Nederlands proza

BOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2022

Carmien Michels: Vaders die rouwen

door Yvan de Maesschalck

Carmien Michels debuteerde met We zijn water (De Bezige Bij 2013), een roman waarmee ze de shortlist haalde van de Vlaamse Debuutprijs 2014 en genomineerd werd voor de Bronzen Uil 2014. Kort daarop volgde Vraag het aan de bliksem, een roman over een opgroeiende jongen die aan de dampkring van de huiselijke beknellingen tracht te ontsnappen. In 2016 won ze het Nederlands en Europees Kampioenschap Poetry Slam en leek een wending naar de poëzie ingezet, wat bevestigd werd door de fraaie dichtbundel We komen van ver. Daarin blijken de familiale context, maatschappelijke betrokkenheid en een hunker naar authenticiteit de belangrijkste bouwstenen van haar wereldbeeld. Met de onlangs gepubliceerde verhalenbundel Vaders die rouwen lijkt ze het poëtische veld alweer te hebben verlaten. Maar dat is slechts schijn, want er waart onmiskenbaar een lyrische adem door elk van de zes hier gebundelde verhalen.  

De titel van het nieuwe boek valt niet samen met die van een enkel verhaal, maar lijkt bedoeld als een vlag die de hele lading dekt. Op basis daarvan kan je vermoeden dat het zal gaan om een verhalensnoer waarin telkens opnieuw een (groot)vader om het verlies van een dierbare rouwt. En dat is ook het geval, zij het dat de contexten waarin en de reden(en) waarom gerouwd wordt erg verschillend zijn. Vaders die rouwen is voor alles een boek over de omstandigheden waarin kwetsbare of gekwetste vaders gedwongen worden (levenslang) te rouwen. De filosofisch lijkende titel ‘Mijn vader is’ van het openingsverhaal is ontleend aan de laatste zin ervan: het verhaal evoceert onder meer de gebroken relatie tussen de grootvader van de ik-verteller Cynthia (Cis) en zijn zoon Karel, Cynthia’s vader. Er is tussen de stokoud geworden, dominante ‘Groteva’ (ooit hoogleraar van beroep) en zijn in Congo (Kinshasa) verwekte zoon (chirurg van beroep) ‘een hemelhoge muur’ opgetrokken die Cis en haar schrijvende zus Bibi proberen te slechten. De koloniale voortijd van de grootvader spookt tussen hen in als een stuk onverwerkt verleden dat de communicatie tussen beiden verhindert. Tot de zoon zijn ongelezen, aan zijn vader verstuurde brieven grootmoedig zelf beantwoordt na Groteva’s hartstilstand.
 
Er kronkelen geheimen – ja, enigszins als slangen – door het verhaal, waarvan de narratieve kern een jaarlijkse familiebijeenkomst in Cadzand is, maar waarvan de compositie steunt op de subtiele spiegeling tussen een laattijdig gedichte vader-wonde en een moeder-wonde die Cis onderhuids meedraagt, als het gevolg van een in Salamanca afgebroken zwangerschap. Bovendien is er de even trage als subtiele verschuiving van onbegrip naar vergeving en verzoening. Daardoor is Cis’ zwijgzame vader ‘niet langer onder narcose’; daardoor ziet ze in dat hij niet gelijkt op Tolkiens held Frodo; daardoor herkent zij eindelijk weer ‘zijn geur, de geur die ik zo lang niet meer rook, de geur van mijn vader’. Die zintuiglijke herkenning leidt tot een bijna hagiografische, lidwoordarme lofzang die het rouwen finaal een halt toeroept:
 
‘Mijn vader is boom. Mijn vader is zee. Mijn vader is zand. […] Mijn vader is het papier van onbeantwoorde brieven. Mijn vader is overal. Mijn vader is in Congo en hier bij mij. Mijn vader is hier. Mijn vader is hier’.
 
Het is duidelijk dat de verhalen zich niet zomaar thematisch op elkaar laten enten. Zo draait het tweede verhaal, ‘Het kippenhok van de buurvrouw’, om een aanvankelijk zwakke, schuldbewuste vader die door zijn weer bij hem inwonende dochter Felicity schandelijk wordt getergd/geterroriseerd, tot hij dankzij zijn ruimhartige buurvrouw en een job bij de ophaaldienst zijn eigenwaarde terugvindt. Zo ook draait het derde verhaal om de innige vriendschap tussen twee circusartiesten (op retour?), Hannibal en Bowie, waarvan de eerste ooit het leven redde van de tweede door zich tussen haar en een toespringende poema in te werpen. Met lelijke verwondingen tot gevolg, al is de ergste misschien wel de terloops vermelde herinnering aan de dood van zijn eigen kind.
 
Hannibal draagt talloze littekens op en in zijn lichaam mee, maar dat geldt ook voor Bowie én voor Christine en Hugo, de onfortuinlijke hoofdpersonages van het vierde verhaal, ‘De geur van verdrietige mannen’. Droefenis zet meteen de toon: het gaat om ‘mijn ex-vrouw Christine’, ‘terminale kanker’, ‘het syndroom van Gilles de la Tourette’ en de ‘serieuze littekens’ van hun echtscheiding. Toch loopt ook dit verhaal niet helemaal slecht af, dankzij een geslaagde hartoperatie voor Christine en de herstelde relatie tussen dochter Anke en haar moeder. De buitenechtelijke relatie van Hugo met Elaine springt na zeven jaar, maar laat ‘geen diepe littekens’ na. Terwijl de ik-verteller Hugo in de eerste zin ‘zijn reukzin’ kwijtspeelt, blijkt hij die, wanneer hij afscheid neemt van een terminale Christine deels te hebben teruggevonden:
 
‘Ik rook de geur die ik zo gewend was, de geur die in haar huis hing toen we het leegmaakten, de geur die ik soms plots herken in de haren van de kinderen van onze dochter: het is de enige geur die mijn koppige reukorgaan weet te onderscheiden’.
 
Aldus de slotzin van dit cyclisch opgebouwde verhaal, waarin ongeveer halfweg een merkwaardige metamorfose – of hallucinatie – voorkomt waarbij de ik-figuur verandert in een bruine rat: het onwelriekende signaal dat Christine weldra als ‘rotzooi’ kan worden gedumpt.
 
De negatieve positiviteit waarmee het vierde verhaal eindigt, kenmerkt ook ‘Onze honden uitlaten’. De klezmermuzikante Martina, tevens de ik-verteller van het vijfde verhaal, bouwt een relatie op met Jacob, een oudere, niet-orthodoxe Joodse man. Blijkbaar wordt ze geschaduwd (gestalkt) door Levinas, zijn zoon uit een vorig huwelijk. Hoewel haar gechipte hondje Jutta en Jacobs honden het prima met elkaar kunnen vinden, raakt Jutta langdurig zoek, tot hij lelijk toegetakeld wordt teruggevonden: ‘Op de plek waar haar chip had gezeten, zat een litteken’. Voor Martina is meteen duidelijk wie hiervoor verantwoordelijk is en naderhand ook waarom. Zij brengt bij de dader op haar beurt een verminking aan, die letterlijk diep in de huid snijdt:
 
‘Ik nam hem af wat hij mij had ontnomen. Een lapje huid dat ik was kwijtgeraakt, dat essentieel was voor mijn zelfvertrouwen, mijn eigenwaarde, mijn eigenheid’.
 
Het lapje huid wordt later tegen de houten wand van het toilet gespijkerd als ‘een in memoriam, een lamentatio, een laudatio’. Maar het is en blijft ‘mensenhuid’, een woord dat luid resoneert en spontaan associaties oproept met onmenselijke wreedheid, oorlogswaanzin en jawel, ook met de Holocaust.
 
Het slotverhaal ‘Paarden eten mijn dromen op’ is mijns inziens het meest surreële, allegorische én poëtische verhaal van de bundel. Een zekere Huh, Koreaans van afkomst, maar al lang verstard in een routineus huwelijk met Amaryllis, tracht afscheid te nemen van hun zwaar gehandicapt vierjarig dochtertje Mila. Haar al te vroege dood, het schuldgevoel van de vader en de wanen die ermee gepaard gaan, worden gevat in een erg gelaagd beeld. Daarin komen steigerende (nacht)merries en zwarte paarden voor, zoals de door hem bereden hitsige hengst Jago, en wordt ook duidelijk waarom hij zijn lange, tot een knot opgebonden haren/manen afknipt wanneer ‘Mila, het mooiste en pijnlijkste geschenk’, sterft.
 
Even voortvluchtig als een paard, vertoeft hij denkbeeldig in vreemde landschappen, waar hij onder meer een jongeman tegenkomt met ‘het groteske litteken boven het hart’. Hij beeldt zich in dat hij de schimmel Mazeppa via een door haar opgegeten appel, doordrenkt van zijn sperma, heeft bezwangerd en de verwekker is van een dood geboren ‘dochterveulentje’. Doorzichtige symboliek misschien, maar de opgerekte, woekerende paardenmetafoor roept in elk geval de ondraaglijke pijn op van een vader die een bij voorbaat veroordeeld dochtertje tot elke prijs niet wil verliezen. Elk kort citaat doet de stilistische slagkracht van Michels’ proza onrecht aan, maar hoe Huhs rouw plaats ruimt voor hoopvolle aanvaarding klinkt bijvoorbeeld als volgt:
 
‘Een voor een kwamen de merries en hengsten en ruinen me steun betuigen, hun neuzen tegen mijn schouders. Bij iedere duw voelde ik me aansterken. [….] Toen de laatste me was komen groeten, groeiden op het graf de eerste anemoontjes. De paarden verdwenen allemaal tezamen de velden in, een roze stofwolk achter zich latend. Jago stond naast me en hinnikte, en zag wat ik zag: het veulentje dat met ze meeliep, anemoontjes in haar manen gevlochten’.
 
De verhalen van deze bundel verschillen erg van elkaar, al staan ze door het rouwmotief uiteraard schouder aan schouder. Je zou natuurlijk kunnen beweren dat de ‘hartstilstand’ waaraan Groteva overlijdt, terugkeert als de ‘hartaanval’ waaraan de grootvader van Huh bezwijkt. Bovendien komt een of ander litteken – het woord alleen al – zo vaak voor dat het zeker als leidmotief kan gelden. En de verwijzingen naar geuren en luchtjes allerhande zijn welhaast ontelbaar, zoals er ook vaak gedroomd wordt en het aantal paarden(ogen) hier niet te tellen is. Tekstuele elementen die, net als een vaag aangezet spiegelmotief, bijdragen aan de verwantschap tussen de verhalen, maar ze thematisch nauwelijks naar elkaar toehalen. Daarvoor zijn ze formeel en stilistisch te verscheiden. ‘Hannibal’ bedient zich van een wisselend ik-perspectief, en doet wat dat betreft, denken aan het meervoudige vertelstandpunt van We zijn water. De frequente verwijzingen naar Tolkiens Hobbitpersonage Frodo verleent een intertekstuele toets aan het beginverhaal, zoals die naar Othello en The Merchant of Venice of de knipogen naar Plato’s allegorie van de grot (p. 213, p. 275) dat ook doen. Maar los daarvan biedt deze uitnemende bundel zes aparte kortverhalen van langere adem, of zo je wil, zes op zich staande korte romans met een eigen intrige, eigen ritme en eigen melodie. De intense innigheid ervan is meer dan prijzenswaardig.

Carmien Michels: Vaders die rouwen. Verhalen, Querido, Amsterdam 2021, 293 p. ISBN 9789021426914. Distributie L&M Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2022

De blauwe schuit

Shūgorō Yamamoto

Het lied van ooievaar en dromedaris

Anjet Daanje

Ogentroost

A.H.J. Dautzenberg

Voor wie de tijd verstrijkt

Miriam Van hee

Weerspiegeld in een waterglas

Annette Portegies

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2022

Achter de bomen stond een leeuw

Daan Remmerts de Vries

De Pinguïnsint en andere dierenklazen

Edward van de Vendel, Saskia Halfmouw (ill.)

Het levende hoofd

Els Pelgrom, Sylvia Weve (ill.)

Ik ben hier!

Joke van Leeuwen

Wolvenweer

Simon van der Geest, Karst-Janneke Rogaar (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri