Poëzie

BOEKEN NR. 8, OKTOBER 2022

Johan Sonneville: Letaal

door Yvan de Maesschalck

‘Staar door me heen’  

Op de achterflap van Letaal, de postuum verschenen enige dichtbundel van Johan Sonneville (1941-1995), staat onder meer de volgende zin: ‘Johan Sonneville speelde een belangrijke rol in het literaire leven in Vlaanderen’. Die zin is afkomstig van Guy van Hoof en lijkt meer dan een kwart eeuw na de zelfgekozen dood van de dichter een tamelijk boude uitspraak. Toch is meer aandacht voor zijn werk als uitgever, literair wegbereider en schrijver zeker gerechtvaardigd. Zo stuurde Sonneville het manuscript van zijn – alweer – enige roman Netsky in voor de Reina Prinsen Geerlingprijs 1964. Bekroond werd hij niet, maar samen met de onlangs overleden Jacques Hamelink (1939-2021) kreeg hij toen wél een eervolle vermelding. De korte nouveau-romanachtige roman viel na publicatie in 1969 – bij zijn eigen Brugse uitgeverij Sonneville – wél de debuutprijs van de Antwerpse Boekenbeurs 1970 te beurt. Dat alles valt niet alleen te lezen in het aan Paul de Wispelaere gewijde biografische essay Paul de Wispelaere. Bruggenbouwer, maar wordt ook gememoreerd in het inleidende opstel van de dichtbundel. Dat opstel is, net als het aangehaalde essay, van de hand van Andreas Van Rompaey, die met veel zorg instaat voor de literaire erfenis van Johan Sonneville.
 
De in Letaal verzamelde vroege (1957-1963) en latere gedichten worden, behalve door Van Rompaeys treffende inleiding ‘Poëzie als vergeefse toenaderingspoging’, ook voorafgegaan door de huldegedichten ‘Bruges la morte vivante’ van Willie Verhegghe en ‘Gitan’ van Renaat Ramon. Het Brugge-gedicht van Verhegghe, dat naar Georges Rodenbachs roman Bruges-la-morte (1892) knipoogt, bevat onder meer deze verzen: ‘En niemand die je zeggen zal / dat onder deze torens de adem van ridders / in de schede van hun stemmen stokte’. Hoewel de beeldspraak merkwaardig is, roepen de verzen vooral een pessimistisch getint mensbeeld op. En dat mensbeeld houdt volgens de ook in de inleiding geciteerde Renaat Ramon verband met ‘Rodenko’s visie op de moderne poëzie en met de existentialistische filosofie en kunstuitingen’. Wie Sonnevilles vroege gedichten leest, kan inderdaad bezwaarlijk ontkennen dat ze de neerslag vormen van wat Van Rompaey zijn ‘existentiële vertwijfeling’ noemt.
 
De gedichten in deze bundel zijn ongelijk van kwaliteit, of zoals de inleider het preciezer verwoordt: ‘de hoogte- en laagtepunten liggen bijzonder dicht bij elkaar’. Toch offreert de dichter enkele pakkende verzen die antiburgerlijk en/of rebellerend van toon zijn en aansluiten bij de poëzie van tijdgenoten als Lucebert, Bob Dylan, Remco Campert, Adrian Henri. ‘Het indolente leven’ is daarvan een voorbeeld en roept de lamlendigheid en uitzichtloosheid op die bij een doelloos leven horen, zoals meteen uit de eerste verzen blijkt:
 
‘(poging om te ontwaken)
in begrafenisstemming der witte straten
worden de dagen slapend uitgesteld
op toegegroeide gezichten
wijl wachtenden
op kadepunten gestuwd
andere oevers menen te zien’
 
Een van de meest aangrijpende gedichten lijkt me ‘Staar door me heen’, dat overigens als een soort motto in Netsky is opgenomen, waaraan ‘een nabericht door Paul de Wispelaere’ is toegevoegd. De vrij korte tekst klinkt zo:
 
‘staar naar twee ijzeren wegen waar
alle nachten langs je huis verzinken –
om de spottende leemte van de middag  
weent je lichaam nu –  
ik glijd voorbij de laatste hand:
wil vertikaal verrijzen,
schuldigen achterlaten.
de hel is kleiner dan je denkt,
langs vele wegen
kom je de dromen tegen,
maar staar dan door me heen,
ik ken het oude niet
het lied der dwaze maagden:
ik talisman
doorboord.’
 
Je zou het als een belijdenisgedicht kunnen lezen van iemand die helemaal vastzit – of vastgespijkerd ligt? – of als een verrijzenisgedicht, waaruit een verlangen naar bevrijding spreekt: er loopt een opgaande lijn van ‘verzinken’ over ‘vertikaal verrijzen’ uit ‘de hel’ naar ‘de talisman’ De aangesprokene zou iedereen – ‘je’ – kunnen zijn, maar evengoed het doorboorde beeldje ‘Netsky’, dat het hoofdpersonage in Netsky tijdens zijn denkbeeldige rondreis in Griekenland op de kop tikt. Daar heet het dat het beeldje ‘het symbool [is] van de ontoereikendheid der dingen en der wensen, symbool van het geluk’. Het gaat dus om een ambivalent symbool, waar de ik-figuur in het gedicht zich lijkt mee te identificeren: ‘ik talisman / doorboord’.
 
Hoewel Van Rompaey terecht stelt dat Sonneville ‘de conventionele regels en schema’s overboord’ gooit, bevat de bundel toch twee sonnetten of sonnetterige gedichten. Het eerste is het vroege ‘Rubato voor slaven’, waarin de blinde verslaafdheid van de westerling aan het materiële wordt gegispt: ‘arme blanke slaven zijn het met veel geld / zijn het zonder geweld’. Heel anders klinkt ‘Op zondagmorgen’, dat blijkens de bronvermelding pas in 2001 werd gepubliceerd. Het evoceert een herinnering aan de lancering van het literaire blad BETOEL (1971-1973) op de Poëziemarkt in Wetteren in 1971. Het sonnet etaleert het bedwongen idealisme van een ploeg van zes: ‘sater, agitator, vorst / de dichter, de dandy en de vent’, wellicht personae van een en dezelfde dichterlijke figuur.
 
Heel wat teksten van de afdeling ‘Latere gedichten [1971-1972, 1987-1994]’ schurken vrij dicht tegen de anekdotische of alledaagse werkelijkheid aan. Het meest imponerende exemplaar is het gedicht ‘Vrijdag 12 november’, dat bijna zeven volle bladzijden beslaat en de berichtgeving van/over één dag uit de krant De Standaard overloopt. De oplijsting van berichten sorteert een ironisch effect en reveleert de absolute ongerijmdheid en willekeur van veel menselijke activiteiten. De mening van de dichter lijkt uit het overzicht geweerd, al onthoudt die zich niet van enig opiniërend commentaar, waarbij ook gebruik wordt gemaakt van typografische middelen.
 
Met deze verzorgde bloemlezing voegt Van Rompaey een waardevol document toe aan wat er van of over deze bevlogen schrijver is verschenen. De uitgave completeert in ieder geval het beeld dat van hem bestaat en kent hem alvast een iets prominentere plaats toe in het naoorlogse literaire landschap van Vlaanderen.
 
Johan Sonneville, Andreas Van Rompaey (sam.): Letaal, De Vries-Brouwers, Antwerpen 2022, 70 p. ISBN 9789061743132

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri