Vanaf negen jaar

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2024

Katherine Rundell, Tomislav Tomic (ill.): Onmogelijke wezens

door Jan Van Coillie

De wonderen van de wereld zijn groter dan de chaos

Toen ik in 2020 Sophie op de daken van Katherine Rundell las, raakte ik meteen in de ban van haar talent.Vanaf de eerste zinnen nam ze me mee op een onvergetelijk avontuur met bijzondere personages, in een oorspronkelijke, beeldrijke stijl. Het verhaal speelde in Parijs, een stad die ze deed oplichten met ongewone gebeurtenissen en personages zoals de luchtdansers, kinderen die op daken en in bomen wonen. Daarbij prikkelde ze de lezers om net als Sophie ‘in buitengewone dingen te geloven.’ In Onmogelijke wezens, het eerste deel van een geplande trilogie, spreekt de schrijfster veel sterker haar verbeeldingskracht aan en brengt ze een fantasieverhaal dat zindert van de magie. 

In een woordje tot haar lezers vertelt de auteur hoe ze er als kind naar verlangde om op de ruggen van draken te vliegen en eenhoorns te voeren. In haar nieuwe boek wil ze die magische dieren ‘zo echt en levendig mogelijk maken’. Daarin slaagt ze met brio, vanaf de eerste pagina’s waarin 21 magische wezens in woord en beeld worden voorgesteld, van de Al-miraj tot de eenhoorn. De illustraties laten de wezens zien, maar de teksten wekken ze tot leven dankzij tot de verbeelding sprekende details en anekdotes, soms gelardeerd met humor, zoals bij de kanko, die erom bekend staat op heel hinderlijke plaatsen te nestelen: ‘in schoenen, hoeden, zakken en ooit in de baard van een heer op de dag van zijn huwelijk.’ Maar ook in het verhaal zelf zie je de wezens voor je opdoemen in Rundells plastische taal. Wanneer ze een kudde eenhoorns beschrijft, voel je als het ware hun nabijheid. En als er een draak over vliegt, ‘zo groot als een kathedraal’, met vleugels die bewegen ‘in luie slagen’, wekt die bij de lezers een mengeling van ontzag en ontzetting.
 
Het eigenlijke verhaal opent met een typische ‘Rundell-zin’, die het gewone en ongewone combineert: ‘Het was een prachtige dag, tot iets hem probeerde op te eten.’ Dat ‘iets’ is een ‘zwart, hondachtig wezen’ met ‘klauwen die een eik uit elkaar konden scheuren’. Ook de slotzin van het korte openingsfragment fascineert: ‘Het spreekt daarom erg in Christopher Forresters voordeel dat hij – met snelheid, sluwheid en moed – weigerde om opgegeten te worden.’ Het tweede hoofdstuk opent een nieuwe verhaallijn op een vergelijkbare manier als het eerste: ‘Het was een prachtige dag, tot iemand haar probeerde te vermoorden.’ De moordenaar heeft het gemunt op Mal Arvorian, een meisje dat met haar vliegjas op de wind kan zweven.
 
In de volgende hoofdstukken wisselen de verhalen van Christopher en Mal mekaar af. Christopher wordt net als Mal meteen als een bijzonder iemand getypeerd: zowel tamme als wilde dieren blijken zijn nabijheid op te zoeken. Tegen zijn zin brengt hij zijn vakantie door bij zijn opa in Schotland. Wat een saai verblijf belooft te worden, verandert in een ongelooflijk avontuur wanneer hij een kleine griffioen uit een meer redt. Het dier is ontsnapt uit de Archipel via een tussenweg die gesloten had moeten zijn. Dat weet zijn grootvader hem te vertellen, die de ‘hoeder’ blijkt te zijn van die tussenweg. Hij moet ervoor zorgen dat geen mens de Archipel bereikt, een verborgen eilandengroep waar de magische wezens zich terugtrokken toen de mensheid hun voortbestaan bedreigde. Intussen ontsnapt Mal ternauwernood aan haar belager, raakt ze ontredderd door de toenemende onrust onder de magische wezens op de Archipel en gaat ze via de tussenweg op zoek naar haar griffioen in de mensenwereld. Ze slaagt erin om Christopher ertoe te overhalen haar te volgen naar de Archipel om samen de dreiging af te wenden. Het wordt een avontuurlijke tocht langs mythische plekken als het schiereiland van de sfinxen, de stad der Geleerden en het eiland van de Dryaden. Daarbij moeten ze de meest afgrijselijke wezens zien te verschalken of verslaan.
 
Rundell voelt zich duidelijk goed thuis in het fantasygenre, waarvan ze de typische ingrediënten vlot verwerkt: niet alleen de magische dieren, maar ook magische voorwerpen als het ‘glamry-mes’ dat door alles heen kan snijden, kaarten van de fantasiewereld, de strijd tussen goed en kwaad, waarbij dat kwaad verpersoonlijkt wordt door een wezen met ongekende krachten, de cliffhangers op het eind van veel hoofdstukken, de eigen taal van fantasiewezens als de ‘ratatoska’ en de ‘nereïden’, de tocht door een doolhof met een hoog Indiana-Jones gehalte, de versnelling op het einde met een episch gevecht tussen de heldin en de booswicht die het bijna haalt… De plot is – zeker voor kenners van het genre – weinig verrassend, maar net de vertrouwde ingrediënten spreken veel fans aan. Wat Onmogelijke wezens echter boven het genre uit doet stijgen, zijn Rundells vermogen om personages zo te typeren dat je ze niet licht vergeet en haar originele, plastische en bij momenten poëtische stijl.
 
De hoofdpersonages Mal en Christopher blijven zowel bij door hun ‘onmogelijke’ eigenschappen als door hun diepmenselijke gevoelens als jaloezie, twijfel, wanhoop en angst, die Rundell met veel inlevingsvermogen verwoordt. Maar ook de nevenpersonages zet ze zo levensecht neer dat je het gevoel krijgt ze in levende lijve te ontmoeten. Na een eerste onwennige kennismaking voel je al snel een warme sympathie voor Nachtraaf of Ratwin, de kapitein van de Zondervrees, een ‘berserker’, een ijzersterke reus die geen angst kent en die onvoorwaardelijk de ‘Onsterfelijke’ beschermt. Maar ook figuren die slechts kortstondig opduiken in het verhaal weet de auteur door haar beeldrijke taal raak te typeren, zoals de zeilman Lionel Holbyne: ‘Zijn stem was zacht en gruizig, alsof hij van het zand had gegeten waarop zijn schip was afgemeerd.’ Vertaalster Jenny de Jonge leverde prima werk, waardoor Rundells stijl ook in het Nederlands sprankelt.
 
Die stijl doet je geregeld halt houden bij ongewone combinaties van woorden die vonken slaan als in poëzie: ‘de zorgvuldige kunst van de vergeetbaarheid’, ‘hij zag dat ze in paniek was van liefde’, ‘een naar binnen gerichte, zielknarsende blik’, ‘een vurige en zorgvuldige liefde’… Een enkele keer durft het verbale vuurwerk wel te ontsporen in een gezocht beeld als ‘de ijzeren spier van zijn hart ontvouwde zich en werd een zegevlag’, maar zo’n sisser verdwijnt in het sprankelende geheel.
 
Geregeld doen zinnen je ook nadenken of zetten ze aan om te graven naar dieper liggende betekenissen: ‘Maar de woorden met de grootste macht om zowel ellende als wonderen te verrichten zijn deze: ‘Ik heb je hulp nodig.’; ‘En jullie panters, egels, giraffes en jullie gierzwaluwen klinken net zo onwaarschijnlijk en mythisch voor Archipelanen als eenhoorns voor jullie.’; ‘Hoeveel van onszelf is wat we weten en wat we hebben gezien?’ Een enkele keer wordt een wijsheid nodeloos expliciet verpakt: ‘Angst is gekoppeld aan hebzucht en aan macht.’ Maar de finale boodschap van Mal is er wel een die blijft hangen: ‘zeg dat de wonderen van de wereld groter zijn dan de chaos.’
 
In haar uitgebreide dankwoord doet Katherine Rundell een uitspraak over kinderboeken, die al evenzeer het onthouden meer dan waard is: ‘ik denk dat kinderboeken op hun best zijn waar de menselijke vreemdheid zich ontvouwt en onze verlangens worden geopenbaard en onze gewaagde grappen worden verteld.’ Precies dat doet Rundell op grootse wijze in haar kinderboeken.
 
Katherine Rundell, Tomislav Tomic: Onmogelijke wezens, Luitingh-Sijthoff, Amsterdam 2024, 317 p. : ill. ISBN 9789021044934. Vertaling van Impossible creatures door Jenny De Jonge. Distributie VBK België

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri