Letterkunde

BOEKEN NR. 10, DECEMBER 2021

Andreas van Rompaey: Verhalen in perspectief

door Yvan de Maesschalck

In zijn pas gepubliceerde studie Verhalen in perspectief bundelt Andreas van Rompaey dertien relatief korte beschouwingen van meestal literatuurwetenschappelijke aard. De auteur vertrekt doorgaans van een welbepaalde narratologische theorie en toetst die aan een of hooguit twee romans van enkele Nederlandstalige auteurs. Nogal wat bijdragen vertonen een tweeledige opbouw, waarbij de nadruk soms sterk komt te liggen op de aangebrachte theoretische concepten, wellicht het ‘perspectief’ waarvan sprake in de titel. De literaire teksten die in het geding worden gebracht bewijzen de relevantie ervan. Een enkele keer gaat het om een (potentiële) canontekst, maar veel vaker betreft het teksten die dwars staan op wat intussen als mainstream of traditioneel wordt beschouwd.  

Zo voert een uitvoerige toelichting bij wat de ‘culturele narratologie’ inhoudt en de daardoor onderkende verhaalpatronen (templates) tot een grondige analyse van De gallische ziekte (1979) van Louis Ferron. Het betreft een naoorlogse roman die ‘de mimetische verhaaltraditie’ ondermijnt, waarbij intertekstuele referenties aan romantische auteurs als Hölderlin, Kleist, Schiller en E.T.A. Hoffmann opvallend aanwezig zijn. Hoewel ‘minder nadrukkelijk aanwezig’, kan bijvoorbeeld het ‘kunstmatige’, instabiele hoofdpersonage in Ferrons roman gezien worden als een postmoderne variant van het waanzinnige personage Nathanael in Hoffmanns ‘Der Sandmann’. Ikzelf dacht bij lezing van Van Rompaeys essay ook aan Pierre Esneux en zijn mentale creatie Otto in Negatief (1958) van Jan Walravens, maar daar wordt geen gewag van gemaakt.  
 
Even uitdagend lijkt me de ‘moslimfeministische’ interpretatie van Naema Tahirs sprookjesbewerking Groenkapje en de bekeerde wolf (Meulenhoff 2008). In Tahirs versie van Charles Perraults ‘Roodkapje’ wordt de ‘heteronormatieve patriarchale orde’ aan de kaak gesteld en de Koran ingezet ‘als wapen in de strijd voor de emancipatie van moslima’s’. Een weinig evidente combinatie die tot nadenken stemt, en dat zal ook wel de bedoeling zijn. Hetzelfde geldt voor het opstel waarin de auteur de ‘natural narratology’ van Monika Fludernik e.a. – in ons taalgebied onder meer verkend door Bart Vervaeck en Lars Bernaerts – tracht te verzoenen met de ‘unnatural narratology’ van Brian Richardson e.a. Wezenlijk gaat het om een analysemodel waarin de vraag wordt gesteld in welke mate bepaalde narratieve feiten afwijken van wat de lezer als ‘dagelijks’ of gangbaar ervaart. Hij laat zien dat een dergelijke benadering van toepassing is op het groteske verhaal ‘De goede herder’ (in Humunculi, 1967) van de avantgardistische schrijver C.C. Krijgelmans, dat hij terecht ook een voorbeeld acht ‘van wat de Russische formalisten ‘skaz’ noemen’, een procedé dat aan het verhaal schijnbaar een mondeling karakter verleent (en bijvoorbeeld in het werk van Pol Hoste even opvallend aanwezig is).
 
Heel leesbaar vind ik de bijdrage over de chaostheorie – beter bekend als het ‘vlindereffect’ – en de ‘waardeloosheidstheorie’ van Michael Thompson, die tegen bepaalde deterministische (naturalistische) opvattingen ingaan en verhelderend werken bij lezing van Mijn levende schaduw (1965) en Tussen tuin en wereld (1979). Het betreft twee autobiografische romans van Paul de Wispelaere, waarin een afkeer van geordende systemen en een voorliefde voor het reflexieve schrijverschap worden gethematiseerd. Van Rompaey, die eerder de biografische studie Paul de Wispelaere. Bruggenbouwer publiceerde, bevindt zich hier duidelijk op vertrouwd terrein en laat onder meer zien dat de (meetbare) tijd een ‘artificiële orde’ oplegt en bijna uitsluitend negatief wordt geconnoteerd.
 
Niet minder dan twee bijdragen wijdt de auteur aan aspecten van Willem Frederik Hermans’ werk. Na een stevige filosofische uitweiding over wat benaderingen als ‘animal studies’ en ‘ecocriticism’ kunnen bijdragen aan de literatuurstudie, focust hij op een enkele scène in de roman De God Denkbaar Denkbaar de God (1956 – Van Oorschot 2010). Het gaat met name om de hondenasielscène, waarin dieren worden vergiftigd met blauwzuur, tot de dierenverdelger op een bepaald moment zelf op de loop gaat voor een beer. Volgens Van Rompaey roept die scène ‘herinneringen op aan de Holocaust’ en kan de mens-diertegenstelling ook gezien worden als een variant van ‘opposities als man-vrouw of blank-kleurling waarbij de linkse pool als norm geldt en de rechtse pool als de bedreiging hiervan’. In Hermans’ roman worden de westerse organisatieprincipes uiteindelijk omgekeerd. De onderzoeker verwijst niet toevallig ook naar J.M. Coetzees opmerkelijke roman In ongenade (1999 – Cossee 2020), waarin een vergelijkbare scène voorkomt (die overigens de loutering van het hoofdpersonage David Lurie symboliseert). In zijn beschouwing over ‘het dagboek als succesformule’, gaat hij nader in op Hermans’ afkeer van het autobiografische schrijverschap en zeker van wat hij ‘dagboekaniers’ noemt. Hij leest de dagboeknovelle Madelon in de mist van het schimmenrijk (1993; herwerkte tweede druk 1994) als een mystificatie van het genre, dat voor Hermans alleen waardevol kan zijn als functioneel onderdeel van een breder narratief. Of Van Rompaeys essay evenwel veel toevoegt aan de doorwrochte studie die August Hans den Boef al in 1996 aan de novelle wijdde is zeer de vraag.
 
Over de stad als ‘stadssymfonie’ in Daniël Robberechts’ debuut De labiele stilte (1968) en de stad als ideale voedingsbodem voor ‘dominante machtssystemen’ in de epische roman Omega Minor (2004) van Paul Verhaeghen en het al even omvangrijke Zwerm (2005) van Peter Verhelst schrijft de auteur behartigenswaardige en behapbare stukken. Ze maken deel uit van het centrale luik ‘Landschap’, waarin ook het romandebuut Rupert (2002) van Ilja Leonard Pfeijffer en Willem Brakmans debuut Een winterreis (1961) van (intertekstuele) kanttekeningen worden voorzien. Over de verbeelde en tegelijk labyrintische stad in het indrukwekkende oeuvre van Willem M. Roggeman handelt het slotopstel van dit luik. De steden luisteren naar namen als Venetië, Jeruzalem en Brussel: ze spiegelen zich ten dele in elkaar, maar zijn vooral vruchten van de verbeelding. In die stedelijke context ervaren de personages vooral onrust en onbestendigheid, vervreemden ze van zichzelf, ligt vereilanding altijd op de loer. En dat geldt zowel voor het debuut De Centauren (1963) als De belegering van een luchtkasteel (1990) en De verwoesting van Brussel (2020). Uiteindelijk vormt alleen ‘een verliteratuurd bestaan’ de enige creatieve mogelijkheid om aan de chaos van de grootstad te ontsnappen.
 
In de afdeling ‘Antipsychiatrie’ gaat de auteur ten slotte in op twee teksten waarin de psychiatrische praktijk als machtsmiddel op de korrel wordt genomen. In het eerste essay presenteert de auteur een ‘alternatieve leeswijze’ van Hugo Claus’ meesterwerk De verwondering (1962 – De Bezige Bij 2018), volgens sommigen de beste Vlaamse roman van de vorige eeuw. De analyse van Van Rompaey is glashelder en trefzeker onderbouwd. Hij stelt dat de roman te lezen valt als een ‘pleidooi […] voor alles wat niet in vaste hiërarchische patronen past’. In zekere zin komt dezelfde teneur terug in zijn bespreking van het verhaal ‘De dodenboot’ van Sybren Polet, die bij het bredere publiek vooral bekend is om de elfdelige Lokien-cyclus. Ook in deze surrealistische tekst, die verwijst naar de Egyptische onderwereld en toch ‘een kritische benadering van het surrealisme’ verbeeldt, blijkt de ‘tijd een artificiële ordening van bovenaf opgelegd’.
 
Hoewel de bijdragen divers van inslag zijn en heel uiteenlopende auteurs benaderen, vallen een paar gemeenschappelijke punten niet te ontkennen. Zo gaan bijna alle teksten en romans nadrukkelijk in tegen de gevestigde orde of stellen ze de uitgangspunten ervan in vraag. Ze vertonen in bijna alle gevallen een niet-lineaire verhaalstructuur en voeren (hoofd)personages op waarin de gemiddelde lezer zich niet of nauwelijks herkent. Niet toevallig betreft het groteske of avantgardistische verhalen die tegen de achtergrond van een bepaald narratologisch perspectief toegankelijker lijken te worden. Soms knipogen bepaalde bijdragen gewild of ongewild naar elkaar. Zo lijkt het tijdsconcept bij Polet verwant met dat in het werk van De Wispelaere. Zo ook reiken de psychotische personages uit de slotbijdragen de hand aan het labiele personage dat ter sprake komt in het openingsstuk. Nogal wat auteurs zijn onder meer dagboekschrijvers, zodat ook via het dagboek zeker een lijn te trekken valt tussen auteurs als Roggeman, Robberechts, De Wispelaere, Pfeijffer en zelfs Hermans. Er is dan ook meer eenheid in verscheidenheid dan op het eerste gezicht blijkt.
 
Andreas van Rompaey: Verhalen in perspectief, Eburon, Utrecht 2021, 192 p. ISBN 9789463013529

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2022

April in Spanje

John Banville

De aftocht

Anna Eble, Marleen Nagtegaal, Matthijs de Ridder en Willem Bongers-Dek (sam.)

De draaischijf

Tom Lanoye

De val van de Taira

Anoniem

Er is nog tijd

Rodrigo García

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2022

De wereldgeschiedenis in 100 dieren

Simon Barnes en Frann Preston-Gannon (ill.)

Ik blijf ook altijd bij jou

Smriti Halls, Steve Small (ill.)

King en de drakenvlinders

Kacen Callender

Mevrouw Das en Meneer Ping

Rindert Kromhout en Natascha Stenvert (ill.)

Sneeuwwit

Daan Remmerts de Vries, Mark Janssen (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri