Poëzie

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2020

Paul Celan: Verzameld werk

door Carl De Strycker

Het gedicht is eenzaam en onderweg   

‘Lezen! Gewoon telkens opnieuw lezen: het begrijpen komt vanzelf’. Dat was het antwoord van Paul Celan – een notoir moeilijk dichter – als men hem verweet dat zijn werk hermetisch zou zijn. Dat getuigt van een poëzieopvatting die inspanning verwacht van de lezer, een echt engagement met het gedicht. Je mag het niet te snel opgeven, je moet tijd en moeite willen besteden aan poëzie, ondanks het feit dat het gedicht ingewikkeld is, iets waar Celan zich in zijn beroemde poëticale tekst ‘De meridiaan’ wel van bewust was:
 
‘Zeker, aan het gedicht – het moderne gedicht – valt te lezen, en dat heeft meen ik toch alleen indirect met de – niet te onderschatten – moeilijkheden van woordkeus, het rasse verval van de syntaxis of het scherpere oog voor de ellips te maken, – aan het gedicht valt ontegenzeggelijk een sterke neiging tot verstommen af te lezen.’
 
Die weigering om doorzichtig te zijn, is evenwel geen spel, maar de consequentie van Celans biografie en zijn omgang met de taal die daarmee samenhangt. Hij, zoon van joodse ouders die allebei omkwamen in de kampen, wil poëzie schrijven in het Duits, zijn moedertaal maar ook de taal van de moordenaars van zijn moeder. Omdat dat helemaal niet evident is, heeft hij zich tot doel gesteld om de taal te zuiveren zodat ze weer voor de lyriek (in plaats van voor haat- en oorlogsretoriek) bruikbaar wordt. Het gevolg daarvan is wel dat ze niet meer ‘mooi’ en niet meteen transparant is, maar volledig uitgepuurd wordt, waardoor gedichten nooit op het eerste gezicht te begrijpen zijn. Niettemin, wie bereid is om te lezen en te herlezen, kan via of in de tekst tot een diepe ontmoeting komen, meent Celan:  
 
‘Het gedicht is eenzaam. Het is eenzaam en onderweg. Wie het schrijft blijft eraan meegegeven.  
Maar staat het gedicht niet juist daardoor, hier dus al, in het teken van de ontmoeting – in het geheim van de ontmoeting?
 
Dat zegt hij in ‘De meridiaan’. Als de lezer zich werkelijk met het gedicht bezighoudt, raakt hij in gesprek met een mens, en dat is een zeer bijzondere, intieme ervaring. Elders, in een brief aan Hans Benders, schrijft Celan: ‘Ik zie geen principieel verschil tussen handdruk en gedicht.’ En verder: ‘Gedichten zijn ook geschenken – geschenken aan wie er aandacht voor heeft. Geschenken die het noodlot met zich meevoeren.’ Het paradoxale van deze poëzie is dat ze, hoewel ze moeilijk communiceert, steeds op zoek is naar dialoog. Die ontstaat niet meteen, daarvoor moet je dus ‘telkens opnieuw lezen’.
 
Precies lezen, precies vertalen
Wie al meer dan veertig jaar telkens opnieuw Celan leest, is vertaler Ton Naaijkens. In 2003 verschenen bij Meulenhoff in zijn vertaling Celans Verzamelde gedichten in het Nederlands. Dat boek was uniek, niet alleen omdat het wereldwijd de enige integrale vertaling van dit belangrijke naoorlogse poëtische oeuvre was, maar ook omwille van de bijzondere vormgeving (zwart op snee, rode wikkel die iets kleiner was dan de kaft) waarvoor de uitgeverij in de prijzen viel. Nu, zeventien jaar later, verschijnt in het Celan-jaar 2020 (de dichter werd honderd jaar geleden geboren en overleed vijftig jaar geleden) een nieuwe editie. Bij een andere uitgever, onder een andere titel (Verzameld werk) en met een andere, maar even opvallende vormgeving die speelt met zwart en wit, twee kleuren die voor alle poëzie, maar voor die van Celan in het bijzonder van groot belang zijn (denk aan het beruchte oxymoron ‘zwarte melk’, maar natuurlijk ook aan de sneeuw en het ijs in zijn gedichten, aan de bladspiegel die overwegend wit vertoont, aan de zwarte periode uit de geschiedenis die veel van zijn gedichten memoreren, of aan de zwarte gedachten van de dichter die uiteindelijk tot zijn zelfmoord leidden).
 
Het boek is ten opzichte van de vorige uitgave uitgebreid – onder andere met de geciteerde brief aan Benders – en de indeling, de vertalingen en het commentaar zijn gebaseerd op de actuele stand van het onderzoek. In de afgelopen jaren zijn immers heel wat briefwisselingen van de dichter gepubliceerd die nieuwe inzichten hebben gebracht, zijn er tal van verhelderende studies verschenen en in het Duits is er ook een nieuwe kritische editie waarin rekening gehouden wordt met de recentste kennis over Celans leven en werk. Dat valt alleen al af te leiden uit het lijstje van ‘gebruikte literatuur’ dat wordt afgedrukt: die bibliografie is twee bladzijden langer dan zeventien jaar geleden. Maar het wordt ook duidelijk uit de schikking van de gedichten, vooral dan bij de postuum gepubliceerde bundel Hof van tijd, waarin de volgorde van de gedichten gewijzigd is en die nu uiteenvalt in een cyclus onder die naam, ‘De Ilana-cyclus’ en de ‘Nieuwe cyclus (na Ilana)’.
 
Precies lezen, dat is dus wat Celan zijn lezers vraagt. Van alle poëzielezers – meestal sowieso nauwgezet – zijn vertalers waarschijnlijk de meest nauwkeurige. Naaijkens heeft zijn vertaling helemaal herzien volgens de nieuwste inzichten in de Celan-studie en heeft een aantal ingrepen gedaan waardoor in het Nederlands nog accurater weergegeven wordt wat er in het Duits staat. Ik wil daarvan een aantal voorbeelden geven.
 
In ‘Nabijheid van de graven’, een vroeg, rijmend – zeldzaam bij Celan – gedicht wordt het eindrijm nu volledig behouden. Waar de tweede strofe uit de versie 2003 bijvoorbeeld luidde: ‘Weet nog het veld met de molens in ’t midden / hoe zacht je hart en je engelen leden?’ wordt dat nu ‘Weet nog het veld met de molens beneden / hoe stil je hart en je engelen leden.’ Of in deze regel uit hetzelfde gedicht worden het stafrijm en de parallelle opbouw van het vers gehandhaafd: ‘den Hügel hinan und den Hügel hinab’: ‘de heuvel weer op en de heuvel weer af’, terwijl dat in de eerdere vertaling als volgt klonk: ‘de heuvels op en de heuvels weer af’. Ook in de beroemde ‘Todesfuge’ heeft Naaijkens aanpassingen gedaan, met name in de cruciale rijmende regels uit de voorlaatste strofe (het rijm onderstreept iconisch wat er gezegd wordt, dat wil zeggen: de taal beeldt hier uit wat ze betekent). 2003: ‘de dood is een meester uit Duitsland zijn ogen zijn blauw / hij raakt je met loodzware kogel hij raakt je nu rauw’. Dat wordt in 2020: ‘de dood is een meester uit Duitsland zijn oog is blauw / hij raakt je met hardloden kogel hij raakt je zo nauw’. Die laatste vertaling sluit dichter aan bij het Duits, waar inderdaad sprake is van slechts één oog, van een ‘bleierner Kugel’ (wat het materiaal ervan aangeeft) en de keuze voor het rijmwoord ‘rauw’ was enigszins vreemd voor ‘genau’ (‘heel precies’). Toch wel merkelijke winst, dus. Iets soortgelijks zien we in het slotwoord van het laatste deel van het gedicht ‘Stemmen’: ‘will nicht / vernarben’ (letterlijk: ‘wil geen litteken worden’) klonk in 2003 als volgt ‘wil geen / litteken nalaten’, waardoor het Nederlands een ambiguïteit kreeg die er in het Duits niet is. Je kon dat namelijk interpreteren als ‘daarom geneest het mooi’, terwijl het Duits het tegendeel uitdrukt. Dat is nu opgelost door één woord te veranderen: ‘wil geen / stempel nalaten’. Of in ‘Todtnauberg’, het gedicht dat Celans bezoek aan Martin Heidegger memoreert. Daarin wordt de ‘kubus-ster’ die de waterput siert nu de ‘geblokte ster’, wat veel duidelijk weergeeft waarover het gaat (wie ooit een foto van Heidegger aan zijn put zag, herkent het beeld van het blokje bovenaan waarin een ster gesneden is). Dat zijn misschien allemaal vrij kleine ingrepen, die vaak niets wezenlijks aan de betekenis wijzigen, maar die wel aantonen hoe doordracht Celan schrijft, hoe nauw poëzie luistert en hoe bewust Naaijkens daarmee omgaat.
 
Woorden voor het onzegbare
Voor wie geen Duits leest, wordt Celans werk op die manier lees- en herleesbaar; voor wie wel de originele verzen begrijpt, die ook zijn opgenomen, is de vertaling een welgekomen lectuurhulp. Dit boek maakt het mogelijk om (al dan niet: opnieuw) te ontdekken dat dit een van de belangrijkste naoorlogse West-Europese poëtische oeuvres is. Celan is in de eerste plaats een dichter die op een volstrekt unieke en radicale manier de taal behandelt. Getuige daarvan de vele neologismen, het gebruik van jargon dat in de gedichten ondoorzichtig en daardoor meerduidig wordt, de ingewikkelde zegging, de afbrekingen. Met behulp van die technieken die hem in staat stellen om te spreken over datgene wat eigenlijk onuitspreekbaar is, stelt hij ongemakkelijke onderwerpen aan de orde. In eerste instantie natuurlijk de Holocaust, waarvan de ‘Fuga van de dood’ een indrukwekkend voorbeeld is, maar ook andere thema’s als de moeizame omgang tussen mensen (zoals in ‘Spreektralie’), de zoektocht – letterlijk en figuurlijk – naar een nieuwe adem in Ademkeer, of de worsteling met depressie in de late gedichten. Maar er zijn ook tal van liefdesgedichten, een aspect van het dichterschap dat heel lang niet onderkend werd. Dat komt omdat het hier niet gaat om romantisch-lyrische, maar om versleutelde gedichten, waardoor je ze zelden meteen als liefdesgedicht herkent; vaak werden ze pas dankzij de context van de begeleidende brieven als dusdanig geïdentificeerd. Daarmee doet Celan wat alle grote dichters doen: hij vindt woorden voor het onzegbare. En omdat dat niet eenvoudig is, zijn ook zijn gedichten beslist niet makkelijk. Ten slotte zijn er ook nog de belangrijke prozateksten, zoals de ‘Toespraak in Bremen’, ‘De meridiaan’ of ‘Gesprek in de bergen’ waarin Celan zijn poëzieopvattingen uiteenzet en waaruit blijkt hoe ernstig hij de poëzie nam, hoezeer ze van levensbelang was voor hem.
 
In de ‘Toespraak in Bremen’ probeert Celan de situatie van het gedicht te verwoorden:
 
‘het gedicht kan flessenpost zijn en aan de golven meegegeven, met de – beslist niet altijd hoopvolle – overtuiging dat ze ooit aan land zal spoelen, aan hartland misschien.’
 
De dichter verstopt zijn boodschap in een goed gesloten omhulsel en stuurt die zo de wereld in, zonder de zekerheid dat ze gevonden wordt. Maar als iemand ze vindt, kunnen de woorden echt raken. Dankzij de nieuwe, aangescherpte vertaling van zijn gedichten, is daar nu opnieuw kans toe. Ze maakt Celans werk weer volop toegankelijk voor Nederlandstalige lezers, in de beide betekenissen van het woord. Het is opnieuw beschikbaar, en wel voor een zachte prijsje (terwijl het boek uit 2003 al jaren enkel nog bij hoge uitzondering antiquarisch – en dan heel duur! – op de kop te tikken viel). Maar ook figuurlijk, want dankzij Naaijkens’ zorgvuldige vertaling, zijn heldere nawoord en de toelichtingen waarin het werk biografisch gekaderd en inhoudelijk geduid wordt, is Celan leesbaarder dan voorheen. Niets houdt lezers dus nog tegen om zijn gedichten te lezen, altijd opnieuw te lezen en te laten aanspoelen, misschien wel ‘aan hartland’.
 
Paul Celan, Ton Naaijkens (vert.): Verzameld werk, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2020, 920 p. ISBN 9789025310813. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2021

De gast uit het Rifgebergte

Khalid Mourigh

De hemelproef

Olli Jalonen

Dingen die je meeneemt op reis

Aroa Moreno Durán

Kraaien in het paradijs

Ellen de Bruin

Oude afdekkerij

Wolfgang Hilbig

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2021

De eik was hier

Bibi Dumon Tak, Marije Tolman (ill.)

Fruitvliegje

Geert Vervaeke

Misschien…

Chris Haughton

Noem me Nathan

Catherine Castro, Quentin Zuttion (ill.)

Witje

Paul de Moor, Kaatje Vermeire (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri