht als een volle maan. Meteen verwijst de prent naar het begin, waarop een jongen in een gelijkaardige pyjama op schoot zit bij zijn vader.
 
In het woord vooraf verantwoordt Meinderts de aanpassingen: ze passen in de traditie van mondelinge overlevering, waarbij elke verteller zijn eigen versie kan maken. Hij verklapt ook waar zijn liefde voor de volkspoëzie vandaan komt en hoe hij al in vroeger werk rijmen opnam in die traditie. Ten slotte geeft hij ook mee hoe treinritten hem hielpen om in het ritme te komen, een originele kijk op die bijzondere uitdaging die het vertalen van poëzie is: ‘Op het ritmisch ratelen van de wielen op de rail is het goed rijmen.’
 
Amsterdam : Rubinstein 2016, 152 p. + ill. ISBN 9789047621416 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2020

Buiten beeld

Jurriaan van Eerten

De allegorische microfictie van Cynan Jones

Het landschap als een spiegel

De schrijver is een alleenstaande moeder

Hagar Peeters

Schelmen van het Oude Hof

Mateui I. Caragiale

Zon

Peter Verhelst

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2020

De koudste winter

Tine Mortier, Alain Verster (ill.)

De man met de zeegroene ogen

Koos Meinderts, Sanne te Loo (ill.)

dier boek. ik lees van aas gier tot zee draak

Coco & June

Het beest met de kracht van tien paarden

Lida Dijkstra, Djenné Fila (ill.)

Stel dat...

Alastair Reid, JooHee Yoon (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri