Vertaald proza

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2020

André Feron: Vergeten... nooit

door Jan Baes

'Wat betekent een taal leren zonder de ondersteuning van de literatuur die er de rijkste vorm van is? En wat is literatuur zonder de geschiedenis die er de ziel aan geeft? Is intellectuele kennis eigenlijk wel voldoende? Was het niet Spinoza die zei dat kennis pas tot verandering bij de mens kan leiden als die kennis ook gevoelsmatig geladen is?'   

Een opmerking van Camille Feron, het hoofdpersonage van dit op feiten gebaseerde relaas, zoals het werd bedacht en gereconstrueerd door zijn zoon André, in een poging het laatste levensjaar van zijn vader zo getrouw mogelijk weer te geven en bijna van dag op dag te volgen. Dat wil zeggen van de dag van zijn arrestatie door de Gestapo in Hasselt op 20 april 1944, tot aan de dag van zijn dood in het concentratiekamp van Gross-Rosen op 3 december van datzelfde jaar.
 
De reden van die arrestatie was eigenlijk triviaal omdat Camille Feron, hoewel een patriot, zeker geen actief weerstander was en zijn verzet als ingenieur bij de Belgische Spoorwegen er louter in bestond zo weinig mogelijk bij te dragen aan het welslagen van het drukke spoorwegverkeer dat vooral in dat laatste oorlogsjaar de Duitse bezettingsmacht aan de praat hield.
 
Kort na de geallieerde bombardementen die tijdens het Paasweekend van 10 april 1944 tientallen slachtoffers maakten in en omtrent het spoorwegemplacement van Hasselt-Kuringen, werd Camille Feron opgepakt als gevolg van het oprollen van de Luikse verzetsgroep Byl, waaronder ook vier Russische dwangarbeiders die in 1942 uit de koolmijnen waren ontsnapt. Op weg om het gewapende verzet te vervoegen hadden ze toen, op vraag van een neef van Camille, de nacht doorgebracht in het huis van de Ferons. De jongste van de vier, een Russische student, was na zijn arrestatie, gevolgd door gruwelijke martelingen, doorgeslagen en had het hele verhaal van zijn ontsnapping, inclusief die ene nacht van september 1942 in het huis van de Ferons, in de Hasseltse Toekomststraat, prijsgegeven.
 
SS'ers, geflankeerd door collaborateurs, vallen die twintigste april om drie 's morgens met brutaal geweld het huis binnen en Camille wordt, als vermeend terrorist, zwaar mishandeld. Gelukkig waren zijn vrouw Blanche en kinderen, André en Renée, uit angst voor de bombardementen op de stad, de dag voordien naar een tante in Wallonië vertrokken en ontsnapten zo aan aanhouding. Camille zelf komt in de gevangenis van Hasselt in de Martelarenlaan terecht waar men hem na enkele verhoren min of meer met rust zal laten. Hij blijkt immers niet de grote vis die men had verwacht te vangen. Hij krijgt een keer bezoek van Blanche, een gelegenheid om terug te blikken op het verleden, zijn jeugd, zijn huwelijk, zijn beroepsleven, en hij doodt de tijd met het uit het geheugen citeren van teksten (La chèvre de Monsieur Seguin) en gedichten van Rilke, Verlaine, Maeterlinck...).
 
Anderhalve maand later, op 2 juni 1944 wordt hij overgeplaatst naar de gevangenis van Sint-Gillis in Brussel waar hij volop kennis maakt met mensen uit het verzet en verneemt dat de fusie tussen de twee voornaamste militaire verzetsgroepen, het Belgisch Vrijkorps van kolonel Siron en het Belgisch Legioen van kolonel Bastin door verraad en infiltratie is mislukt, waarna tientallen weerstanders werden opgepakt. Velen van hen zal hij later ontmoeten in het tuchthuis Gross-Strehlitz en het concentratiekamp Gross-Rosen waar ze allemaal onder het NN-regime (Nacht und Nebel, naar een tekst uit Wagners Das Rheingold) vallen. Dat houdt in dat ze van dan af aan voor de buitenwereld niet meer bestaan, geen brieven meer mogen schrijven of kunnen ontvangen, geen contact meer hebben met de familie en uit het oog van het Rode Kruis verdwijnen. Ze zijn als het ware van de aardbodem weggeveegd. In dat hele jaar zou de familie overigens maar twee brieven krijgen, de eerste vanuit de gevangenis in Hasselt, als tweede de brief die Camille op het laatste ogenblik, bij het op transport stellen naar Duitsland, op het station stiekem aan een bekende van de spoorwegen kan overhandigen.
 
Op dat station ziet hij met verbijstering joodse families die als vee op beestenwagens worden gedreven en die, tot zijn verbazing dat alles gelaten lijken te ondergaan. Niet zoveel weken later zal hij die ogenschijnlijke passiviteit begrijpen als hij, en met hem vele duizenden anderen, in eenzelfde toestand van onzekerheid, angst en totale machteloosheid naar een concentratiekamp worden overgebracht. Maar intussen kent hij via de getuigenis van ettelijke medegevangenen de martelpraktijken van, en de willekeurige executies door de Gestapo. Ook de gruwel van Breendonk komt hem ter ore via een zeldzame overlevende die hem op transport naar Silezië zal vergezellen.
 
Op 6 juni immers gaat de tocht naar Gross-Strehlitz, een treinreis die regelmatig onderbroken wordt door geallieerde bombardementen en die door steden en industriegebieden leidt die langzamerhand tot puin worden herschapen. Het tuchthuis dat ze op 10 juni bereiken, blijkt een wat ouderwetse gevangenis met cellen voor vier personen, waar het regime alles bij elkaar nog meevalt. Tenminste in het begin. Naarmate de oorlogskansen keren - de berichten erover worden via buizenpost druk gedeeld - wordt het voedsel met de dag kariger en slechter. De bewakers blijven wel min of meer menselijk maar de honger knaagt voortdurend. Het volgende aangekondigde transport wordt niettemin als hoopgevend aanzien. De bevrijders zijn geland en naderen Parijs en zelfs Belgische grond.
 
Op 30 oktober is het zover. De volgende halte is echter een domper van jewelste. In het concentratiekamp van Gross-Rosen, (samen met dat van Natzweiler-Struthof in de Elzas een NN-lager) worden ze opgevangen door in zwart uniform geklede SS-bewakers en kapo's allerhande, medegevangenen die door de Duitsers worden ingezet om de orde te handhaven en zich daar meteen op de meest vernederende en gruwelijke wijze van kwijten. Herkenbaar aan de letter D op een groene driehoek zal de veroordeelde Duitse crimineel en kampveteraan Karl Gallach meteen bij de eerste kennismaking in de slaapruimte van Blok Negen een oudere, afgetakelde gevangene voor hun aller ogen met schoppen en slagen de dood injagen. We zitten meteen middenin Joseph Conrads Heart of Darkness en het is alsof we de laatste woorden horen van de wrede handelsagent en ivoorverzamelaar Kurtz : ‚The horror! The horror!‘
 
Volgen ruim zeventig bladzijden als van door Dante beschreven helse taferelen, als van door Hieronymus Bosch geschilderde afbeeldingen van het dodenrijk, ervaringen zoals ze beleefd hadden kunnen zijn door Camille Feron zelf, dag aan dag beschreven, totdat hij op 3 december 1944 sterft als een door dysenterie uitgeteerd 'muzelman', zoals in de taal van de kampen alle gevangenen worden genoemd die op sterven na dood zijn.
 
Op schrift gesteld door zijn zoon André Feron, die gedurende vele jaren bezig is geweest dat laatste jaar en die laatste maand in het leven van zijn vader te reconstrueren en te verbeelden. Zijn beslissing al die getuigenissen, al die contacten, al die lectuur, al dat opzoekwerk, al die bezoeken ter plaatse en al die opgedane kennis te bundelen tot een autobiografisch verhaal - in feite een roman – wordt gerechtvaardigd door de eerder genoemde uitspraak van Spinoza dat alleen kennis die verbonden is met emotie tot gedragsverandering kan leiden. Die emotie 'par personne interposée' is natuurlijk in de eerste plaats de zijne, maar eenieder die dit aangrijpende relaas leest en de met zorg gekozen illustraties ziet, zal begrijpen dat de vader die uit dit portret naar voren komt, authentiek is.
 
Hoezeer hun beider emoties in elkaar grijpen, komt tot uiting in een passage waarin de auteur de vader laat reflecteren over de zoon: 'Ik bemerk bij André diezelfde neigingen en een interesse voor helden in de geschiedenis. Mijn manier van denken en hoe ik ben als vader heeft daar misschien wel iets mee te maken'.
 
Een ontroerend en veelzeggend inbreken op de eigen tekst die voor de rest een zeer indringend en uiterst waardevol verslag is van wat de oorlog en de bezetting in ons land hebben teweeg gebracht.
 
Verdient in het licht van de huidige belangstelling voor oorlogsgeschiedenis zeker ruimere verspreiding, omdat het naast het verhaal van de kinderen van het verzet en die van de collaboratie ook het verhaal van de kinderen van eerder toevallige slachtoffers toevoegt.
 
André Feron: Vergeten... nooit, Skribis, Drongen 2020, 286 p. ISBN 9789463969260. Vertaling van Je ne puis oublier door André Feron 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2021

De gast uit het Rifgebergte

Khalid Mourigh

De hemelproef

Olli Jalonen

Dingen die je meeneemt op reis

Aroa Moreno Durán

Kraaien in het paradijs

Ellen de Bruin

Oude afdekkerij

Wolfgang Hilbig

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2021

De eik was hier

Bibi Dumon Tak, Marije Tolman (ill.)

Fruitvliegje

Geert Vervaeke

Misschien…

Chris Haughton

Noem me Nathan

Catherine Castro, Quentin Zuttion (ill.)

Witje

Paul de Moor, Kaatje Vermeire (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri