Nederlands proza

BOEKEN NR. 8, OKTOBER 2022

Eveline van de Putte: Lucht

door Elisabeth Francet

Loslaten, hoe doe je dat?  

In een kleine kamer van een verpleeghuis ligt een vrouw van bijna vierennegentig, net geen vijfenveertig kilo, vrijwel doof en blind, naar lucht te happen. Het is augustus en erg heet. De kamer is een oven. Nu het einde van een lange strijd in zicht is, zit Eveline zeven uur per dag aan het sterfbed van haar moeder. Ze voert haar vla met paracetamol, telkens een, twee hapjes, tot moeder uitgeput is van het slikken. Samen, elk op hun manier, doen moeder en dochter wanhopige pogingen te aanvaarden wat onafwendbaar is. Wanneer haar moeder slaapt, gaat Eveline aan de tafel naast het bed zitten, met uitzicht op de binnentuin. Ze maakt aantekeningen voor Lucht.
 
Lucht is het relaas van een stervensproces, het logboek van de laatste, slopende maar ook heilzame weken die Eveline van de Putte aan de zijde van haar moeder wilde, kon, mocht doorbrengen. Een jaar lang nam Eveline de mantelzorg voor haar moeder op zich. Nadat ze anderhalf jaar eerder op een nogal ongelukkige manier afscheid moest nemen van haar vader, wil ze nu aan haar moeders zijde blijven, tot het einde.
 
De korte gesprekjes tussen moeder en dochter gaan meestal over primaire behoeften (eten, drinken, ontlasten en slapen) en nu en dan over een gedeelde herinnering aan toen het beter was. Omdat ze niets meer ziet en almaar zwaardere medicatie krijgt, heeft moeder steeds vaker wanen en angsten. Eveline kan haar niet langer in een rolstoel mee naar buiten nemen. Moeders lichaam laat het afweten, dooft uit, maar haar geest blijft vechten. 'Ik wil naar huis!' Onmogelijk. Eveline kan haar niet de permanente zorg bieden die ze in deze fase nodig heeft. 'Er zijn, dat is het enige.'
 
Vanop haar werkplek slaat Eveline het meeuwenjong in de binnentuin gade. Ze doopte hem Dik en kijkt dagelijks reikhalzend naar hem uit. Parmantig, op grote voeten, stapt Dik in de tuin rond. Zijn ouders voederen hem. Maar vliegen wil hij niet. Metaforisch verweeft Eveline het verhaal van het opgroeiende meeuwenjong met dat van het levenseinde van haar moeder: een onontkoombare cyclus van leven en dood.
 
's Middags eet Eveline in het verpleeghuis. Ze krijgt er alle steun en ruimte van het personeel en is intussen gewend geraakt aan de vaste rituelen in het huis. Zo leerde ze er de 'grijze kinderen' kennen: uitgeputte mensen met 'wazige ervaringen' en 'kronkelende mijmeringen', die 'veel te langzaam doodgaan'. Maar het is niet al kommer en kwel. Er wordt volop gefantaseerd en nu en dan ook gelachen. Eveline bewaakt haar eigen zin voor humor en gevoel voor het absurde. Wanneer er na dagenlange hitte een onweer losbarst, begint een honderdjarige in de leefruimte uit volle borst te zingen: 'Als een schip op zee gebleven is, als de klok van Arnemuiden.’ Het duurt niet lang of de hele tafel zingt mee.
 
Ter compensatie voor de zwaarte aan het sterfbed gaat Eveline wandelen in de Zeeuwse duinen, zwemmen in zee of onkruid wieden in een bloementuin. Vredige ontmoetingen met planten, vogels en vlinders zijn voor haar medicijnen tegen 'de bitterheid van verval en afscheid'. Uit noodzaak opent ze zich gaandeweg meer voor schoonheid in de buitenwereld. Hoe kan ze haar moeder helpen het mooie te zoeken in de 'monotone, kwellende duisternis'. Beiden worstelen met schuldgevoelens. Moeder blijft maar iedereen bedanken. Ze kan het moeilijk verkroppen om afhankelijk te zijn. 's Avonds, voor ze afscheid neemt en naar huis rijdt voor een broodnodige nachtrust, niet wetend of ze haar moeder de volgende dag nog levend zal aantreffen, verlaagt Eveline de hoofdsteun van het ziekenbed en legt haar warme handen op haar moeders gezicht, tot ze in slaap valt.
 
Samen, elk op hun manier, verdwalen moeder en dochter in de tijd. Verwarring, herhaling, vertraging, stilstand.
 
Eveline pleegt overleg met de artsen en verpleegkundigen om het haar moeder zo comfortabel mogelijk te maken. Nu eten of drinken, door het hoge risico op verslikken en stikken, nauwelijks nog mogelijk is, wordt er overgeschakeld op morfine. Eveline botst niet alleen op de grenzen van haar moeders lichaam en leven, maar ook op haar eigen grenzen. 'Het voelt alsof ik voor jou moet kiezen tussen voor altijd slapen of nog een beetje wakker en aanspreekbaar zijn. Het voelt alsof ik voor jou moet beslissen over leven of voorgoed de deur dichtslaan. Maar dat wil ik niet.'
 
Terwijl ze haar moeder in een steeds diepere slaap ziet wegzinken en Dik in de tuin vol overgave zijn veren ziet poetsen, komt er een vreemd soort rust over Eveline: 'een vertrouwen dat de zee, de maan en de sterren me de weg zullen wijzen als jij er niet meer bent.' Onmacht maakt plaats voor aanvaarding.
 
'Ik ben je ogen, je oren. Je handen. En jij bent mijn hart.' Eveline van de Putte schreef Lucht in de jij-vorm, de intiemst mogelijke manier om over haar moeder te schrijven. Vierentwintig dagen lang, iedere dag, ieder moment, nam ze afscheid. Lucht werd een oefening in naakte confrontatie en milde meditatie. Balancerend tussen afstandelijkheid en intimiteit, maakt Eveline de frustratie, de verstilling en het inwaarts keren die samengaan met een dergelijk afscheid, tastbaar.
 
'Liefdevolle zorg is maatwerk, improviseren en buiten de lijntjes kleuren.'
 
In een hartstochtelijk en overtuigend pleidooi voor mantelzorg als basisrecht, breekt Van de Putte een lans voor de tijd en ruimte die iedere mens zou moeten krijgen – met volwaardige ondersteuning – om het stervensproces (dat immers even ingrijpend is als geboren worden) van een ouder te begeleiden en verzekerd te kunnen zijn van elkaars nabijheid.
 
Eveline van de Putte: Lucht, De Brouwerij, Maassluis 2022, 236 p. ISBN 9789083114569

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2022

De blauwe schuit

Shūgorō Yamamoto

Het lied van ooievaar en dromedaris

Anjet Daanje

Ogentroost

A.H.J. Dautzenberg

Voor wie de tijd verstrijkt

Miriam Van hee

Weerspiegeld in een waterglas

Annette Portegies

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2022

Achter de bomen stond een leeuw

Daan Remmerts de Vries

De Pinguïnsint en andere dierenklazen

Edward van de Vendel, Saskia Halfmouw (ill.)

Het levende hoofd

Els Pelgrom, Sylvia Weve (ill.)

Ik ben hier!

Joke van Leeuwen

Wolvenweer

Simon van der Geest, Karst-Janneke Rogaar (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri