Nederlands proza

BOEKEN NR. 3, MAART 2021

Martin Michael Driessen: Gars

door Herman Jacobs

Wat was dat!?   

Beginnen doet het – na drie pagina’s Proloog – zo, onder de titel ‘Incipit liber primus’: ‘In Europa gloorde de beschaving. Heer Gars de Gars plette met zijn strijdmoker het hoofd van een Saraceen, die daar zijn Levantijnse neus in wilde steken, en leunde de steel tegen de martellotoren om zijn voorhoofd af te wissen. Het was een hete zomerdag in het fort van Split.’
 
Aan het slot lezen we: ‘Op de zeventiende maand van hun reis bereikten zij een hoge tafelberg, die zij moeizaam beklommen en die uitzicht gaf op een nieuwe bevroren oceaan. Aan de einder verrees een hoog wit gebergte, de toppen glinsterend in de zon. Cosmo wierp uit balorigheid zijn zwarte helm naar beneden, die hij zeventien maanden onder zijn arm had gedragen; iedereen boog zich op de rand staand voorover, om te zien hoe hij op het ijs ketste. Op het moment dat hij viel, verlichtte een korte flits hemel en aarde.

“Wat was dat,” riep iedereen, zich oprichtend als een rij acteurs na hun buiging op het toneel. Alleen Gars had niet naar beneden gekeken.
“Wat is dat?” vroeg hij aan Harro, op het verre gebergte wijzend.
“Dat,” zei Harro, “is het Indexgebergte. Het is hoog en vreselijk, maar jullie halen het wel.”
“En wat komt dan daarna?” vroeg Gars moedeloos.
“Daarna,” zei Harro, “komt de kaft.”’
 
En inderdaad, na het allerlaatste woord (‘Finis’) sla je het boek dicht en kijk je tegen het achterplat aan, dus dat klopt alweer. Hoe vaak de schrijver zijn personages ook de verkeerde kant op stuurt, in deze buitengewoon merkwaardige roman, naar de hoofdfiguur Gars geheten, wordt de lezer niet voor de gek gehouden. Althans…
 
In zijn inleiding bij deze tweede, herziene editie, die 21 jaar na de eerste druk verschijnt, meldt Martin Michael Driessen: ‘Terwijl mijn zoontje op mijn buik lag in een Kinderklinik in Freiburg im Breisgau heb ik hem eindeloos verhalen verteld. Over hoe geweldig het zou zijn om in deze, in de woorden van Platonov, “prachtige, grimmige wereld” te leven. Daartoe plunderde ik alle verhalen die ik kende, van Goethe tot Gorter en van Homerus tot Le Morte d’Arthur. Baten mocht het dus niet.

Toen het voorbij was legde ik mijn toenmalige theaterregie neer en heb in vijf weken deze ridderroman geschreven. De thema’s die erin voorkomen heb ik later wellicht beter en met meer luciditeit behandeld. Maar alles wat me als auteur bezighoudt is al aanwezig: de lust te leven, de zucht naar avontuur, de angst voor dood en teloorgang, het wantrouwen, de liefde, de twijfel of we als mens kunnen leren of dat we (zoals ik nog steeds vrees) even dom sterven als we geboren worden.

Het is een obsceen, grillig en exuberant boek. Het bevat al die prachtige verhalen die ik mijn kind graag ooit nog had verteld, alleen anders, want ik heb ze met een ware furor neergepend, in een woede die overduidelijk een fase van mijn rouwverwerking was. Rage, rage against the dying of the light...
 
Gars heeft inderdaad alles van een kinderboek voor volwassenen – althans, als we het erover eens zijn dat ‘kinderboek’ staat voor fantasierijk, speels en onderhoudend. Wat dat ‘anders’ betreft: zoals het in een boek betaamt dat onder meer in de rabelaisiaanse traditie staat, schroomt de verteller niet ook de lichamelijke verrichtingen van zijn helden uit de doeken te doen. Stoelgang en paring, vraatzucht en seksuele zelfredzaamheid, er wordt onbekommerd over uitgeweid, indien het verhaal, of zijn verteller, daarmee gediend is.
 
De gelukkige lezer wordt vergast op de ongelooflijkste geschiedenissen en de onverwachtste wendingen en kan zijn plezier niet op. Een klein staaltje: de oliedomme Franse heer Gars huwt de jonkvrouw Trudhilde, die na een bliksemsnel verlopende zwangerschap bevalt van – dat is wel even een teleurstelling voor hem – een meisje. Deze Anna groeit evenwel al even bliksemsnel op tot een beeldschoon meisje, dat het begrip ‘voorlijk’ een heel nieuwe dimensie verleent door al op haar geboortedag de kasteelteckel te wurgen, zich in de studie der logaritmen te verdiepen en haar vader langs haar neus weg voor te stellen: ‘Papa, heb je zin in incest?’ Weinige tijd later verslaat zij, in een toernooi aan het hof in Parijs, de bloem der Franse ridders op de lans, voor de ogen van koning François de Loslippige (die, met het oog op het behoud van een zekere geestelijke activiteit, permanent gemasturbeerd of anderszins seksueel bediend moet worden door zijn gade Jeanne, enzovoort, enzovoort).
 
En zo val je voortdurend van de ene verbazing in de andere. We maken kennis met een tovenaar, Harro, die in een kleine turfmijn in zijn eigen woonplaats de overblijfselen opdelft van het schip waarmee Odysseus' metgezellen in dat voor hen barre Noorden zijn gestrand en hun verveende lijken opstookt in zijn haard. Er is sprake van een inval der gevreesde Mongoolse horden, onder aanvoering van hun zesentwintigkoppige leiding, de Gesels Atilla, Betilla, Cetilla tot en met Zetilla (‘“Verkrachten interesseert ons niet meer zo, sinds we de parthenogenese hebben,” zei Betilla somber’).
 
Izaak, zoon uit het kroostrijke eekhoorngezin van Sarah en Henk (en broertje van Amos, Daniël, Reuben, Joshua, Aaron, Elias, Nathan en Juda), wordt door een stormwind tot boven Nova Zembla geblazen, maar komt op het enig juiste ogenblik boven het Franse legerkamp uit de lucht vallen, waar hij het herrijzen bewerkstelligt van Anna, de vergiftigde aanvoerster van het Franse leger tegen de Mongolen, aldus de vernietiging van het Avondland verhinderend. (Ik kan de verleiding niet weerstaan nogmaals te citeren, uit het relaas van zijn ongewenste vliegreis: ‘Boven de Noordkaap kreeg hij gezelschap. Eerst werd hij langzaam genaderd door een wentelende vlek, een rog der luchten, die naast hem vloog. Het was een grote papieren zak van de Hagema Veevoederfabriek te Zwolle.’)
 
Het is ondoenlijk dit bruisende, overrompelend originele boek zelfs maar in zeer grote lijnen samen te vatten – het gaat Driessen ook niet zozeer om het verhaal, maar om het vertellen. Uiteraard krijgen we daarbij geschiedenissen van liefde en dood te horen, en het is niet Gars’ geringste verdienste dat deze roman, tussen alle doldwaze slapstick en ongebreidelde onzin door, op zijn tijd ook emotioneel weet aan te spreken; het gáát wel degelijk ergens over. Dat doet een echt goed sterk verhaal altijd, trouwens. Nog verheugender is dat Driessen bovendien de moeite heeft gedaan op zijn stijl te letten. Zonder oogverblindende – maar ook weleens lege – barok demonstreert hij ook in zijn taal zulk tomeloos vertelplezier dat je vaak zit te rillen van genot – ik althans wel. (En het helpt als je een liefhebber bent van goede flauwe grappen, zoals idiote anachronismen, of het verbod dat Sarah eekhoorn haar jongste zoon oplegt om nog in de bomen te spelen, laat hij maar op de grond blijven: ‘Wie niet eekhoren wil, moet woelen.’)
 
Zoals gezegd is dit een herziene versie van zijn ‘oerboek’, zoals Driessen het zelf noemt, en hij merkt er het volgende over op: ‘De tekst leeft van digressies, wilde gedachtesprongen en hyperbolen, van de nabijheid van het obscene en het elegische, van taalschoonheid gepaard aan onverdraaglijke flauwekul, en dat moet vooral zo blijven. Ik heb de hele wereldgeschiedenis op zijn kop gezet omdat ik geen vrede kon sluiten met een wereld die geen plaats had voor mijn zoon. Het was ook een soort baldadigheid, die me de mogelijkheid bood postuum nog iets van kinderlijkheid met hem te delen.

Natuurlijk heb ik in twintig jaar schrijverschap het een en ander geleerd, en daardoor heeft de bewerkte tekst mogelijkerwijze iets aan leesbaarheid en helderheid gewonnen. Digressies die echt nergens toe leidden, of gewoon niet amusant genoeg bleken, zijn geschrapt of samengetrokken. Obsceniteiten en racistische kolder die meer dan twintig jaar later al te plat bleken heb ik deels verwijderd. Wie wil kan nog steeds redenen vinden om zich als vrouw, Jood, persoon van kleur – en bij extensie, als blanke man – gegriefd te voelen. Zo zij het. “Niemand heeft het recht niet beledigd te worden,” zei Karl Kraus.’
 
Ik ben geneigd de schrappingen – het boek is met ongeveer een tiende ingekort – in minstens een aantal gevallen éigenlijk jammer te vinden; als je in de categorie ‘exuberant’ zit, kan er van een teveel eigenlijk geen sprake zijn. Maar goed, het is Driessens roman. En die is, voor wie van een duidelijk oordeel houdt, nog steeds – in het ietwat lichtere genre dan wel – een van de schitterendste boeken die ik ooit heb gelezen.
 
Martin Michael Driessen: Gars, Van Oorschot, Amsterdam 2020, 264 p. ISBN 9789028220102. Distributie Elkedag Boeken 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2021

De gast uit het Rifgebergte

Khalid Mourigh

De hemelproef

Olli Jalonen

Dingen die je meeneemt op reis

Aroa Moreno Durán

Kraaien in het paradijs

Ellen de Bruin

Oude afdekkerij

Wolfgang Hilbig

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2021

De eik was hier

Bibi Dumon Tak, Marije Tolman (ill.)

Fruitvliegje

Geert Vervaeke

Misschien…

Chris Haughton

Noem me Nathan

Catherine Castro, Quentin Zuttion (ill.)

Witje

Paul de Moor, Kaatje Vermeire (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri